Interview met Anne-Mie Van Kerckhoven


Interview met Anne-Mie Van Kerckhoven (1951)

Sinds de helft van de jaren zeventig produceert de Antwerpse kunstenares Anne-Mie Van Kerckhoven talrijke tekeningen en ander werk op papier en synthetisch materiaal, van in het begin dikwijls vergezeld van bewegende beelden. Haar experimenteel werk, waarin het erotische en het machinefetisjisme samengaan, is doordrongen van een onverbloemde feministische toon. Huiselijke interieurs dienen als decor voor haar tekeningen en collages, waarin zich droomachtige futuristische ontmoetingen tussen mensen en machineachtige vormen afspelen. In de jaren negentig evolueerde ze van handgemaakte werken op papier naar computergrafiek. Die beelden zijn meestal vergezeld van teksten, die de boodschap van haar trotse, soms exhibitionistische, vrouwelijke figuren onderstrepen. Naast het visuele aspect, speelt muziek een belangrijke rol in haar creatieve productie. Onder de naam Club Moral speelt zij samen met Danny Devos al jaren een sleutelrol in de Antwerpse experimentele muziekscène.

Cleo Cafmeyer voor SMAK in KM Magazine voorjaar 2004:
 
De Antwerpse kunstenares Anne-Mie Van Kerckhoven (°1951) onderzoekt de mogelijkheden van nieuwe media en vervulde op dit vlak in België een pioniersrol. In de eerste helft van de jaren ’80 werkte ze in de periferie van het AI-lab, het lab voor Artificiële Intelligentie van de Brusselse Universiteit. Toch beperkt haar kunst zich niet tot het computermedium. Doorheen de jaren heeft Van Kerckhoven een fascinerend en complex, multimediaal oeuvre opgebouwd, met o.a. tekeningen, imposante werken op kunststof, muziek (als lid van Club Moral) en vervreemdende klankbanden, films, computeranimaties en bewerkte computerprints. Bijzonder is dat ze al deze elementen verenigt in installaties, zoals het HeadNurse-project.
Anne-Mie Van Kerckhoven houdt zich vooral bezig met de wijze waarop onzichtbare vormen van zelforganisatie werkzaam zijn binnen bepaalde systemen. En hoe deze zich telkens vastzetten op de eigen logica van dat systeem. De pogingen van de westerse mens, van de middeleeuwse alchimisten tot het huidige AI-onderzoek, om zelforganiserende systemen of organismen te begrijpen en te construeren, beantwoorden aan de obsessie om zelf ‘leven’ te creëren en te beheersen. Alsook  om de kloof tussen ‘denken’ en ‘zijn’ te dichten. Binnen een cultuur die eeuwenlang door mannen gedomineerd is, is ook het ‘vrouwelijke’ een blinde vlek binnen de bestaande wetten en systemen, een ‘gat’ in de heersende talen en identiteitsconstructies.
Door kennissystemen te onderzoeken en met elkaar in verband te brengen, tracht Anne-Mie Van Kerckhoven voor zichzelf een positieve mentale gemoedstoestand te ontwikkelen. Op die manier kan ze weerstand bieden tegen de alomtegenwoordige chaos van alledag. Met thema’s als cijfersymboliek, de vrouw, interieurs, filosofische systemen en alchemistische processen probeert de kunstenaar de werkelijkheid, zoals zij die ervaart, te begrijpen.
Anne-Mie Van Kerckhoven werkt met verschillende media. Toch ziet ze zichzelf vooral als tekenaar. ‘Tekenen is een vorm van verstaan, het oncomplex maken van waarnemingen.’
(Cleo Cafmeyer voor SMAK in KM Magazine voorjaar 2004)

Hilde Van Canneyt: Hallo Anne-Mie, hoe zou je je werk van de laatste 35 jaar onder één noemer brengen?

Anne-Mie Van Kerckhoven: Experimenteel!

HVC: En inhoudelijk?

AMVK: Sociopolitiek.

HVC: Het is misschien een cliché, maar je wordt veelal ‘kunstenaar-wetenschapper-uitvinder-onderzoeker’ genoemd. Iemand noemde je ook een hedendaags mystica. Kan je je daar in vinden?

AMVK: Ik werk inderdaad wel in die traditie van de mystici. Daar hebben verschillende mensen me op gewezen naar analogie van hoe ik tegenover het leven, de realiteit en het toeval sta. Na al die jaren ben ik – na veel nadenken erover – op een bepaalde manier een expert in perceptie geworden.

HVC: “De vrouw staat veelal centraal in haar werk” is nog zo’n veelgelezen item…

AMVK: Een vrouw wordt niet verondersteld een eigen mening te hebben of iets te poneren dat ervoor nog niet is gedaan. Ik heb in de kunstwereld een nogal militante positie ingenomen omdat je je als vrouw in de kunst blijkbaar moet positioneren en legitimeren. Ik ben eigenlijk vooral aangetrokken tot alles wat grenzen overschrijdt, zoals de schemerzone man/vrouw. Die fascinatie voor de voorstelling van de vrouw als seksobject, in de massamedia en in de kunst – als naaktmodel, inspirator en muze - is altijd een constante geweest in mijn werk. Specifieke manieren waarop vrouwen aanwezig zijn in de beeldwereld van vroeger en nu triggeren mijn gedachten voortdurend. Ik zie ze dikwijls als hedendaagse tegenhangers van de afbeeldingen van goden en godinnen uit de oudheid, waar abstracten zoals geloof, hoop en liefde het uitzicht kregen van een menselijke figuur, om angst voor gevaar op te vangen.

HVC: Hoe het allemaal begon…

AMVK: Ik heb van kleins af aan op alles getekend wat ik vond, zélfs op de witte bladzijden die ik in de romans uit de bibliotheek van mijn vader vond. Het leek alsof ik altijd op zoek was naar iets om op te tekenen, maar ik denk dat dat vooral was om me af te zonderen. Mijn ouders hadden een grote zaak. Ze waren aannemer van feesten, er was altijd wel vijftien man personeel in huis aanwezig, met gevolg dat er altijd een latente spanning hing. Onder andere al tekenend trok ik me terug uit die drukte. Daarnaast is creatief zijn voor mij altijd een manier geweest om de leegte van de tijd te vullen. Ik tekende liefst op kaartjes, stapeltjes van hetzelfde formaat, zodat ik het idee had dat ik, wanneer ik er zin in had, al werkende een regelmaat kon scheppen. En dat is tot op de dag van vandaag eigenlijk mijn systeem gebleven om te werken.

HVC: Je werkt graag in reeksen…

AMVK: Inderdaad. Zo laat ik nu nog dikwijls eerst in een firma van plexiglas alles op hetzelfde formaat zagen. Ik heb graag dat mijn materiaal al ligt te wachten, dat geeft me het idee dat ik er te allen tijde kan aan beginnen en iets mee kan maken. Maar er moet een limiet aan zijn. Ik moet zien dat de stapel opgeraakt. Zo werk ik ook graag met een tekenblok. Het papier is gelimiteerd, van hetzelfde formaat. Ik vind het fijn dat ik terwijl ik werk, zie dat de tekeningen bij elkaar blijven. Bij een tekenblok kan je ook de blok openen en weer sluiten om weg te leggen. Pas als de hele blok is vol getekend, scheur ik de bladzijden eraf.

HVC: Je bent uiteindelijk grafische vormgeving gaan studeren in plaats van voor een zuivere kunstrichting te kiezen.

AMVK: Ik wou eigenlijk beeldhouwkunst gaan studeren. Van toen ik heel jong was, maakte ik beeldjes in klei. Mijn vader was goed bevriend met de Antwerpse beeldhouwer Albert Poels en het was voor hem en mij een evidentie dat ik bij hem vanaf mijn twaalfde in de leer zou gaan. Maar aangezien ik in het begin geen dingen voor mezelf mocht maken, ben ik afgeknapt. Avondacademie was toen buiten elke kwestie. Aangezien ik ook goed kon schrijven, hebben mijn leraars mij in die richting geduwd en zo belandde ik tijdens mijn humaniorajaren op het internaat in het Heilig Graf in Turnhout. Aangezien grafische vormgeving eigenlijk tekst+beeld is waar je verschillende technieken bij leert, ben ik erna grafische vormgeving aan de Academie van Antwerpen gaan studeren. Deels voor de opleiding, maar vooral om er mensen te leren kennen.
Ik heb grafische vormgeving trouwens nooit als een toegepaste richting bekeken. Ik heb van in het begin dat toegepaste ook altijd bekeken in functie van een eigen idioom, zoals je Murakami hebt met zijn anime. Andy Warhol legde trouwens hetzelfde parcours af.

HVC: Na je afstuderen ben je je heil in het grafische gaan zoeken.

AMVK: Na een paar jobs belandde ik in een fabriek van plexi- en neonreclame, waar ik veel materiaalkennis heb opgedaan. Synthetische en gladde materialen zoals plexiglas en plastic hebben me altijd aangetrokken.

In 2008 had je een grote overzichtstentoonstelling van je tekeningen in Wiels: ‘Nothing More Natural’. De meeste tekeningen werden ervoor nooit aan de buitenwereld getoond.

AMVK: Toen ik pas afgestudeerd was, ging ik bij mijn lief wonen, waar ik een tafel – mijn domein – opeiste om te tekenen. Indirect was dat toch ook weer om me af te zonderen. Vrij snel vroeg men mij om die tekeningen tentoon te stellen, o.a. in Ercola, een kunstenaarscollectief in Antwerpen. Nochtans hadden mijn ouders mijn aspiraties om kunstenaar te worden heel systematisch proberen te neutraliseren. Mijn aspiratie is op een gegeven moment dan veranderd in: ik wil met een artiest trouwen (lacht). Toen ik pas afgestudeerd was, ben ik dus bij mijn lief Hugo Roelandt gaan wonen.
In het begin kon ik veel tentoonstellen met die tekeningen, maar al vlug werden de mogelijkheden minder omdat de mensen zich alleen maar interesseerden in mijn ander werk zoals mijn installaties, films en teksten. Toch ben ik blijven tekenen, los van mijn ander werk en ondanks het feit dat mijn galerijhouder Frank Demaegd van Zeno X zei: “Verstop die tekeningen!”(lacht). Volgens hem creëerden die alleen maar verwarring.



Wiels 2008

HVC: Ik las dat je vooral tekende om verslag te maken van de processen in ons brein. Je worstelt met te veel binnenbeelden die eruit moeten omdat die bijna als etterbuilen op barsten staan. Je probeert orde in de chaos te scheppen met reeksen, schema’s en systemen die je vond in boeken over numerologie, wetenschappen en aanverwanten. Daarnaast verzamel, orden en ontleed je graag, alsof je graag gedachten ontrafelt of dingen die in elkaar gevlochten zitten uit elkaar haalt.

AMVK: Die dingen kwamen uit mijn onderbewuste en ik wou daar geen uitleg over geven. Maar als jonge artiest moét je natuurlijk altijd uitleg geven. Onder invloed van filosofische boeken, naslagwerken over artificiële intelligentie en andere wetenschappen enerzijds en de boeken van Walter Benjamin, Wittgenstein en De Sade anderzijds, kon ik dan onder invloed van de terminologieën die ik daar tegenkwam, wél mijn verhaal brengen. Hierin zie ik een analogie met hoe mystici functioneren: een soort van tweedeling tussen het verstandelijke en het gevoel - twee componenten die niet compatibel zijn - verenigen.

Laat het ons zo stellen dat ik eerst de tekeningen maakte, me afsloot van het waarom van die afbeelding en mijn uitleg een nieuwe body van werk is geworden. Die uitleg is dan een eigen leven beginnen leiden. Maar daardoor heb ik mezelf in een bepaalde patstelling gezet, want op mijn veertigste werkte dat niet meer. Ik kreeg het er lastig mee dat ik enerzijds die tekeningen maakte en anderzijds heel rationeel werk maakte op mijn computer, waar ik al van ’77 mee werkte. Het werd voor mij een wensdroom vroeg of laat die twee dingen terug te verbinden.

Begin jaren ’90 ben ik beginnen lesgeven aan de academie van Gent en dat heeft één en ander teweeggebracht. Ik ben met de kern van het fenomeen tekenen in aanraking gekomen door anderen te leren tekenen, waardoor ik dichter bij deze onbedwingbare drang van mezelf terechtkwam. Dit werken met anderen, tezamen met mijn computerwerk, begon na een tijd mentaal erg zwaar te wegen. Ondertussen was mijn affiniteit met de kunstwereld sterk vervaagd waardoor ik op den duur in een vacuüm terechtkwam en mezelf nergens meer kon plaatsen. Ik had bovendien het gevoel dat ik mijn eigen tekenstijl aan het verliezen was.

HVC: Knaagde dat lesgeven zo aan je?

Ik werkte ook geregeld als begeleider in de Rijksacademie van Amsterdam, ik had het inderdaad druk op dat gebied. In 10 jaar tijd heb ik heel veel jonge mensen en hun werk leren kennen en in begin deed me dat heel goed, maar dat blijkt echt wel een limiet te hebben. Daar is een verklaring voor: op den duur word je moe en slordig, want je begint een deel van je eigen potentie af te geven.
Ik heb ontdekt dat je per dag maar een aantal creatieve oplossingen kan bedenken. Als je dat voor andere mensen begint te doen, geef je dat weg en blijft er niks voor jezelf over.



Kunsthalle Nurnberg 2009

HVC:Vandaar dat sommige kunstenaars nog liever in een café werken dan les te geven, net om hun hoofd vrij te houden voor de kunst.
Nochtans, voor de rest was je toen goed bezig: je was geen onbekende in het kunstmilieu en je had - en hebt - een droomgalerie…

AMVK: Ik heb altijd gewerkt, gewerkt, gewerkt, maar ik heb nooit de tijd genomen om dat allemaal te contextualiseren. Neem nu dat lesgeven: eerst zorgde dat ervoor dat ik met mijn voeten op de grond terechtkwam, maar onder andere onder invloed van de Gentse kunstenaar Karel Dierickx werd me duidelijk dat je bezighouden met de context ook belangrijk is. Dat is hetzelfde met wetenschappers. Wat de meeste mensen trouwens vergeten: kunstenaar zijn is echt wel een fulltime job. Je moet je werk maken, erover reflecteren, het naar buiten brengen, lezingen geven, publicaties vormgeven…

In die periode ben ik eindelijk over kunst beginnen lezen, want voordien las ik vooral boeken uit andere domeinen. Mijn galeriehouder van Zeno X raadde me op een gegeven moment aan een residentie aan te vragen om even ‘weg’ te zijn. Zo ben ik uiteindelijk in Le Cité International des Arts in Parijs beland. Daar vond ik de tijd en lukte het me eindelijk wèl ideeën uit te werken die al lang in mijn achterhoofd zaten. Bijvoorbeeld al tekenend een verband leggen tussen een specifiek Amerikaans softporno magazine van de jaren ’60 én het boek: "La Passion de Détruire" van Erich Fromm.

In Parijs heb ik ook het finale deel Rorty, the HeadRoom van mijn HeadNurse project uitgewerkt. Het was een Sex & Technologieproject dat ik de naam Morele Herbewapening, gaf. Ik concipieerde het 7 jaar tevoren op uitnodiging van curator Roland Patteeuw, in het kader van zijn internationale incubatiegolf in Brugge. In Parijs is ook het idee voor Dieper ontstaan, de computeranimatie die ik over en met danser-choreograaf Marc Vanrunxt het volgende jaar maakte.
Die residentie in Parijs heeft duidelijk zijn vruchten afgeworpen, want ik heb in 2004 de Prijs van de Vlaamse gemeenschap gekregen, ik denk voornamelijk dankzij de werken die in Parijs hun oorsprong vonden.

HVC: Omwegen vergroten de kennis van een plaats, want ondertussen zijn we nog altijd niet bij je expo in Wiels beland…

AMVK: Al sinds 2000 groeide er interesse voor mijn tekeningen, o.a. bij Filip Luyckx van de Sint-Lucas galerie in Brussel. Hij nodigde me in 2001 uit om een 40-tal tekeningen tentoon te stellen. Die werden opgemerkt door de aankoopcommissie van de Vlaamse gemeenschap. Ik had toen de pech dat toenmalig minister van Cultuur Bert Anciaux alle aankopen afblokte. Dat is dan terug opgepikt door huidig directeur van Wiels, Dirk Snauwaert, die op dat moment verantwoordelijk was voor de keuze van werken van de aankoopcommissie. Gedurende 2 dagen heeft hij al mijn tekeningen – meer dan 1000 – bekeken en zo is bij hem het idee voor de expo gegroeid.
Later ben ik ook nog een jaar in Berlijn op residentie geweest en daar heb ik veel nieuwe tekeningen gemaakt, waaruit de expo voor Wiels concreet werd.

HVC: En de expo in Wiels werd een imposante tentoonstelling!
Naast tekenen op papier, schilder en graveer je ook nog op en in plexiglas, gebruik je veel kleur, tekst, maak je computersimulaties van vrouwen in uitbundige poses… Ik vermoed dat alles wat door elkaar loopt.
Zo nam je in 2010 ook deel aan de expo Parallellepipeda – een expo over kunst en wetenschap in Museum M te Leuven.

AMVK: In het kader van het driejarig project dat aan de tentoonstelling vooraf ging, hebben wetenschappers mijn tekenproces ontleed. Zo werd er vanuit een psychologische hoek gekeken van waar mijn tekeningen kwamen of waar ze naartoe gingen. Ik heb onder een scanner gelegen terwijl ik aan het tekenen was. Zo hebben ze ontdekt dat alle velden in mijn hersenen steeds tegelijkertijd actief zijn wanneer ik teken, terwijl bij de meeste tekenaars maar bepaalde stukken van de hersenen oplichten.
Mijn tekeningen kan je zien als mandala’s, er is geen hiërarchie van betekenissen. Tekst, beeld en vorm zitten allemaal op eenzelfde cognitief en perceptief niveau en door de tekening te finaliseren, komt de betekenis aan het licht. Meestal gebeurt het als ik later naar mijn werk kijk, dat ik begrijp waar het vandaan komt. Ik ben een kunstenaar, en mijn domein is het samenbrengen van materialen, concepten, verleden en reflectie.




Museum M, 2010

HVC: Heb je al een antwoord op gevonden op de vraag ‘vanwaar alles komt’?


AMVK:  Je mag nooit vergeten dat ik een kind van de jaren ‘70 ben. Verborgen verleiders, de manipulerende massamedia, daar trek ik tegen ten strijde. Vance Packard, Walter Benjamin, en Marshall McLuhan waren mijn eerste inspiratiebronnen. We leven in een maatschappij waar we dagelijks overspoeld worden door woorden en betekenissen, die verdraaide machtsverhoudingen in stand houden en bevestigen. Vroeger vond ik weinig steun in de ideeën van vrouwelijke kunstenaars maar ondertussen leerde ik o.a. het werk kennen van Martha Rosler en Anna Opperman.



HVC: Je zei ergens dat er weinig verschil is tussen de taak van de kunstenaar en de taak van de wetenschapper. Beiden moeten de dingen uitproberen en uitpuren tot iets wat de moeite waard is.


AMVK: Inderdaad. Want dat was wat me stoorde aan die stapel tekeningen die altijd maar groter en groter werd in mijn atelier: ze evolueerden niet. Zolang je iets niet aan de blik van een derde onderwerpt, gaat er niets wezenlijk vooruit. Feedback is nodig, anders herhaalt men zich. Wanneer je begint te tekenen voel je je goed en vrij, je komt in een soort roes terecht: je werkt in en met je onderbewuste. Wanneer je dat te lang na elkaar aanhoudt, enkele dagen of zo, ontstaat een soort oscillatie, waardoor je heel verward wordt. Je stoot namelijk op dingen die je al meemaakte en die je moet verlaten, anders wordt je gek. Dat is een pijnlijk proces.


HVC: Een bekend project van jou dat we hier zeker niet mogen vergeten te vermelden is HeadNurse, een seks- en technologieproject , dat je ook als een therapie- en overlevingsmechanisme beschouwde. Je wou er jezelf en anderen genezing van de hersenen mee bieden.

AMVK: Ik heb in 1995, 96 vrouwenafbeeldingen uit mijn database van softpornomagazines tot aan de seksuele revolutie, verbonden met 96 termen uit de domeinen van de artificiële intelligentie en de thermodynamica. Terwijl ik het beeld met het woord verbond reduceerde ik het tot een zwart-wit replica met een meerwaarde. In een volgend stadium nam ik het woord weg, en reduceerde ik de vrouwenafbeelding tot een gekleurd stuk schoonheid in functie van de betekenis van de term. Zoals men in de oudheid abstracten als geloof, hoop en liefde de vorm van mensen en goden gaf. Op deze manier geef ik een nieuwe waarde aan de woorden, deze keer wars van vooroordelen en discriminaties tegenover het vrouwelijk geslacht. Op basis van deze arbeid construeerde ik tijdens het maken van de computerfilm Morele Herbewapening een structuur, een theorie , waarmee ik 9 jaar aan de slag ben geweest om die uit werken. De ondertitel van alles was “Veerkracht Thuis!” en het geheel droeg ik op aan Baobo, de oeroude buikgodin die kijkt door haar tepels en spreekt met haar vulva. Zij danst op zo'n obscene manier dat zelfs de meest verslagen vrouw begint te lachen en terug zin krijgt in het leven.
Voor dit project gaf ik mezelf de naam HeadNurse, verpleegster voor de geest, assistente van Nietzsche, en tegenhanger van Big Brother. Als HeadNurse wil ik zowel mannen als vrouwen uit hun mentale slavernij verlossen, en aberraties en perversiteiten in de hedendaagse maatschappij attaqueren. In de werken die dit alles genereerde, speelde ik de fenomenen van onze dagelijkse realiteit tegen elkaar uit als machines die elkaar bevechten, opvrijen, verstevigen en ook neutraliseren. In 2004 kwam het in de Kunsthalle van Bern tot een apotheose met de publicatie van "The HeadNurse-files", een boek met de neerslag van alles wat dit sociaal-economisch concept aan ideeën, kunstwerken en tentoonstellingen opbracht.

HVC: Kan je nog iets kwijt over je solo-expo ‘Meesteres van de horizont’ in het Oostendse Muzee in mei 2012? Je toonde er vijf reeksen tekeningen, twee reeksen digitale prints en twee computerfilms. Het geheel werd gepresenteerd in een door jouw ontworpen architectuur. Het werd een expo met vele gelaagdheden.

AMVK: Mijn idee was een expo te maken als een soap in vijf feuilletons. De werken van de reeksen evolueerden elk voor zich doorheen het verhaal. Enkele jaren tevoren volgde ik in Brussel een gespecialiseerde cursus om de knepen van het vak te leren, oa. het verslavend aspect en de manipulatieve krachten van de format wilde ik doorgronden. De werken, die mijn acteurs waren, hadden al naargelang van de teneur van de onderverdeling andere boodschappen, maar evolueerden niet wezenlijk. Dit betekent dat je dikwijls dezelfde beelden maar in een andere gefinaliseerde perfectie tegenkwam. Ik wilde daarmee de dooddoener van het meesterwerk te lijf gaan.


HVC: Wat mogen we verwachten op je tentoonstelling in de Antwerpse Zeno X dat vanaf september 2014 loopt?

AMVK: 3 Carrels (Degenerate Customized Solutions) is de titel. Ik werd een paar maand geleden wakker met die engelse tekst in mijn hoofd.

Het laatste jaar heb ik gewerkt aan collages die de reeks PLAYGIRLS vormen en waarvan de inspiratie ligt bij het impressionistische muziekstuk La Fontaine d'Aréthuse (1915) van K. Szymanowski. Als basisbeelden nam ik bladspiegels van het tijdschrift Playgirl (Baltimore, 1958). In de werken komen teksten voor uit het boek Rhythmanalysis van marxist L.Lefebvre (Parijs, 1992) tezamen met stukken uit mijn eerste tekst op computer (Antwerpen,1980). De titels vd collages, van de meeste werken in de tentoonstelling zijn geïnspireerd door specifieke hoofdstukken van « Le Miroir des Âmes Simples et Anéanties et qui seulement demeurent en Vouloir et Désir d'Amour » (Parijs, 1300) van mystica M. Porete. Haar individualiteit en passie overlappen met de mijne.



Tezamen met de collages toon ik oude en nieuwe werken, de ruimte van de galerie is onderverdeeld in 3 velden die refereren naar een coderingsmachine, een decoderingsprogramma, en de eerste parallelle dataverwerkings-unit. Deze machinerieeën oa. die door hun gebruik voor oorlog en spionage de digitale revolutie en de ontwikkeling van de maatschappij in de 20ste eeuw stuurden zijn uitvindingen die Enigma, Colossus en de Connection Machine heten. Daar heb ik drie carrels voor gemaakt. Drie mobiele kasten waarin men quasi afgezonderd tot persoonlijke studie kan komen.


HVC: Wat denk je van het citaat van Jean Dubuffet: «L’art est une blessure qui devient lumière»?
AMVK: De Dalai Lama heeft ook iets gelijkaardigs gezegd: “Iets mooi wordt lelijk, jong wordt oud, alles vergaat, en afwijkingen worden deugden.” Dat is fantastisch aan het leven: tijdens het verouderen, kan je van je grootste tekortkomingen net je deugden en sterktes maken.

HVC: Hmm, ga ik onthouden!
Wil je nog iets kwijt over Club Moral?

AMVK: Ik heb performance artist Danny Devos leren kennen vlak voor ik een paar reizen in het buitenland had gemaakt en ik een tentoonstelling in Los Angeles had. Wie weet was ik zonder hem in Amerika gebleven, want het was altijd een grote droom van mij om daar te wonen. Daar in Amerika – waar ik met mijn vriendin Annie Gentils was – hebben wij een impuls gekregen om zelf evenementen te organiseren. Ik had toen ook net een atelier gevonden in Borgerhout met drie grote ruimtes waarvan ik de tussenruimte aan Danny Devos gaf. Zeer snel zijn wij daar optredens en tentoonstellingen beginnen organiseren. Naast de organisatie zijn wij vrij snel met een muziekgroep begonnen. Tegenwoordig spelen ook nog Mauro Pawlowski en Aldo Struyf mee

HVC: Welke filosofie zat/zit er achter Club Moral?

AMVK: De filosofie die erachter zat, was dat we enkel dingen toonden die nergens anders terecht konden en extreem, integer en waardenoverschrijdend moesten zijn. Je kon het een industriële vrijplaats voor postpunk noemen. Van in het begin brachten we zowel ‘noise’ als andere experimentele muziek, tezamen met performancekunst, multimedia en installaties. We hadden ook een tijdschrift: Force Mental, waarvan de 15 nummers gebundeld werden door de Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen en Archivolt. Ik vond het heel belangrijk om met Club Moral als een soort van draagvlak te dienen, zowel met de werking als met het tijdschrift, om te laten zien dat er hier zoveel interessante jonge mensen bezig waren.

HVC: Wanneer ben je beginnen beseffen dat je kunstenaar bent of sprak je het uit? Wanneer vind je dat iemand zichzelf kunstenaar mag noemen?

AMVK: Toen ik 26 jaar was, ben ik 3 maanden ziek geweest. Ik weet nog dat, toen ik genezen was, ik in één gulp een tekst geschreven heb waar alles wat ik te zeggen had in stond. Ik had een eigen mening en zou alleen nog mijn mond opendoen als ik écht iets te zeggen had. Op dat moment ben ik voor mezelf kunstenaar geworden.

HVC: Lijd je voor je kunst of teken je en maak je kunst om de chaos van het leven te sublimeren?

AMVK: Op sociaal vlak red ik het niet altijd. Lijden? Mijn momenten in mijn atelier zijn mijn gelukkigste periodes, maar je kan natuurlijk niet altijd in je atelier werken, dat is geen optie. Ik lijd wel soms in de zin dat ik geen kinderen heb.

HVC: Is dat door de kunst?

AMVK: Heel zeker. Ik denk ook niet dat ik het zou gekund hebben: me concentreren op de opvoeding van een kind.

HVC: In die zin dat je het veiliger vind je te richten op je tekeningen in plaats van op een klein wezentje dat van jou is?

AMVK: Dat is niet veiliger. Dat is mijn manier om mezelf in stand te houden. Psychologisch ben ik niet voor het moederschap op de wereld gezet. Maar dat neemt niet weg dat ik daar op geregelde tijden wel spijt van heb. Maar dat is een offer dat ik heb moeten brengen. In het begin dat ik tentoonstelde had ik als kunstenaar ook veel contact met het lesbische milieu: vrouwen die ook voor een ander leven kozen. Bij momenten van twijfel, motiveerden ze me: “Anne-Mie, doe voort voor ons, a.u.b.!”
Ik weet dat wat ik doe, niemand anders doet en ik voel dat ik daar fulltime moet mee bezig zijn. Wat ik denk dat ik mis door geen kinderen te hebben? Die onvoorwaardelijke liefde waar ze altijd over spreken en de intimiteit die je kunt hebben met mensen die uit jezelf voortgekomen zijn.
Het is wel zò dat ik regelmatig overweldigd word door een allesomvattende liefde voor al wat bestaat. Het is vanuit dat gevoel dat ik dagelijks bezig ben.

HVC: In het tijdschrift Flair stond in een interview met modeontwerpster Ticuta Racovita onderaan in een kader je motivatiekreet: “1) Weten, 2) Durven, 3) Willen 4) Zwijgen 5) Doen. Dé formule om vooruit te komen in het leven, te gaan voor waar je zelf in gelooft en negatieve krachten uit te schakelen.”
Zijn dat ook de 5 woorden om een goed mens en goed kunstenaar te worden?

AMVK: Inderdaad. Wat ik bedoel met zwijgen? Als je met iets bezig bent, mag je daar niet over spreken, want anders kan je de essentie verliezen. Daarnaast kunnen andere mensen ook nog met je ideeën gaan lopen. Je moet leren dat als je op iets aan het broeden bent of iets aan het opborrelen is, om dat voor jezelf te houden en er nù mee aan de slag te gaan.

HVC: Ga zo door zou ik zeggen, Anne Mie



atelierbeelden
 
Hilde Van Canneyt, copyright 2014


Anne-Mie stelt tentoon:


Anne-Mie Van Kerckhoven: 3 Carrels (Degenerate Customized Solutions) +  
Kees Goudzwaard (Collected Details)
  
Zeno X Gallery, Antwerp Borgerhout
September 3 - October 18, 2014
Preview: August 31, 3-6 pm






    




statcounter