Interview met Conny Kuilboer

Kuilboer/Kruisdijk stelt tentoon op Kunstenfestival Watou 2014 van 5 juli t/m 31 augustus. Thema van deze editie is: Verzamelde verhalen #6: Over klein geluk in tijden van overvloed.


Interview met Conny Kuilboer (NL), Gent, juni 2014

Hilde Van Canneyt: Conny, waar kom je vandaan en waar ga je naartoe? Enfin, hoe is het gekomen dat je jezelf plots tot ‘kunstenaar’ bombardeerde?
Conny Kuilboer: Ik ben geboren en opgegroeid in Noord-Holland in Heerhugowaard. Ons huis was het één-na-laatste huis van deze slaapstad. Tussen de weilanden en dijken ver weg van iedereen. Daardoor was er veel ruimte om te ravotten en te dagdromen. Mijn ouders hadden een kwekerij en in die oneindige kassen was ik altijd op zoek naar avontuur. Mijn vader had een geweldige werkplaats waar ik veel speelde en knutselde met allerlei materialen die kon vinden, zoals stukjes hout, plastic schermdoek, kabeltjes, etc. Na mijn (zeer deprimerende, maar voor wie niet) middelbare school ging ik naar het Grafisch Lyceum in Amsterdam omdat ik dacht dat ik grafisch vormgever wilde worden. Het grootse avontuur was begonnen en ik leerde mijn beste vrienden kennen! Hoewel de opleiding geweldig was vond ik het vak van vormgever veel te beperkend. Daar werd ik vooral mee geconfronteerd tijdens mijn stage. Logo’s ontwerpen voor bakkerij de Vries en placemats voor de Pannenkoekenboot was niet datgene wat ik de rest van mijn leven wilde doen. Er moest toch meer zijn? Toen besloot ik dat ik kunstenaar wilde worden. Ik trok naar het oosten van het land en begon mijn studie aan de AKI kunstacademie. Deze academie in Enschede trok mij aan omdat ze bekend stond als een zeer progressieve vrije academie. Ik woon sindsdien in deze stad, maar sta op het punt terug te keren naar Amsterdam. Enschede is de vreemdste stad. Het is een plek waar je jezelf als kunstenaar geweldig kunt ontplooien want de condities zijn goed en het borrelt van de initiatieven. Het is een eiland tussen Amsterdam en Berlijn, Keulen en Düsseldorf. Alle creatieven zijn zeer zelfredzaam en het is -  mede door de AKI - een hechte ’community’. Ik heb al vaker geprobeerd weg te gaan hier, maar de stad liet me niet los. Ik kon me prima manoeuvreren in de wereld met Enschede als thuisbasis. Maar nu laten we elkaar los, ik ga terug.

HVC: In het begin van je dossier las ik: ‘In mijn werk onderzoek ik de verschillende manieren waarop wij tijd ervaren. De perceptie van tijd met al zijn facetten. Momenten kunnen vervliegen in luttele seconden, maar ook gevoelsmatig een eeuwigheid duren. Tussen dit spanningsveld zoek ik mijn beelden. Minutieus tast ik de oppervlakte van tijd af en probeer ik het te vangen in mijn werk.’
CK: Hoelang heb ik zittend broeden op dit tekstje, dat waren geen luttele seconden. Maar het zegt precies datgene wat ik wil zeggen. Ik kan mezelf totaal verliezen in momenten, in tijd, en zoals je misschien al hebt gemerkt: ik ben nogal een nostalgisch persoon. De tijd te kunnen bevatten, is voor mij het allergrootste gebaar. Maar dat is ook een heel pijnlijk gebaar, het betekent ook: stop! sta stil! Wat probeer ik dan te grijpen? Het zijn verlangens, dagdromen, gektes, humor, alles om me heen wat me opvalt en wat ik intens voel. Dat wil ik grijpen. Dat zijn mijn beelden.

HVC: Kunstenaar Fred Bervoets zegt: ‘Gebruik de roes om iets te scheppen en de discipline om het af te maken.’
CK: Daar kan ik me helemaal in vinden. Ik vind dat heel mooi gezegd. En die discipline is een gevolg van de noodzaak. Want de noodzaak van het scheppen is groter. Waar de discipline om de hoek komt kijken, is vooral wanneer je weer met je beide benen op de grond staat: het échte leven met rekeningen, jobs  en dingen die je liever niet doet, maar moet doen om je werk te kunnen maken.

HVC: Alain De Botton zegt dan weer dat wat we zoeken in de kunst, missen in het leven.
CK: Daar zit ook zeker een waarheid in hoewel ik dit meer vind bekeken vanuit het standpunt van een toeschouwer.
Als ik over mezelf spreek: mijn werk refereert zo sterk naar het leven en spiegelt dat continu. Die reflectie zou niet kunnen bestaan zonder het leven. Hoe die vorm krijgt is het scheppende proces. Maar als ik andere kunst(vormen) ervaar, zoek ik wel naar iets, dat kan ik niet ontkennen. Of is dit te wollig?

HVC: Oscar van den Boomgaard schrijft in een fijn tekstje over jouw werk: “De studio van de kunstenaar doet me denken aan de levensgrote jungleschilderijen van Rousseau. Ondoordringbaar, zonder focus. Iedere vierkante centimeter kijkt je even intens aan. Een jungle van wol, vilt en papier. Ik ga achter het bureau van de kunstenaar zitten. Het lijkt een knutseltafel, vol felgekleurde potloden, scharen en ander tekenmateriaal. “
CK: Het was een grote eer hem in mijn studio te ontvangen. Het was vreemd, want ik was zelf niet aanwezig door een studiereis. Oscar was uitgenodigd om een tekst over mij te schrijven voor de catalogus voor de final show van het HISK. Ik had mijn sleutel achtergelaten en hij kon op zijn eigen tijd mijn atelier bezoeken. Het was mooi en wonderlijk om naderhand te lezen hoe hij zich had bewogen in mijn wereld en wat hij allemaal had gezien. We mochten allemaal even door zijn ogen kijken. Hij interpreteerde en analyseerde alles op een hele rake manier en gaf mij nieuwe inzichten doordat hij het vermogen heeft woorden te vinden waar ik in beelden spreek. Mijn gesprekken met hem zijn van onschatbare waarde, hij heeft me ontzettend veel gegeven.


HVC: Mooi zo-
Is creativiteit het gevolg van jouw kronkels of dwingen jouw kronkels je om creatief te zijn?
CK: Ieh! Dat is een wisselwerking. Die kronkels hebben me al vaker bij de dokter doen belanden! Dokter: “Maar kun je dat dan niet uitzetten?” Conny: “Nee, zelfs als ik hier bij u zit ben ik met mijn werk bezig. Ik kijk om me heen en ik zie fantastische anatomische modellen, en dat vouwscherm, er zijn overal mogelijkheden, ik kan dat niet uitzetten! Stel dat ik wat mis!” Zijn advies was om me terug te trekken in een ontspannende omgeving waar ik zo min mogelijk geprikkeld werd. Misschien zou daar dan ook ontspannend werk uit voortvloeien waar ik dan weer ontspannen van zou worden. Wat een dokter! Ik zal hem missen in Amsterdam. :-)
Zonder gekheid: het is vooral de nieuwsgierigheid en fascinatie voor de dingen om me heen die me boeien, en dat zijn net de kronkels in mijn kop.

HVC: In de bundel ‘On making Manifest’, de publicatie dat manifesten van een aantal kandidaat-laureaten van het HISK bundelt, toonde jij een haast lege pagina, met als titel: ‘Tuning my work’. Je schreef er zes trefwoorden onder waarbinnen je je werk wil plaatsen: ‘Existentialism’, ‘Absurdism’, ‘Determination’, ‘Gravity’, ‘Beyond’ en ‘Engagement.
CK: Wat zou je kunnen lezen in een manifest van Conny Kuilboer? Ik vond dat heel moeilijk in woorden te vatten. Ik besloot daarom steekwoorden te nemen die onlosmakelijk met mij en mijn werk verbonden zijn. Om mezelf een kader te geven, zocht ik dat in muziek, want ik hou van muziek. De beginletters van de woorden zijn de noten van een standaard stemming op een gitaar. Elke snaar heeft een eigen klank. Als je de snaren tegelijk aanslaat, krijg je een akkoord, een geheel. Alle noten zijn even belangrijk, maar je kunt ze ook uitlichten. Daardoor ontstaat steeds een nieuwe compositie. Zo is het ook met mijn werk. Je zou alle werken als losse noten kunnen zien, en als je ze samen plaatst krijgen ze een nieuwe context en betekenis. Dat vind ik een spannend samenspel. Wat ik wil zeggen met dit manifest, is dat er een kader is waarbinnen ik werk waarin ik alle vrijheid neem om te onderzoeken en experimenteren.

HVC: Wat heeft het in Gent (B) residerende HISK voor jou betekend trouwens? Want je bent tussen 2011 en 2013 een ‘halve Gentenaar’ geweest.
CK: Heel veel, het is een belangrijke en inspirerende werkperiode geweest. Toen ik hoorde dat ik mocht komen, begon weer een groots avontuur voor mij. Het was een hele stap om mijn geborgen plek in Enschede achter te laten en naar Gent te komen. Ik was al 8 jaar afgestudeerd en was zeer gesteld op het isolement van mijn atelier. Behalve mijn man Ben Kruisdijk - met wie ik mijn atelier deelde - kwamen daar niet zo vaak mensen over de vloer. Maar dat isolement was ook datgene wat ik wilde doorbreken en één van de redenen om mij aan te melden. Ik had het gevoel dat ik in een fuik was gezwommen en teveel dingen uitsloot in mijn werkproces. De dialoog in het proces was een monoloog geworden.
Het was echt om mijn werkproces onder de loep te nemen, want met het tentoonstellen ging het hartstikke goed, mede door Vincent Verbist van Actionfields, waarmee ik in 2008 in contact kwam. Door hem leerde ik de Belgische kunstwereld beter kennen en hij heeft mij met veel mensen in contact gebracht.
De eerste studio-visits in het HISK waren erg confronterend en verwarrend en legde onmiddellijk de vinger op de zere plek. Ik moest uit die fuik breken! Ik kwam terecht in een wonderlijke lichting HISK-ers die stuk voor stuk super inspirerend zijn. De uitwisseling tussen de kunstenaars was misschien nog wel belangrijker dan de gesprekken met de visiting-lectures. Er was een goede chemie onderling en ik heb dierbare vrienden leren kennen. Duidelijker werd het allemaal niet en tegen het einde was het een grote mist in mijn hoofd. Maar juist dat heeft heel bevrijdend gewerkt, het hoeft allemaal niet zo duidelijk te zijn. Het is voor mij niet zozeer een productieve periode geweest, maar wel één met reflectie en input.

HVC: Je bent ook in het Belgische Masereel Centrum in Kasterlee op residentie geweest, bekend om zijn grafisch atelier. Wat heb je daar van werk vervolmaakt?
CK: Al mijn hele leven verzamel ik spullen die me vervolgens dierbaar worden en ik niet meer kan loslaten: speelgoed, oude foto's, camera's, rariteiten en wonderlijke objecten. Maar dierbaarheid kan zwaarte krijgen. Wat betekent dierbaar nog als je het wegstopt in een doos om het opgestapeld te laten wachten op een weerzien? Dan gaan de koesteringen wringen. Een deel van mijn verzameling heb ik vastgelegd op de lichtgevoelige plaat en uitgewerkt tot zeefdrukken in het Frans Masereel Centrum in Kasterlee. Laag voor laag en kleur over kleur, zijn de objecten ontleed en opgebouwd op het platte vlak: ontsnapt uit de doos.

HVC: Hoe maatschappij-weerbarstig zijn jouw beelden?
CK: Ik voel een groot onvermogen als kunstenaar om engagement te vertalen in beelden. Toch staat ’Engagement’ in mijn manifest. Dit ’Engagement’ gaat over de manier waarop ik mijn kunstenaarschap wil kleuren en wat ik wil uitdragen. Ik geloof in collegialiteit en niet in competitie. Ik ben een zacht ei en doe niet mee aan de ’rat-race’.
Ik heb een mening over maatschappelijke problematiek, maar wil en kan dit niet verweven in mijn werk. Als kunstenaar moet je waakzaam zijn om niet moraliserend uit de hoek te komen. Dat gebeurt naar mijn mening veel te veel en dat vind ik vaak ongepast. De ’white-cube’ leent zich niet voor dit soort statements. Hoe gemakkelijk is het om iets te schreeuwen in een ruimte vol eensgezinden? Gelukkig wordt tegenwoordig vaker voor alternatieve platforms gekozen, waarbij zo’n statement betekenisvol kan worden.
Ikzelf probeer heel dicht bij universele innerlijke gevoelens te blijven waar iedereen zich in kan herkennen. Ik probeer te kietelen, te schuren, en hoop daardoor te verbazen.


HVC: Mooi uitgedrukt Conny!
Laten we enkele werken bespreken, te beginnen met je bekende ‘ezel’.
CK: De ’ezel’ is een van de eerste werken die ik in samenwerking met mijn man - beeldend kunstenaar Ben Kruisdijk - heb gemaakt. Naar aanleiding van een werkperiode in
Schloss Ringenberg in Duitsland, werden wij uitgenodigd om samen deel te nemen aan een tentoonstelling daar. Wij besloten om de prachtige toonzaal niet vol te hangen met ons werk, maar de individuele werken als materiaal te nemen voor een nieuwe installatie. We vonden in de ezel de perfecte sokkel voor al deze werken. Zij symboliseerde voor ons de manier waarop wij invulling geven aan ons kunstenaarsbestaan en leven. Als kunstenaar, en mens, reizen we allemaal veel en niet licht bepakt. Het speelt met veel clichés en vooroordelen. Wat voor ons de belangrijkste stap was in dit werk, was de handeling om onze werken op één hoop te gooien. De hiërarchie was weg en ieder stuk op de ezel werd gelijkwaardig en een onderdeel van een geheel. We werden geconfronteerd met vragen over auteurschap en ontdekten dat door ons werk en ideeën samen te voegen, een geheel nieuwe beeldtaal ontstond. Het gaf ons vrijheid om buiten onze vertrouwde kaders te stappen en samen een hele nieuwe weg in te slaan.

HVC: Jullie gaan hem ook in het Belgisch kunstenaarsdorp Watou (2014) tonen…
CK: Ja, wij waren ontzettend vereerd dat we waren uitgenodigd om deel te nemen aan Watou en hoewel we de ezel eigenlijk niet meer tonen, wilden we voor Watou graag een uitzondering maken. Watou staat dit jaar in het teken van de menselijke zoektocht naar geluk en dat in tijden van grote overvloed. Een prachtig thema wat we heel mooi vinden aansluiten bij dit werk.
We hebben door de jaren heen meerdere versies gemaakt waarbij de bagage wisselde van samenstelling. De eerste versie is met een polyester ezel en woont ondertussen in Madrid. Voor een tentoonstelling bij de Verbeke Foundation hebben we ooit een echte opgezette ezel gebruikt en deze zal de zomer in Watou doorbrengen.



HVC: Jullie gaan er ook een klein cartoonesque eiland tonen, als metafoor voor jullie kunstenaarsleven…
CK: ’X never ever marks the spot’ is de titel van dit tropische eilandje. Die titel is een uitspraak van de wel gerespecteerde archeoloog Dr. Indiana Jones en wij vonden dit super toepasselijk voor dit werk. Het eiland hebben we gemaakt naar aanleiding van een uitnodiging om deel te nemen aan de expositie ’Palm Fiction’ in Berlijn, georganiseerd door the White Elephant Collective. De expositie werd gehouden in de oude Palmkernspeicher, een fabriek uit 1883 waar palmolie werd gemaakt. We moesten al vrij snel denken aan een klein cartoonesque eiland dat als metafoor kon dienen voor ons kunstenaarsleven. De periferie gevonden en omarmd als het centrum waar vanuit de wereld te observeren. Tegenstrijdigheid en berusting op 4,5 m2.


HVC: Over welke leuke andere werken wil je het nog hebben?
CK: Ik mag op Watou nog een aantal andere werken tonen wat ik heel spannend vind. 
Eén daarvan is ’Existentialis(m)’. We zijn allemaal verantwoordelijk voor onze eigen daden en de manier waarop we dingen doen. Maar het leven duwt ons soms toch een richting op waar we helemaal niet heen willen. Zo maakbaar als alles is, zo breekbaar is het ook. Toen ik over de halfvastenfoor op het Sint Pietersplein in Gent wandelde zag ik een kraampje waarbij ik mijn eigen nummerplaat kon laten maken. Ik wilde heel graag dat allesomvattende mysterieuze woord ’Existentialism’ daarop plaatsen maar het woord liet zich niet in zijn geheel vangen op de paarse nummerplaat. Dat gegeven vertaalde precies mijn gevoel. Een eigen ingrijpen om het af te maken werd noodzakelijk.
Het staat symbool voor het nieuwe zijn, dynamisch en vormbaar.


Er is ook is een werk te zien uit 2008, wat ik nog nooit heb tentoongesteld: 'My greatest desire to see the deepest blue of the sky'.
Als kind kon ik uren dagdromen en verdrinken in het oneindige blauw van de lucht. Hoe blauw ziet de lucht eruit als ik dichterbij probeer te komen? Gewichtloos zweefde ik in mijn fantasie omhoog en kon ik moeiteloos de zwaartekracht overwinnen. Hoe zou het zijn om echt op te stijgen en te zweven tot oneindigheid? Een aantal jaar geleden las ik het gedicht ’Lawn chair Larry’ van Ramsey Nasr. Dit gedicht gaat over de Amerikaan Larry Walters die op een dag in 1982 besloot zijn jeugddroom waar te maken. Aan zijn tuinstoel bevestigde hij met helium gevulde weerballonnen, waardoor hij als een raket lanceerde om vervolgens urenlang hoog in de lucht te dobberen. Ik heb een beeldende reconstructie gemaakt van deze actie door vrolijk gekleurde heliumballonnen vast te binden aan een klein kinderklapstoeltje. Ik ben heel blij dat dit werk getoond gaat worden en dat Kunstenfestival Watou zo genereus is dit te faciliteren! 


Een ander werk wat ik toon op Watou is ’They were curious’. Het is een speelgoed-globe, binnenste buiten gekeerd. De globe komt uit mijn jeugd en diende altijd als een wakend nachtlampje, waar de diepste oceanen en de hoogste bergen in verre landen tot mijn verbeelding spraken. Maar wat zit onder die korst? Waar komt dat licht vandaan? Op een dag bezocht ik mijn ouders en zag ik tot mijn verbazing dat een continent van de wereldbol was losgerukt. Na nadere inspectie bleken mijn nichtje en neefje verantwoordelijk voor deze brutale daad. De handeling ontroerde me omdat die zo herkenbaar was: Ze waren zo nieuwsgierig! De binnenzijde van de wereld bleek veel mooier en kleurrijker dan de buitenkant. Ik besloot de hele wereld te pellen en deze binnenstebuiten op de bol terug te plaatsen.

HVC: Een belangrijk facet van je kunstenaars-uiting, is de samenwerking met je partner Ben Kruisdijk. (Kruisdijk/Kuilboer). In jullie gezamenlijke werken staat vaak de positie van de kunstenaar vandaag de dag centraal, schrijf je. Door samen te werken, ontstaat een dialoog die de brug vormt tussen onze beiden werelden en beeldtalen, wat een inspirerende uitwisseling van ideeën oplevert. Daardoor betreden jullie paden waar jullie als individuele kunstenaars misschien niet in terecht zouden komen.
Is er een groot verschil tussen jouw werk individueel en dat tezamen met Ben? Hoe merk je zelf het verschil in ‘weg ernaartoe’ en eindresultaat? En in welke mate verschilt Ben zijn individueel werk met dat van jou?
CK: In het begin van onze samenwerking was het verschil erg groot, vooral omdat ik meestal driedimensionaal werkte en Ben tweedimensionaal. Door de jaren heen is dat veel meer naar elkaar toegegroeid. We permitteren onszelf richtingen op te gaan waar we niet eerder mee bezig waren. Dit komt mede door onze samenwerking omdat we daarin al deze vrijheid namen. Toch hebben we naast onze samenwerking heel duidelijk ons eigen individuele werk. Een samenwerking bestaat namelijk ook uit compromissen sluiten. Het is belangrijk dat we ieder onze eigen stem behouden en ontwikkelen, waardoor we met elkaar een interessante dialoog kunnen blijven voeren. Er is een groot verschil in het proces van het individuele werk en werken die we samen maken. Als we samenwerken staat vaak een idee/concept centraal wat we als uitgangspunt nemen. De aanloop is een wisselwerking van ideeën en de uitvoering is meer productiegericht. Bij mijn individuele werken is dat proces veel chaotischer en schiet het in het begin nog alle kanten op. De nadruk ligt dan veel meer op het proces.

HVC: Rainer Maria Rilke zegt trouwens: “Laten we niet vergeten dat de kunst slechts een weg is, geen doel.” Ben je daarmee akkoord?
CK: Helemaal mee akkoord!

HVC: Hoe richten jullie als kunstenaarskoppel trouwens jullie leven in?
CK: :-) We beginnen altijd met koffie en delen het atelier. Ik ben een bouwer en Ben is een denker. We ondersteunen, discussiëren, inspireren, wisselen uit. We doen één ieder waar we goed in zijn. Het is heel fijn om samen te werken, het kunstenaarsbestaan is best een eenzaam gegeven. Om daar samen in te staan, is gewoon veel leuker, want dat mag het ook heus wel zijn: leuker!

HVC: Hoe proberen jullie zich trouwens van andere kunstenaarskoppels te differentiëren?
CK: Daar zijn we eigenlijk niet mee bezig. Wat dat betreft zijn we best egocentrisch en focussen we op onszelf. Wat we wel proberen is om onze samenwerking uit te breiden met andere kunstenaars. En dan niet alleen op het beeldende vlak, maar veel breder. We hebben voor een tentoonstelling in het afgelopen najaar samengewerkt met een acteur, muzikanten en ontwerpers. Daar willen we zeker mee doorgaan.

HVC: Noem eens één ding dat de kwaliteit van jullie kunst zou kunnen verbeteren…
CK: De eerder genoemde discipline. Daar is in principe geen gebrek aan, maar het zou goed zijn als we beiden onze focus meer op ons werk zouden kunnen richten. Het is nu soms te incidenteel dat we die focus werkelijk hebben. Konden we maar…

HVC: Doen we het in België trouwens beter of slechter - op gebied van kwaliteit of beleid - dan in Nederland?
CK: Ik vind de kwaliteit van beeldende kunst in België ontzettend hoog en kijk daar met bewondering naar. In België lijkt nog ruimte voor verbeelding te zijn, zelfs als kunstwerken een maatschappijkritische boodschap hebben. Nederland heeft andere kwaliteiten en andere prioriteiten. In Nederland moet kunst een duidelijke functie hebben en dat bepaald vaak het beleid. Dat zie je luid en duidelijk terug in de (beeldende) kunst en cultuur educatie. Op het moment ligt de nadruk op innovatie. Door bijvoorbeeld kinderen op jonge leeftijd in aanraking te laten komen met kunst en cultuur, groeien ze op als flexibele mensen met een (potentieel) probleemoplossend vermogen, wat vruchtbaar is voor de kenniseconomie. Creativiteit wordt ingezet als economisch groeimiddel. Dat vind ik redelijk problematisch. Maar ja, liever iets dan niets… We gaan dapper door.

HVC: En hoe zit het daar tegenwoordig met de Nederlandse subsidies?
CK: Ikzelf als kunstenaar heb weinig tot geen ervaring met subsidies. Er wordt veel bezuinigd en de hardste klappen zijn al gevallen. De kunstwereld is nu herstellende van die klap. Wat je ziet is dat de culturele wereld wel een ongelooflijke veerkracht heeft en dat vanuit die financiële afbraak interessante initiatieven komen bovendrijven. Maar er is veel kapot gemaakt en ik vrees dat dat nooit meer terug komt.

HVC: Vind je dat er genoeg kruisbestuiving is tussen de Belgen en Nederlanders? (Ik vind wat te weinig, persoonlijk.)
CK: Ik heb als kunstenaar altijd meer platform gevonden in België dan in Nederland. Dus voor mij individueel -en samen met Ben - is die uitwisseling hartstikke aanwezig. Wat veel gebeurt, is dat Belgische kunstenaars in Nederland werk tonen en visa versa. Daar zou meer dialoog tussen kunnen zijn.

HVC: Verschilt het favoriete kunstwerk van jou van dat van Ben?
CK: Er zijn veel dingen waar wij over spreken met elkaar, maar ook waar we nooit over spreken. Deze vraag is eigenlijk nog nooit ter sprake gekomen!

HVC: Keep the secret!
CK: :-)

Hilde Van Canneyt, copyright 2014, met dank aan croxhapox

Kuilboer/Kruisdijk stelt tentoon op Kunstenfestival Watou 2014 van 5 juli t/m 31 augustus. Thema van deze editie is: Verzamelde verhalen #6: Over klein geluk in tijden van overvloed.

statcounter