Interview met Femmy Otten



Interview met Femmy Otten (NL 1981), Den Haag, herfst 2015

Van Den Haag naar Gent: Femmy Otten, vanaf zaterdag 16/01 in croxhapox, Gent

 


Hilde Van Canneyt: Hallo Femmy, als klein meisje met twee leuke roodharige vlechtjes huppelde je vroeger door de straten van Amsterdam. Begonnen je plastische reacties/ideeën zich toen al te ontspinnen?

Femmy Otten: Ik heb altijd een enorme honger gehad naar alles wat te maken heeft met “kunst”: muziek, dans… Mijn moeder was verpleegkundige en mijn vader sportleraar, dus bij mijn thuis is het niet ontsproten. Ik was evenwel dyslectisch, misschien hield het daarmee verband…

HVC: Voelde je je in de tekenlessen het meest “Femmy”?

FO: Nou, tekenen was voor mij steeds iets vanzelfsprekends. Mijn moeder gaf me geregeld enveloppen, waarop ik mocht tekenen. Deze van de rouwadvertenties vond ik het mooist, aangezien je netjes in dat zwart lijntje kon kleuren. Voor mijn moeder was het een middel om me stil te krijgen, terwijl het voor mezelf een manier was om orde in de chaos te vinden.

HVC: Je begon je schoolloopbaan op een christelijke school…

FO: … waar ik natuurlijk niet veel met kunst in contact kwam. Daarna kon ik weliswaar naar de Rietveld Academie. Kunstonderwijs bestaat in Nederland niet op de middelbare school en is het bovendien nogal pover. Op de KABK (Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten) liep ik evenzeer half verloren, immers switchte ik van schilderkunst naar beeldhouwkunst… Toen realiseerde ik me reeds dat ik heel erg keek naar de plasticiteit van de dingen. Dat is iets wat me erg rustig kon maken. Soms kan ik mijn ogen sluiten en vormen nog navoelen. In die periode ik was eigenlijk al niet bij te sturen. (lacht) Wél was ik ongelooflijk gelukkig aan het worden. Nu wissel ik nog vaak af tussen het ene en het andere.

HVC: In 2009 besloot je om naar het HISK in Gent te trekken… maar niet voordat er vier jaar tussen je afstuderen zat… Waren dat vier ‘alene’ atelierjaren?

FO: Nou, ik heb vier jaar héél veel in mijn atelier gezeten en heel intensief gezocht naar het onderzoek dat ik wilde voeren. In tussentijd heb ik zelfs nergens een applicatie voor ingediend. Omdat ik bewonderaar ben van Belgische schrijvers en kunstenaar, wilde ik naar België trekken. Daar leek me veel romantiek in de lucht te hangen en ik vond het fijn dat niemand me er kende.

HVC: Was je toen reeds bezig met ‘je reliëfs’.

FO: Ja, ik was sinds geruime tijd op zoek naar een manier om afstand te doen van het frame. Na een zoveelste crisis in het schilderen, kwam ik daarop uit.

HVC: Ik las dat het je al een tijdje dwars zat dat de eindigheid van het schilderij niet kàn stoppen bij de randen van het canvas. Vanuit die gedachte zijn je reliëfs ontsproten. Erna kwam het schilderen op reliëf, dat daarna zelfs een geschilderde uitloper vond op de muur...

FO: Er lag in mijn atelier een nagelvijltje en een stukje gips. Ineens gebeurde het, hetgeen voor mij als een echte openbaring aanvoelde: de wereld leek helemaal open te gaan. Ik voelde dat ik daarmee naar buiten wilde komen. Dit heb ik in het HISK in Gent verder kunnen ontwikkelen. Het was een fantastische periode!

Ik heb steevast een voorliefde gehad voor Rogier Van der Weyden. De eerste keer dat ik dat ik zijn werk zag, was een ongelooflijke ervaring. Hetzelfde geldt voor de vroege Italianen en de Romaanse beeldkunst. Pas later kwam de fascinatie voor de Aziatische miniaturen, architectuur en beeldhouwkunst erbij. Ik was op zoek naar een “heelheid” in mijn werk. Mogelijks brachten die werken me op een plek waar de tijd zijn relevantie verliest?

HVC: Heb je het over de aura’s of mythes die rond een werk hangen of de vibe die uit een sculptuur of schilderij spreekt?

FO: Ja, dat is waarnaar ik op zoek ben. Het gaat eigenlijk altijd om een soort sublimatie. Zo’n portretje van Rogier van der Weyden, dat is zóo mysterieus, zo gesublimeerd.

HVC: Het gaat je om de ruimte dat zich tussen jou en het schilderij openbaart, vermoed ik? Betracht je hetzelfde tussen jouw werk en de toeschouwer?

FO: Het zou een groots compliment zijn mocht dat gebeuren en gelukkig gebeurt het heel af en toe bij iemand. Dat vind ik echt een redding. Ik ben niet echt geïnteresseerd in het persoonlijke of de emoties op zich, hoewel ik vanzelfsprekend werk naar voorbeeld van mensen die om me heen leven. Het boeit me echter niet om mijn persoonlijke verhaal te delen.

HVC: Wil je een universeel verhaal brengen?

FO: Zoiets, een soort elementaire passie, maar dat klinkt zo suf. Iedereen is zich ervan bewust dat het leven interpretatie ontbeerd en dat lucht een parodie is van water. Toen ik in Angkor Wat (Cambodja) en ik al die Boedha’s zag… Die glimlach, daar kan je gewoon blijven naar kijken! Al weet je niet precies of het een grimas of glimlach is. Het is een totale spiegel. 

HVC: Een meer unheimliche glimlach bestaat bijna niet. Het lijkt haast alsof ze lachen met zichzelf, met ons of met de wereld. Het kan ook een vorm van berusting zijn: het laten zijn wat het is.

FO: Dat is wat me blijft fascineren in portretkunst. Immers begint het voor mij toch meestal met houten basisgezichtjes. Áltijd is het gezicht belangrijk. Ik doe veel uitstapjes waar ik heel erg van geniet, maar ik kom altijd terug bij het gezicht. Daarin zoek ik de openheid, aangezien het mij niet gaat om het uitbeelden van herkenbare elementen. Wanneer je de portretten van de Franse beeldhouwer Charles Despiau of de vroegitaliaanse Francesco Laurana ziet... Deze zijn zo geconcentreerd, zo begrepen, zo niet praatziek.. 






HVC: Hier in jouw atelier zie ik werken met die diezelfde glimlach…

FO: Ik heb dat werk Archaïsche glimlach eerst in hout gemaakt. Dat is met de hand gebeiteld, waaraan ik zes maanden heb gewerkt. Ik zal het later in brons maken, ondanks dat de materie me an sich niet interesseert. Ik werk zóóo lang aan beelden, dat ik me in sommige gevallen baseer op de beelden die ik al heb, al probeer ik meestal iets nieuws te maken.

HVC: Beschouw je het dan als een beeld dat niet volmaakt is?

FO: Ik kan dit het best uitleggen aan de hand van het werkje Yellow minutes. Tijdens het werken maak ik zoveel associaties. Het is voor mij een meditatief gegeven, net zoals het opschuren van een beeldje bijvoorbeeld. Mijn werk gaat verder over het visueel associëren. Als ik een tentoonstelling heb, gaat alles mee en vertrouw ik op alle werken die ik in het proces heb gemaakt. Vervolgens komt dat allemaal samen in de ruimte zelf. Welke vorm die dan uiteindelijk krijgt, is altijd een beetje afwachten. Niettegenstaande het er meestal redelijk direct en vlot uitkomt. Het is heel prettig om doen.

HVC: Als ik het goed begrijp, neem je de helft van je atelier mee. Het andere deel maak je daar in de expositieruimte, hetgeen je dan als het ware als een tweede atelier ziet.

FO: Ja, dat is het! In de tentoonstellingsruimte gaat het om energie. Dat kan heel heftig zijn omdat je volledige openheid moet betrachten onder druk. Echter het is vooral heel spannend.

HVC: Toen je uit het HISK in Gent kwam, ben je nog naar De Rijksacademie in Amsterdam getrokken, die hoog in aanzien staat. Weinig Belgen en Nederlanders geraken er binnen. Was je nog niet klaar voor ‘de échte, grote wereld’?

FO: Nee. (lacht) Ik kreeg de gelegenheid en tegelijk was het een geweldige opportuniteit. Het is ongelooflijk hoeveel interessante mensen je er leert kennen. Omdat ik niet goed ben in acquisitie, is het ideaal dat de (kunst)mensen er eenvoudigweg naar jou toekomen. Bovendien kan je tijdens feedback verderwerken.

HVC: Keek je anders naar (je eigen) kunst dan je mede-Hisk-ers, die meer conceptueel te werk gaan?

FO: Misschien, maar ik voelde me eigenlijk heel erg op mijn plek. Ik weet heel duidelijk waar ik naartoe wil. Alleen is het soms erg lastig. Ik voel me ook thuis in deze tijd, alleen lijkt mijn werk aan de oppervlakte niet in deze tijd te passen. Desalniettemin hoort het hier echt wel thuis! (lacht)

HVC: Het gaat je over het heden, over de hedendaagse context. Volgens mij is er trouwens niet zoveel des mensen veranderd …

FO: Het gaat me werkelijk om een concentratie terugbrengen. Wat de Egyptische portretten of de portretten van Rogier van der Weyden doen en wat dat werk zo mooi maakt, is de ui-ter-ste toewijding van de kunstenaar. Die toewijding staat bijna los van de tijd en is mijn reactie op de versnippering in de tijd, op de eclectische beeldtaal die nu heerst.










HVC: Van België naar Nederland en terug: kreeg je een andere visie op kunst door weer in je thuisland te zijn?

FO: Ik weet het niet… ik weet alleen dat ik altijd maar door wil(de) doen.

HVC: Zie je het als een exploratie van je kunnen of van je onderzoek?

FO: Ik ben niet geïnteresseerd in 'het kunnen' of 'het vakmanschap'. Ik heb enkel de lange omweg van het zoeken binnen het materiaal nodig om tot een direct beeld te komen. Het voelt als een archeoloog die dingen wil samenbrengen die voor mezelf intuïtief heel logisch zijn. Het is zo spannend om je gedachten werkelijkheid te zien worden of hoe je een tekening een gipsen afdruk ziet worden. Het ogenblik waarop alles in elkaar valt is ongelooflijk! Pas dan krijgt het betekenis. Dat zijn mijn meest gelukzalige momenten, maar je moet er lang op wachten. Misschien overkomt me dat vijf keer per jaar? (lacht)

HVC: Al wachtend doorwerken…

FO: Het zijn eigenlijk een soort eliminaties.

HVC: Hoe ervaar je het als een derde oog je werken in je atelier of op een expo komt ‘keuren’? Iemand kan nonchalant aan je werk voorbijlopen, wat kwetsend kan zijn. Zelf sta ik er als kijker niet altijd bij stil dat ik het ene kunstwerk sneller voorbijloop dan het ander wanneer ik een groepsexpositie bezoek…

FO: Ja, ik kan dat niet van iedereen verwachten, maar het kan wel kwetsen. Er zijn momenten waarop je denkt niet goed genoeg te zijn.





HVC: Vertel eens me eens het fijne verhaal van de zeelepel. Jij zag die houten lepel liggen, maar het voelde aan alsof hij niet volledig was…

FO: Na de academie heb ik vier jaar voor mezelf gewerkt in een kleine studio in Den Haag, dicht bij de zee. In de ochtend werkte ik bij de thuiszorg. Bij een van de oudere dames kwam ik deze lepel tegen. Het is een Franse lepel die nog van háár grootmoeder is geweest. De dame waarvoor ik werkte was blind en ik heb de zee in haar lepel geschilderd.
Het zijn van die momenten waarop je voelt dat je ergens op moet reageren. Dat is de moeilijkheid van geen eigen canvasvormen te hebben. Tegelijk ben je op zoek. Als ik op kleine doekjes schilder, blijven ze soms een half jaar hier in mijn atelier hangen vooraleer ik weet wat ik ermee ga doen. Tot ik plots zie ik in wat voor setting ze toebehoren.








HVC: Je kon er na het HISK (BE) en de Rijksacademie (NL) geen genoeg van krijgen, want je bent erna nog naar Cité des Arts in Parijs getrokken. Was dat terug een vlucht uit de realiteit?

FO: Eigenlijk wel. Het was goed om op verplaatsing te zijn, maar anderzijds had ik het beter een jaar kunnen uitstellen. Ik heb er bijzonder veel onderzoek kunnen doen en heb álles in Parijs gezien: van onder tot boven en terug. Ik vermoed dat ik twee weken in het Louvre heb doorgebracht. Vooral ben ik gevoed door de Mesopotamische kunst. Noodzakelijk is om te zien en te voelen wat je écht belangrijk vindt.

HVC: Je bent nu in Den Haag en zodoende niet meer in een beschermde kunstomgeving van leraars, leermeesters, mede-residenten enz. Je produceert al dan niet in opdracht, maar uiteindelijk moet je hier elke dag het beste uit jezelf halen.

FO: Momenteel ben ik bezig met het sokkelproject in Den Haag. Ik maak daarvoor een hermafrodiet, een naakte mens met zowel mannelijk als vrouwelijke delen. De commissie die me had uitgenodigd om een beeld te maken, reageerde terughoudend op mijn voorstel omdat mijn werk in de commerciële winkelstraat zal komen te staan. Ze waren namelijk bang om bepaalde bevolkingsgroepen te kwetsen. Na lang beraad durven ze het aan en zal mijn beeld in de openbare ruimte geplaatst worden. Zelf meen ik dat we niet teveel voor de ander moeten denken. In dat geval dreigt het gevaar dat we aan hypercorrectie gaan doen en dat we bovendien symbolen gaan scheppen voor de zogenaamde 'humanistische waarden'. Je kunt het risico in de kunst niet vermijden. De Vlaamse filosoof Frank vande Veire schrijft helder over 'het sacrale' herwinnen in de openbare ruimtes.

HVC: Je werkt tegenwoordig meer met hout en gips.

FO: Wanneer ik op een setting met gips werkte, moest ik het daarna altijd vernietigen, omdat het anders vast bleef zitten aan de muur. Ik hou daarvan, aangezien het letterlijk over de concentratie van het kijken gaat. Het is geen object dat je kunt meenemen. Het rechtstreeks op de muur aanbrengen, gaat over tijd en ruimte. Toch kreeg ik de behoefte om die concentratie letterlijk vast te houden. Daarom koos ik ervoor om in hout te beginnen werken. Het zijn twee lijnen in mijn werk die elkaar in stand houden. Aangevuld door de ervaring wanneer je in die ruimte zelf bent. Daarenboven is het materiaal ‘hout’ erg levend. Als ik aan het werk ben op en in hout, beschouw ik dat als momenten van toewijding aan het materiaal. Die toewijding kan je evengoed vinden in een mooie tekening die je inkadert. Die klassieke presentatie kan heel ontroerend zijn.

HVC: Je bent uren en uren bezig met je houten sculpturen, maar elke minuut werk erin en eraan is het blijkbaar waard.

FO: Het gaat erom in een bepaalde roes te komen. Bovendien geeft de tijd – dat ook reflectie betekend het beeld een soort bestaansrecht. Het is net alsof ik het beeld verover.







HVC: Iemand schreef zelfs: “Ze bedrijft de liefde met haar materiaal.” In interviews heb je het vaak over het meditatieve aspect van je werk. Een andere uitspraak van jou is: “Je kan niet iets maken en tegelijkertijd je criticaster zijn. Je moet je kunnen laten gaan in iets, maar tegelijkertijd de controle houden.” Op een blad heb je eigenlijk een blanco nieuw vel, maar in hout is het juist het tegenovergestelde.

FO: Met hout kan je reageren op iets wat er al is. Het gaat me om het hele langzame zoeken. Het is heerlijk om weg te halen. In eerste instantie kan je het hout niet tillen, weliswaar wordt het gedurende het proces lichter en lichter.

HVC: Om het even over dans te hebben, toch een 'zijspoor' in je werk. Voor een openingsperformance bij Fons Welters, had je een danseres ‘ingehuurd’ die je zelf choreografeerde. .

FO: Je begrijpt mijn fascinatie voor het ritueel. Voor mij was het echt een openingsritueel, het bijna ruimtelijk maken van concentratievormen. Ik wilde niet het intieme vrouwpersonage. Ik betrachte dat het ging om het mens-zijn, alsook het puur vormelijke. Toen ik als kind tekende, was dat de plaats waar alles gebeurde. Ik rende naar het einde van de weg die ik tekende. De stilte waaide er om me heen of een geel potlood waar ik vlammen mee kleurde, voelde gloeiend heet aan. Als ik door mijn ouders geroepen werd voor het eten en daarna terug bij mijn tekening kwam, verbaasde het me geregeld dat de tekening zo stil lag en dat er ondertussen niet van alles in gebeurd was. Dat gevoel kan me nog steeds overvallen. Ik ervaar het nog steeds als een vreemd verschijnsel dat de wereld die ik uitbeeld zichzelf niet vormgeeft als ik er niet ben. De performance die ik toonde bij Fons Welters, maakte dit gevoel tot een concreet werk. Ik creëerde een climax van het draaien, deformeerde het lichaam van de danseres waardoor mijn sculptuur begint te dansen. Dat was een lang gekoesterde droom! Ik heb herinneringen aan uren stilliggen en kijken, maar het besef dat ik nog steeds zo ver verwijderd ben van – en zicht heb op alles wat nog te doen valt.

HVC: Ik lees dat je altijd op zoek bent naar pure beelden of naar dingen die verdwenen zijn, als het ware achtergebleven in de mist van tijd. Al wil je het verleden tegelijk weer tot leven wekken.

FO: Ik wil eigenlijk een verband scheppen met het oerse. F.C. Bergman heeft iets heel mooi geschreven over wat intuïtie betekent in de kunsten en hoe je keuzes kunt maken die het louter instinctieve kunnen omzeilen. Dat heeft me houvast gegeven in mijn werk. Het gaat om mezelf voeden door middel van boeken en materialen, maar ook om intuïtieve keuzes. Zoals Tarkovski schrijft in zijn Verzegelde tijd. Het is zoeken naar een zekere catharsis, die je enkel vindt als je ervoor open staat.

HVC: Ben je niet op zoek naar die schoonheid?

FO: Schoonheid is een manier om iemand in het beeld te lokken. Het voelt voor mij als energie, zoals licht en warmte dat evenzeer kunnen zijn. Schoonheid kan ook dom en praatziek zijn. Het kan me zo vervelen.

HVC: We hebben het ook al gehad over het romantische en het dromerige. Het verhaal is voor jou an sich niet belangrijk.

FO: Echt verhalend is mijn werk niet. Het is zoals emoties, die op zich niet interessant zijn als wel hun energie die in het beeld loopt. Ik zoek naar dingen die vrij van sentiment zijn. Als je naar een werk van Piero della Francesca kijkt bijvoorbeeld, is dat vrij van sentiment. Gewoon naar een mooi plaatje kijken, heeft geen zin.



HVC: Nochtans gaat jouw werk vaak over de liefde, want jouw eigen liefdesleven zit erin.

FO: Dat komt omdat dit heel zuivere beginselen zijn, maar het wordt niet gebruikt om een verhaal te vertellen. Mijn verhaal of ikzelf doen er absoluut niet toe.







HVC: Liefde is een universeel gegeven. Ergens las ik over een onbestemd gevoel en de toewijding die uitgaat van jouw kant… Je kan honderd uur in hout zitten kappen, terwijl op een expo of kunstbeurs misschien 50% van de bezoekers achteloos aan je werk voorbijgaat. Je krijgt diezelfde toewijding in vele gevallen niet van de kijker terug.

FO: Op zich verwacht ik dat niet – of heb ik niet het gevoel – dat ik er veel van terug verwacht. Echter voel ik op een andere manier dat ik er veel van terugkrijg. Zo krijg ik af en toe wel eens post van mensen die mijn beeld op de Oosterbegraafplaats in Amsterdam hebben gezien. Dan verbaast het me soms dat ze precies dat benoemen waar het bij mij over ging. Laatst zat er een briefje met een gedicht in van Henriette Roland Holst: 'De zachte krachten overwinnen in het laatst'. Zo mooi! Als je naar een schilderij van Bonnard of Vuillard kijkt, dan gaat het evenzeer over liefde en over het volledig introduceren van dat wat je maakt. Als je het allerdichtst bij jezelf blijft, blijft het ook dichtst bij je ziel. En voor de ander het meest bijzonder.

HVC: Je werkt met tijdloze (klassieke) beelden en vormen. Krijg je daar nooit kritiek op?

FO: Doordat ik in situ werk, krijg ik direct te maken met die tijd. Omdat ik het daarna weer af moet breken, benader ik het moment bij de kijker die op dat ogenblik in de ruimte staat. Het is meer dan een schilderijtje dat er hangt. Ik voel me vrij om alles te citeren, alles in mijn werk te brengen. Het is een eclectisch allegaartje, zoals de maatschappij en internet er nu uitziet. Dit alles wil ik in een volle concentratie gieten, hetgeen voor mij het essentieelst is. Soms leg ik het er dubbel op, maar dat is een persoonlijke voorkeur. Of misschien is het mijn Nederlandse achtergrond?

HVC: Ergens zeg je: “Mijn lichaamsdelen leken wel uit te groeien, mijn voeten, mijn handen…“

FO: Dat handelde over het ervaren van kunst, of muziek in dit geval. Ik ging voor het eerst naar een concert in het concertgebouw met mijn oma. Het was een stuk met muziek van Schubert, die nog steeds mijn lievelingscomponist is. Tijdens dat concert leek mijn lichaam te groeien en mijn ledematen voelden heel lang met grote warme voeten en handen.

HVC: Jouw atelier is iets waar je van ’s ochtends tot ’s nachts zou willen zitten. Is dat de plaats op aarde waar je het liefst van al vertoeft?

FO: Buiten mijn atelier heb ik het gevoel van tijdsdruk en dat heb ik hier niet. Misschien omdat ik altijd dat diepe verlangen heb om te maken wat ik wil. Ik merk dat ik hier moet zijn, het lukt me niet buiten mijn atelier. Ik kan natuurlijk iets in een schetsboekje maken, maar dat is niet hetzelfde.

HVC: Het gaat je om die vier muren die je bestempeld als ‘mijn atelier’ en waar je de deur achter je wilt dichtslaan?

FO: Ik hou van mijn atelier. Zodra ik de deur dicht trek, geldt er een geheel andere tijdszone.

HVC: Over je ateliergang: je staat op en springt op je fietsje? There is no other way? Je blijft niet plakken of lummelen onderweg zoals ik, omdat ik geen zin heb om me op te sluiten en eraan te beginnen. Ik zou blíjven buiten wandelen, rondjes lopen, blijven hangen... om maar niet naar binnen te moeten op een bureau te gaan zitten vegeteren… Bij jou is er dat spontaan verlangen naar die vier muren.

FO: Ja, zelfs als ik op een feestje sta, kan ik al heel snel denken: “Laat ik maar zo snel mogelijk naar bed gaan, kan ik morgenvroeg lekker naar mijn atelier.” Op de heenweg lijk ik altijd voorzichtiger te fietsen dan op de terugweg. Natuurlijk gaat het niet altijd goed in mijn atelier. Ik heb enorm veel crisissen, maar elke ochtend is het geloof weer terug.

HVC: Ergens las ik dat je door jouw gedachtegang en gelaagdheid passeert aan die van de kunstgeschiedenis en je tenslotte uitkomt bij een eigentijdse gedachte.

FO: Ik hou enorm van outsiders zoals Henri Darger. Hij is op z’n elfde van huis weggelopen, omdat hij geen veilige thuisbasis had. Hij is lang conciërge op een school geweest. Het enige wat ze na zijn dood van hem vonden, was een aanvraag van adoptie die werd afgewezen. Daarnaast had hij duizenden tekeningen gemaakt, zijn hele verhaal werd erin verteld. Het zijn soms echt lugubere tekeningen met veelal naakte jongetjes en meisjes met pistolen. Ook in mijn werk zit altijd iets wrangs, zeker in mijn ouder werk.

HVC: Is er een reden – als er al een reden moet zijn dat jij vrouwen met penissen hebt gemaakt?

FO: Erotiek vind ik een bepaalde energie. Het is als een combinatie van licht en warmte. Ik denk dat het te maken heeft met het één geheel zijn, zonder het bestaande onderscheid tussen man en vrouw. De vrouw is in de kunstgeschiedenis vaak uitgebeeld als het slachtoffer van decoratie. Dit is zo’n fijne lijn. Wanneer Henri Matisse een vrouw schildert, is het prachtig. Wanneer echter Renoir een vrouw schildert, vind ik het vervelend. Als Balthus een vrouw schildert, vind ik het zo veel minder dan als zijn broer Pierre Klossowski zijn eigen vrouw tekent. Klossowski’s werk zit vol met erotiek en is een van de mooiste dingen die ik ken. George Bataille beschrijft de krachten van het irreële. Hij beschrijft de erotiek als grenservaring. Dat is het, denk ik. Ik gebruik seksualiteit als een natuurlijk deel van het leven, waarbij ik het normaal acht dat genders delen van elkaar overnemen. De creatieve ervaring ligt dicht bij de seksuele ervaring. Seksualiteit beschouw ik als in de ruime, grote betekenis van het woord, samen met het leed en de lust ervan. Ik heb het dus niet over de misverstanden rondom seksualiteit door godsdienstige invloeden en de pornografie.

HVC: Wil je met seksualiteit en voyeurisme iets aankaarten in je werk?

FO: Niet op een letterlijke manier. Mijn werk is steeds een afspiegeling van de dingen. Ik probeer nooit op een gefrustreerde manier met iets bezig te zijn. Het zijn die krachten van het irreële die ik spannend vind.

HVC: Ik zie jouw werk niet als statement.

FO: Nee, alstublieft! Ik heb die hele omweg van dat “lang kunnen zoeken” en vervolgens “kunnen vinden” nodig. Het is lang onrustig zoeken geweest, maar ik besefte eerst niet dat ik die omweg en ondergrond noodzakelijk was. Nu ik mezelf en mijn natuur heb onderkend, is dat proces en zoeken een proces op zich geworden.

HVC: Wat is het grootste complement dat je je eigen werk gunt?

FO: Tja, Hilde. Dat zou dan de poëzie zijn. Poëzie is voor mij een wereldbeeld. Poëtische verbindingen hebben een sterkere emotionele werking. Vanuit de diepte van mijn eigen wereld een poëtische logica scheppen, is wat ik wil. Deze staat dichter bij de wetmatigheid van het leven.

HVC: Hoe zit het met Femmy en “de galeries”?

FO: Ik zit nu bij Fons Welters.

HVC: Om af te sluiten. Wat je carrière tussen alles in een boost heeft gegeven, is De Volkskrant Beeldende Kunst Prijs in 2013, waarbij je werd voorgedragen door iemand die jou niet persoonlijk kende.

FO: Dat was inderdaad heel prettig en ik heb er mijn rijbewijs mee kunnen behalen. (knipoogt) Ik heb echt al veel geluk gehad. Ik kom – zeg maar – uit een vrij marginale positie, maar door de kunst lijk ik veel cadeaus te krijgen. Het is allemaal heel natuurlijk gegaan, maar het is fijn dat ik zo mensen verzamel die achter mij staan.

HVC: Daarna kreeg je nog maar eens lekker de opdracht samen met twee andere kunstenaars om het staatsieportret van koning Willem Alexander te maken.
FO: Ja, fijn! Er werden veertig kunstenaars uitgenodigd door een comité, waarna er nog twaalf kunstenaars overbleven om een schetsontwerp te maken op basis van foto’s die je kreeg. Dat was vrij onhandig voor mij, want ik werk graag gelaagd. Ik vond ze trouwens niet zo goed, ik had er totaal niet op gerekend dat ik erbij ging zijn. Je werd er echt voor de leeuwen gegooid. De schetsontwerpen werden beoordeeld door Luc Tuymans, Taco Dibbits, en Wilma Suto. Toen ik werd gekozen, heb ik geëist dat het onder mijn voorwaarden moest en ik ermee kon doen wat ik wilde. Eens klaar heb ik er wel kritiek op gehad, hoor. Plots kwamen die drie winnende portretten overal in de media en leek het bijna op platte commercie. Ze gingen de straat op met het portret op een Ipad en vroegen ze voorbijgangers wat ze ervan vonden. Dat wil je als kunstenaar helemaal niet meemaken. Ik heb toch even over alles getwijfeld.

HVC: Het toont het hoe de media op een foute manier met kunst omgaat, maar anderzijds heeft je in Nederland naambekendheid gegeven.

FO: De winnaars waren dan ook nog eens drie enigszins radicale kunstenaars. Mensen die de kunst liefhebben, hebben meestal niet de monarchie lief en omgekeerd.

HVC: Hoe heb je dat portret trouwens vormelijk benaderd?

FO: Zoals ik altijd doe, namelijk intuïtief. Ik heb me helemaal laten gaan en me toegelaten te mislukken. Uiteindelijk heb ik met allemaal transparante lagen over elkaar heen gewerkt. Ondanks dat er zoveel druk achter zat, lukte het me goed. Terwijl dat meestal niet gaat voor mij. Ik vind dat het pas klopt als je voor het echte werk gaat staan. Het hangt nu in paleis het Loo.

HVC: Weet je wat Willem Alexander ervan vond?

FO: Nee. daarom is het goed dat hij niet de opdrachtgever was.

HVC: Is er trouwens een verschil in mentaliteit tussen de Belgische kunstwereld en de Nederlandse?

FO: Misschien idealiseer ik de Belgen, hoor! Het probleem waar ik mee ben opgevoed, is het Protestantse geloof. Op een of andere manier voel je je altijd schuldig. Alles moet puur functioneel zijn. Dat is zo’n blaam op mijn ‘zijn’. Ik ben van nature altijd een magisch denker geweest. Ik ben blij dat ik besef dat ik het allemaal kan loslaten en mezelf kan vinden. Terwijl je toch altijd terug naar die wortels wordt getrokken, wat mogelijks gezond is voor een kunstenaar.

HVC: Het was wel een optie je te ‘installeren’ in België, want je vriend en kunstenaar Bram Dejonghe is een Belg.

FO: Dat was een optie, maar ik kon voor Bram en mezelf een goed atelier vinden in Den Haag. Daarenboven financieel is het hier goedkoper wonen dan in Amsterdam. Weliswaar België blijft een optie.

HVC: Als je luidop mag dromen, hoe zie je de volgende tien jaar voor je? Droom je ervan over de grens kijken?

FO: Ja, natuurlijk. Ik ben bezig een boek samen te stellen met John Welchman dat zal uitgegeven worden bij NAI010. Het loopt wel hoor!

HVC: Dat geloof ik graag, Femmy!

Hilde Van Canneyt







Femmy Otten stelt tentoon:


Croxhapox Gent, Lucas Munichstraat 76, 9000 Gent :

Groepsexpo Atlantis na Plato (met oa Bram Demunter, Rene Spronken, Klaas Rommelaere, Clara Spilliaert,…)

Expo van 16 jan tot 14 febr ’16.



Stedelijk museum Schiedam: september 2016



Fons Welters, Amsterdam: oktober 2016



Lezing in De Pont in Tilburg: 28 januari



Ciap hasselt, solo: 2017






statcounter