Interview met Werner Cuvelier

Bezoek ook de expo "Who is who? - verhalen en verzamelingen" - confrontaties tussen Belgische en Nederlandse kunstenaars: Galerie s.&h. de buck, Zuidstationstraat 25, 9000 Gent (B)(tot 31/12)
www.galeriedebuck.be 

Vorig interview: Folkert de Jong (Nl)
http://hildevancanneyt.blogspot.be/2015/11/interview-met-folkert-de-jong.html 
volgende interviews: Dirk De Wachter, Femmy Otten (Nl)...

Interview met Werner Cuvelier (1939), Gent, (september 2015) naar aanleiding van zijn expo in het Felix Art Museum én de publicatie van zijn nieuwe boek, waar dit interview in gecleande versie is opgenomen, alsook met een bijdrage van prof. Willem Elias, Frank Maes en Sergion Servellón.

Ik tref Werner in zijn Gents herenhuis, waaraan en waarin een rits aan ateliers en ‘sorteerkamers’ zijn verbonden. 



Hilde Van Canneyt: Zo, jij bent nummer E11/11 op mijn bandje.

Werner Cuvelier: Dat zal dan wel een geluksgetal zijn. (lacht)

HVC: Het verschil tussen jouw werk en dat van collega-kunstenaars waarvan je op het eerste zicht enige vormelijke abstracte gelijkenis zou kunnen ontwaren, is dat jij van een idee vertrekt.

C: Bij mij zit er altijd een exact vertrekpunt en achtergrond in. Pas nadien veeg ik er mijn voeten aan. Het is een evenwicht tussen een abstract strakke vormgeving en een vrij los oplossen.

HVC: Mark Ruyters, bezieler van H ART, noemt je de meester van de ordening.
Werken met afgebakende gegevens en begrenzingen beschouw jij als een vorm van vrijheid.

C: Ik probeer te balanceren tussen die onvrijheid én die vrijheid. 
  
HVC: Mark Ruyters schreef in een recensie in H ART: “Zijn werk is meer dan ordening en rangschikking. Het is creëren met objectieve gegevens om zo tot een subjectieve schoonheid te komen.”
Uit het interviewboekje met jou en Léon Wuidar, schrijft Wuidar over 'Het palet van Rowney', een recent werk van jou:
Vertrekpunt: een heel gamma olieverven van de firma Rowney (Dat merk bestaat al uit de tijd van Turner, vertelt Cuvelier mij.) beslaat 84 kleuren. Hiervan gebruikt Cuvelier alleen de vier sterren-kleuren, 24 dus, en door ze te mengen met bijvoorbeeld wit of zwart bekomt hij 276 permutaties. Dat is zijn limiet. Dit levert hem een lange, gevarieerde kleurenstrip van 21,5 meter op.”

C: Voor mijn werk 60 bijvoorbeeld, dat ik maakte toen ik 60 jaar werd, was de vorm en de kleur vooraf bepaald. Ik vond in een boek over wiskunde dat het getal 60 het meest deelbare getal is. Je kan het delen door 1, 2, 3, 4, 5, 6, 10, 12, 15, 30 en 60. De Arabieren hebben dat al lang voor Christus ontdekt. En dat hebben ze dan bij ons overgenomen. Zou je het uur in honderd verdelen, dan heb je 100, 50, 25, 12,5, 5,75 enzovoort, dus dat is niet zo bruikbaar. Er zijn werken waar de vorm op voorhand vastligt, maar de kleur niet. Of omgekeerd. Zo heb ik een lang fries van wel 40 meter lang – waar ik al mijn kleuren zuiver gebruikte – vermengd met wit of zwart. Daar ligt de kleur aan de basis van het werk, en is de vorm een afgeleide. 



atelierbeelden
HVC: De inhoud van je werk is wel een beetje mannentaal voor mij…

C: Moeilijk is dat toch niet, hé Hilde: ik leg dingen op voorhand vast en nadien speel ik ermee. (lacht) Ofwél leg ik zowel kleur en vorm vast, en dan is de speelruimte zeer klein.
Neem nu het werk dat hier in het hoofdatelier staat, met die aanzet in het rood: daar ga ik misschien nog maanden werk aan hebben. Het is tien jaar oud. Het is al eens getoond geweest in 'De Markten' (C.C. Brussel), maar toch voel ik dat er nog iets aan moet gebeuren.

HVC: Dat is een oud werk dat je nu aan het herwerken bent. Ongelooflijk hoeveel moed je daarvoor hebt!
Om het voor de lezers te verduidelijken, zal ik uit het interview met Léon Wuidar nog je werk van de vier seizoenen aanhalen. In dat werk ga je uit van de vier jaargetijden. Het werk bestaat uit 365 kleine paneeltjes, verschillend van grootte en dikte, telkens volgens de ‘gulden snede’. De kleuren verwijzen naar de seizoenen: helder is lente, somber is herfst.
Uiteindelijk gaat je werk altijd over een soort rangschikken en sorteren. Ook in je atelier daarstraks zag ik zowel afgewerkt als half afgewerkt werk en massa’s work in progress, en dan nog eens alle soorten werk in verschillende reeksen, enzovoort.
Heb jij ooit rust?

C: Nee, nooit. 



atelierbeelden
HVC: Heeft jouw sorteerdrang iets (gezond) neurotisch, of heeft het daar niks mee te maken?

C: Met het ordenen van de wereld is toch niks mis?

HVC: Er zijn verschillende mensen die je op je kunstweg inspireerden. Voor je expo volgend jaar in De Markten, ben je een werk aan het maken met ‘portretten’ van grote namen uit de wereld van de literatuur, filosofie, schilderkunst, beeldhouwkunst, architectuur, muziek, ... met cd-hoesjes als kadrering.

C: Laat ons zeggen dat ik een heel groot eigen ‘canon’ heb ... Nochtans heb ik tot nu toe Van Gogh, Pollock en Rembrandt nog niet geselecteerd in mijn portretten, en ook over Rubens twijfel ik. Vermeer zit er in, alsook Agnes Martin bijvoorbeeld. 




Atelierbeelden
HVC: Maak je zoiets om voor jezelf uit te maken wie of wat interessant is?

C: Ik maak het in de eerste plaats voor mezelf. Wordt dat niet getoond, dan kan mij dat geen barst schelen. Maar als ik die kans heb, is dat natuurlijk een vorm van communicatie.

HVC: Ik las je woorden: “Een leven zonder orde en doel, is een leven vol tijdverspilling.”

C: Ik kan niet tegen een dagje niks doen. Een dagje aan het strand: daar word ik ziek van.

HVC: (Een dagje strand? Héérlijk! (denkt ze))
Je zegt verder: “Totale vrijheid is een illusie.”

C: Denk maar aan de punk, de provo, enzovoort ...
Ook Pollock is daar een voorbeeld van. Hij giet maar uit en smijt maar op. Mijn kritiek daarop is dat er geen begrenzingen zijn. Dat doek zou evengoed een meter breder of hoger kunnen zijn. Daarnaast is het stom dat hij veel werk met lakverven heeft gemaakt, van het merk Dupont naar het schijnt, een Amerikaanse autolak met heel sterke droogstoffen. Helaas zijn veel van zijn grote lappen grijs geworden.

HVC: Emotie in de kunst is voor jou een no-go, hé?

C: Het werk van Philippe Vandenberg bijvoorbeeld, is één en al emotie. Iemand die dat ziet, kan daar dan natuurlijk ook emotie bij krijgen. Of als je Baudelaire en Céline leest - bijvoorbeeld ‘Voyage au bout de la nuit’ - ik word daar triest van. Ik laat emotie zo weinig mogelijk domineren, op alle gebied trouwens.

HVC: Mis je dan ook niet een deel van het leven? (vraagt ze zich af)
Dan wil jij ook niet dat we van jouw werk emotioneel worden?

C: (twijfelend) Dat mag wel, maar dat moet niet, laat ik het zo stellen.

HVC: Wat betracht je dan bij ons?

C: Niks eigenlijk. Als er iemand geïnteresseerd is: mij goed. Er zijn ook mensen die hier komen en niks aan mijn werk vinden: ook goed.

HVC: Uiteindelijk wil je als kunstenaar toch ‘gezien’ worden?

C: Kunst maken is natuurlijk een vorm van communicatie. Vincent Van Gogh had één bewonderaar: zijn broer Theo. En dat was blijkbaar voldoende. Er zijn natuurlijk mensen die wél een groot publiek willen hebben, zo denk ik aan Wagner of Beethoven. 


Atelierbeelden
HVC: Jij hebt nooit gedroomd om bijvoorbeeld in het buitenland bekend te worden?

C: Nee, ik ben daar niet mee bezig.

HVC: Je hebt wel altijd een job als leraar tekenen in het KASK gehad.

C: Ik heb een tijdje alleen op maandag en dinsdag gewerkt, waardoor ik dan al aan de collega’s in de koffiekamer ‘goed weekend’ kon wensen. Maar later werd het altijd maar meer vergaderen enzo, voor hetzelfde geld. Maar ik kon me inderdaad de luxe permitteren mijn werk te maken zonder me iets van iemand aan te trekken en toch goed te leven.

HVC: Ik voel geen gefrustreerd kunstenaar voor mij.

C: Ik heb daar nooit last van gehad.

HVC: Je hebt ook iets met de schrijver Georges Perec …

C: Er werd me erop gewezen dat mijn werk heel dicht bij Perec stond. Toch door de manier van denken. Zo ben ik hem beginnen opzoeken en lezen. En wij moeten bijna tegelijkertijd gestart zijn met onze praktijk. Literatuur hanteert natuurlijk een heel andere taal, invalshoek en vocabulaire dan de plastische kunsten. Ik heb ook gezien dat hij zijn boeken liet illustreren, maar met kunstenaars waarmee ik de verbinding niet zou maken. Zo is zijn boek 'ALPHABETS' geïllustreerd door DADO! Ik vond het totaal geen goede combinatie.

HVC: Je hebt ook een serie alfabetische reeksen …

C: Ja. Maar een idee dat ik nog niet heb uitgewerkt is het menselijk lichaam volgens het ABC. Bijvoorbeeld de A zou dan een foto van een arm zijn, de B een foto van een bil, enzovoort … En dan zou ik telkens links een vrouwenmodel nemen en rechts een mannenmodel. Dat zijn plannen die ik heb, maar die nog niet zijn uitgevoerd.

HVC: Zo heb je bijvoorbeeld ook de stromen van Gent gefotografeerd, fietsreizen gemaakt langs de kanalen en gefotografeerd, enzovoort … Die fotoreeksen hebben - net als je schilderijen - ook met ordening te maken. Hoe staat je ruimtelijk werk daar tegenover?

C: Dat maak ik als ik zin heb. Maar tegenwoordig geef ik bijvoorbeeld prioriteit aan mijn werk met die cd-doosjes. Maar veel dingen hebben geen bestemming. Ze hangen of staan ergens en het kan twee jaar duren eer ik daar verder op werk.

HVC: Een ander kenmerk van jouw werk is de Gulden Snede: de getallenreeks van Fibonacci (= Leonardo da Pisa) is daar een deel van.

C: Kort uitgelegd, die Fibonacci-reeks is als volgt: 1, 1, 2, 3, 5, 8, 13, 21, 34, 55, 89, 144, 233, 377, 610, 987, 1597, 2597, 2584, 4181, enzovoort. Dus telkens de som van het vorige geeft het volgende getal. Het merkwaardige is dat bijvoorbeeld 2584 gedeeld door 4181 gelijk is aan 0,618 ( = pi) en niemand weet waarom! Mysterie!
Maar vanaf 89 tot 100-en-zoveel: als je het grootste getal door het kleinste deelt, heb je altijd pi. Maar niemand weet precies waarom. Die getallen die daar inzitten, zijn ook een wisselwerking van getallen. En zo is er soms een vakje te veel, en steekt er eentje uit het werk. Het mysterieuze daarvan is dat Fibonacci dat ontdekt heeft. (Cuvelier is nog enkele getallen aan het opsommen, maar mijn hersenen kunnen niet mee, red)


Atelierbeelden

HVC: Het verschil tussen jou en andere abstracte schilders is dat jij eindeloze reeksen kunt maken, en het daarom voor jezelf spannend houdt.

C: Die reeksen zijn niet eindeloos hoor, daar heb je het mis. Dat is permutatief. Eindeloos is bijvoorbeeld bij Jackson Pollock het geval. In Gent zijn er ook maar een bepaald aantal bruggen of stromen, dus voor die reeksen bakende ik dat ook af tot de stad bijvoorbeeld, maar niet erbuiten. Ik wil voor mezelf dan ook die grenzen respecteren.

HVC: Sommige werken zijn zo conceptueel dat je ze ook door iemand anders zou kunnen laten uitvoeren, maar daar ben je ‘tegen’. Je vindt dat de kunstenaar de dingen zélf in de hand moet houden.

C: Dat klopt. Het verschil met bijvoorbeeld Joseph Kosuth is dat hij zo’n ideetje heeft, maar het door anderen laat uitvoeren. Idem Sol Lewitt die zijn werk door anderen liet maken. Ik vind dat je dan voelt dat daar iets mechanisch, iets cleans rond hangt. Jan Vecruysse laat zijn dingen door een firma uitvoeren, waardoor ik vind dat er daardoor iets in zijn werk ontbreekt. Onlangs waren we in museum Kröller-Müller in Otterlo (Nl) waar een expo van al die conceptuelen was. Wel, daar bleef niet veel van over. Die tekeningen van Bruce Naumann bleven nog overeind, maar die witgespoten dingen van Soll Lewitt waren toch niet dat...

HVC: Wij willen – nog in ons romantisch denkbeeld over de kunstenaar – die hand van de kunstenaar voelen in het werk.
Bij jou begint je praktijk bij je tekenboeken, ook altijd iets wat tot de verbeelding spreekt...

C: Daar begint mijn ‘opzoekingswerk’, daar ontstaan mijn ideeën. Maar evengoed staan er tekeningen in van mijn reizen langs de Loire, en amuseer ik me met klassieke tekeningen maken in de trant van Turner. Maar de boeken die je bovenop die stapels zag liggen, dat zijn boeken die een verhaal hebben van de eerste tot de laatste pagina, met een begin en een einde. Als het ware een werk in boekvorm.
Ik vind schetsen en ontwerpen sowieso een aangename bezigheid om bijvoorbeeld op een terras te maken met een glas wijn.

HVC: Dat ordenen en sorteren gaat écht ver bij jou: je sorteert zelfs je boekenkast op geboortejaar van de auteur.

C: Ik vind dat een goede ordening. Ik ga ze ordenen vanaf Thomas Van Aquino tot Perec, één van de laatste. En ik wil literatuur en filosofie allemaal door elkaar zetten. Geloof me, dat is véél werk.

HVC: Dat kan ik geloven! Maar zie je dat als een soort fixeren van het leven, of beter gezegd, van jouw leven?

C: Nee, ik vind het gewoon interessant om te zien dat bijvoorbeeld Joyce een tijdsgenoot is van Stravinsky, alsook van Frank Loyd Wright en Mondriaan. Je staat daar nooit bij stil. Picasso en Stravinsky zitten op dezelfde golflengte, vind ik. Stravinsky heeft bijvoorbeeld alle muziekstijlen hernomen en hergebruikt. Ook Picasso heeft veel periodes gekopieerd als meester dief. Dat zijn twee mensen bijvoorbeeld, die hetzelfde doen in dezelfde periode. 





foto's zaalviews FelixArt museum (foto's Cédric Verhelst)
 HVC: Heb jij bij iemand de mosterd gehaald?

C: Eigenlijk is mijn werk spontaan ontstaan. Al houd ik wel van het werk van Dan Van Severen, Amédée Cortier, Etienne van Doorslaer, René Heyvaert … Ook van Agnes Martin: zij heeft vroeger de wereld vaarwel gezegd om zo verder in New Mexico haar ding te doen.

HVC: Voor jou moet iemand niet per sé hebben doorgebroken om respect te verdienen?

C: Zeker niet, eerder het tegendeel. Voor Picasso heb ik bijvoorbeeld weinig respect, behalve voor zijn ruimtelijk werk en zijn tekeningen. Van Rubens kan ik alleen maar voor zijn kleine ontwerpen respect opbrengen, zijn grote schilderijen zijn toch door assistenten gemaakt. Maar voor Vermeer doe ik wel mijn hoed af.

HVC: Je galeristen van ‘El’ in Welle en ‘De Ziener’ in Asse zijn toch mensen die in je geloven? Je had er onlangs een dubbelexpo in de twee galeries.

C: Jan De Smedt van ‘De Ziener’ is vooral geïnteresseerd in mijn schilderwerk, met mijn ander werk heeft hij het moeilijker, denk ik. Terwijl Erik De Smet van ‘El’ daar dan wel meer voeling mee heeft.

HVC: We moeten nog even teruggaan naar hoe het allemaal begon: je papa was bakker, en op weg naar school bracht je Constant Permeke altijd ‘pistolets’. Toen je 12 was, durfde je hem eindelijk te vragen of je zijn atelier mocht zien. Na dat bezoek stond je besluit vast: je zou schilder worden!

C: (knikt)

HVC: En voor je het wist mocht je naar het hoger middelbaar in het Sint-Lucasinstituut te Gent. Om dan erna naar de Normaalschool (= regentaat) te trekken, waar je les kreeg van de legendarische kunstenaar Octave Landuyt.

C: We gingen daar eigenlijk allemaal naartoe omdat Landuyt daar leraar was. Jan Hoet zat daar, Karel Dierickx, Roger Wittewrongel, Camiel Van Breedam, Hans Persoons en een hele troep uit Antwerpen. Landuyt was één van mijn beste leraars, samen met Gaspard De Vuyst. Dat ‘leren voor lesgever’ was maar iets wat we erbij namen, dat was niet ons eerste doel. Er was daar gewoon een toffe sfeer.

HVC: Octave Landuyt was in die tijd toch wel een groot kunstenaar en groots persoon.

C: Hij was tolerant en kon zich inleven in iedereens manier van werken. Hij leerde ons ook Valsarely en zo kennen, terwijl in Sint-Lucas het meer over religieuze kunst ging: kerken leren decoreren enzo. Daar waren wij niet in geïnteresseerd.

En nu wat vraagjes voor de (oudere) Gentenaren...

HVC: Hoe was je relatie met de andere Gentse kunstenaars die ouder waren dan jou?

C: Dan Van Severen, René Heyvaert en Amédée Cortier waren van de jaren ’20, zij waren oudere collega’s van mij. Van Severen was een oud-leraar van mijn vrouw en Cortier kwam hier wel wekelijks een koffietje drinken. Zij hebben het meest invloed gehad op mijn werk. We gingen ook naar elkaars openingen. René Heyvaert woonde buiten Gent, hem zagen we minder.

HVC: Toonde je hen je nieuwe werk en spraken jullie “over kunst”?

C: Op zich werd daar niet expliciet over gesproken, maar we verstonden elkaar zonder daarover te praten. Cortier bekende me wel dat hij het lastig had met zijn werk om ermee door te breken of bekend te raken, maar hij zei mij dat ik het met mijn werk nog véél lastiger zou krijgen. (lacht)

HVC: Welk verband was er met die andere kunstenaars uit het Gentse: Leo Copers, Roland Vandenberghe, Dirk Liefooghe en Jan Vercruysse, … ?

C: De oudste is Jan Vercruysse. Hij had de galerie ‘Elsa von Honolulu-Loringhoven’ waar ik nog heb geëxposeerd. Met Leo Copers heb ik minder contact, ik heb ook met zijn werk minder een link. Roland Vandenberghe heb ik niet zo goed gekend. Hij was nogal een provocerend kunstenaar. Ik herinner mij nog een opening bij Foncke: hij had zich eerst laten verdoven en liet zich dan op de opening met een draagberrie de galerie binnenbrengen. En erna weer buitenbrengen.
Dirk Liefooghe was leraar film en hij heeft ook de latere Gentse Studioscoop opgestart.

HVC: Waren er geestverwante theoretici aan de academie, zoals bijvoorbeeld Wim Van Mulders?

C: Ik heb daar nooit veel contact mee gehad, al is dat wel een heel interessant iemand. Hij woont in Antwerpen. Hij was een heel goede leraar, idem zijn collega’s Stefan Hertmans en Roland Decancq. Die drie hadden altijd alle studenten in de klas, omdat ze zo interessant waren.

HVC: Waren er ook negatieve ervaringen met andere collega’s?

C: Nee. Maar wij hadden weinig contact met de meer ‘figuratieve’ collega’s zoals Karel Dierickx, Jean Bilquin of Nadine Van Lierde, omdat zij in een heel andere richting werkten. We waren respectvol tegenover mekaar, maar hadden gewoon geen echte binding . Het werk van mijn leerling Jan Van Imschoot ligt mij bijvoorbeeld ook niet, maar hij spreekt wel altijd heel respectvol over mij in zijn interviews. Idem Ronny Delrue.

HVC: Je bent afgestudeerd in ’63. Waren er in die tijd veel galeries in Gent?

C: Er was Galerie Foncke en Galerie Plus Kern, waar ik heb geëxposeerd. In de jaren ’70 heb ik vooral in galerie l’A in Luik geëxposeerd. Ook in Cyan, nu galerie Nadja Vilaine in Luik.

HVC: Zagen jullie, kunstenaars en kunstaanhangsels, elkaar in de Gentse kroegen ’s avonds?

C: Ik ben nooit een kroeghanger geweest. Ik ging meer bij de mensen thuis op bezoek.

HVC: Hoe was die Gentse scène versus de Antwerpse eigenlijk? Hadden jullie contact met elkaar?

C: Neen, die voelden zich altijd zo boven ons zweven. (lacht) Roger Thibaut is één van de weinigen waar we nog af en toe contact mee hebben. Hij gaf les op de Cadix-school, een technische academie.

HVC: Ik vrees dat er nog niet veel is veranderd. (knipoogt)
Heb je tegenwoordig nog veel contact met mensen uit de kunstwereld?

C: Kunstenaars Johan De Wilde en Lieve d’Hondt zien we soms.

HVC: Je bent nooit een netwerker geweest?

C: Neen. En ik heb me ook nooit veel in de buurt van kunstcritici gehouden. Jan Hoet heeft in de jaren ’60 wel een tekst over mijn werk geschreven en ik heb nog brieven van René Heyvaert. Ook met Marthe Wéry hadden we contact en een wederzijds respect.

HVC: Iemand schreef dat je eigenlijk ‘bekender’ zou moeten zijn. Heeft dat niet-netwerken daar deels mee te maken?

C: Deels toch. Ik heb dat ook nooit opgezocht. Ik vind het al voldoende dat je met je werk bezig bent. Nu met mijn overzichtstentoonstelling in het ‘Felix Art Museum’ in Drogenbos (Brussel) zal dat wel komen.

HVC: Betekent semiotiek – waar de Gentse kunstenaar Thierry Mortier rond werkt – iets in je werk?

C: Niet echt, eerder de wiskunde en de meetkunde.

HVC: Werner, kan je nog iets kwijt over je twee expo’s die in het verschiet liggen?

C: In het ‘Felix Art Museum’ in Drogenbos (Brussel) komt een kleine overzichtstentoonstelling. In september 2016 is er 30 jaar 'De Ziener' in C.C. De Markten in Brussel.

Hilde Van Canneyt

http://www.deziener.be/

Werner Cuvelier stelt tentoon:
22.11.2015-28.02.2016 : Felix Art Museum, Drogenbos, Adres: Kuikenstraat 6, 1620 Drogenbos (open van do tot zo van 10.30u tot 17u)



Coördinaten boek Werner Cuvelier



Uitgegeven naar aanleiding van de tentoonstelling Werner Cuvelier in het

FeliXart Museum, Drogenbos, van 22.11.2015 tot 28.02.2016



Het FeliXart Museum is een initiatief van De Rand vzw, de Provincie Vlaams-Brabant en de gemeente Drogenbos



Directeur

Sergio Servellón



Tentoonstellingscoördinator

Rik Rommens



Teksten

Willem Elias

Frank Maes

Sergion Servellón

Hilde Van Canneyt



Foto’s

Alle beelden zijn afkomstig ui het archief van de kunstenaar



Vormgeving

Studio Luc Derycke, Gent



Druk

Cassochrome, Waregem



Vertaling

Machteld Castelein



Eindredactie

Sophie Mathys (Nederlands)

Machteld Castelein (Frans)



Met steun van

Ar-te architectenvennootschap

Jan De Nul n.v.

De Ziener



Uitgever

AsaMER

Imprint van MER Paper Kunsthalle-Geldmunt 36-B-9000 Gent – www.merpaperkunsthalle.org



ISBN 978 94 9232 117 6

D/2015/7852/37



© 2015 MER.Paper.Kunsthalle voor deze uitgave

© Werner Cuvelier

© 2015 de auteurs




statcounter