Interview met Nicolas Provost

Het boek: 'Hilde vraagt, 85 interviews met Belgische kunstenaars' is net uit, te bestellen via http://www.hildevraagt.be/ of te koop in de Fnac, de betere boekhandel en museumshops (B/NL)

vorig interview: Michaël Borremans: http://hildevancanneyt.blogspot.be/2014/04/interview-met-michael-borremans.html


Interview met Nicolas Provost (1969), Waregem, maart 2014.



Hilde Van Canneyt: Hallo, Nicolas. We zijn hier samen in Be-Part, waar binnen enkele dagen de opening plaatsvindt. Ben je tevreden over het verloop en de vorderingen van de opbouw?
Nicolas Provost: Op dit moment zitten we nog op schema. Ik heb er alle vertrouwen in dat het goed komt.

HVC: Ik begin graag bij het begin: heb je wilde puberverhalen die je huidige werk kunnen helpen duiden? Of is dat verre verleden iets wat we kunnen overslaan?
NP: Neen, dat zou ik niet doen, want het is zeer belangrijk geweest voor mij. Ik heb van kleins af aan altijd geweten dat ik kunstenaar wilde worden. Maar je weet niet wat dat betekent als je zo jong bent. Ik had gelukkig mijn ouders, die me een beetje stuurden en die me toonden dat ik het talent had om te tekenen en te fotograferen. Zij hadden mij al op mijn twaalfde een fototoestel gekocht, waardoor ik dan foto's en dia’s kon nemen van mijn installaties. Al wist ik toen begot niet wat installaties waren. Zo vroeg ik aan mijn moeder om zoveel mogelijk toiletpapier mee te brengen uit de Delhaize en daar maakte ik dan in de badkamer een installatie mee. Ik maakte daar heel kunstbewust compositiebeelden van. En als de vrienden van mijn ouders op bezoek kwamen - dat was nog de tijd van de diavoorstellingen -, dan was er altijd een kwartiertje voor mij waarin ik onze vakantiekiekjes toonde. Ik herinner me dat ik me ervan bewust was dat de foto's te snel volgden. Ik dacht toen al: “Allez, je moet de tijd nemen om te kijken!” Maar het is vooral televisie, die veel voor mij heeft betekend. We hebben heel veel televisie gekeken op de taalgrens, Franse tv met goeie filmclubs en filmprogramma’s. Daar heb ik indertijd eigenlijk de hele filmgeschiedenis gezien.

HVC: Je wilde al films maken van toen je de film ‘Blue Velvet' van David Lynch zag.
NP: Op mijn 17 heb ik 'Blue Velvet' in de Studio Skoop te Gent gezien. En ja, als je  buitenkomt, heb je toch wel de indruk dat er iets is veranderd. Ik denk dat ik toen de ziekte te pakken kreeg: cinefiel zijn en film maken is een beetje een verslaving; het gaat nog verder dan een passie.

HVC: Op je 18de startte je een grafische opleiding. Erna trok je naar de academie. Daar ben je ook weggegaan. Toen je naar Noorwegen trok, ben je er tien jaar blijven hangen aan een Noorse schoonheid. De eerste vijf jaar werkte je in een grafisch bureau en was je niet met kunst bezig. Maar dan heb je de knop omgedraaid en heb je volop voor de film en de kunst gekozen:  was het een beetje ‘now or never’?
NP: Inderdaad, ik was net dertig geworden en het moest toen gebeuren. Ik ben gewoonweg beginnen werken. Gewoon beginnen kunst maken. Wat ik toen vond dat mijn ding was. Het was de tijd van de digitale revolutie. Iedereen had zijn cameraatje en zijn final-cut-programmaatje.  Het allereerste wat ik toen wilde doen, was een bestaande film in mijn montageprogramma importeren en daarmee beginnen spelen. Ik heb daarmee resultaat geboekt, maar ik had nog nooit gehoord over found footage. Dat bleek een traditie te zijn die al bestond sinds de jaren 40.

HVC: Is dat niet het verknippen van stukken film?
NP: Nee, het is bewerken van bestaand materiaal. Of bestaand werk omtoveren tot nieuw werk.

HVC: Moet je daar geen copyright op betalen?
NP: Het hangt ervan af. Dat is altijd zo'n grijze zone geweest. Moeten we ons daarmee bezighouden? Er bestaat wel zoiets als 'fair use'. Dan kan je normaal gezien geen problemen hebben met de rechthebbenden. Je hebt bij ‘fair use’ verschillende criteria: je moet het bestaande werk voor ten minste 50% bewerken; het moet de bedoeling zijn een nieuw werk te maken; je mag het originele werk niet in diskrediet brengen, dus het mag niet iets negatief zijn; én je mag het originele werk op de commerciële markt ook niet in het gedrang brengen.

HVC: In het interview met Focus Knack zei je dat je op je 20ste eigenlijk nog niks te vertellen had.
NP: Je weet dat je op die leeftijd niet aan een film moet beginnen. Ik voelde dat toch sterk zo aan in die tijd, maar de tijden zijn ondertussen wel veranderd. Er zijn nu ook andere opleidingen, maar ik herinner me dat er toen vrij klassieke regieopleidingen waren. Ik hoorde dat je twee jaar theorie moest doen voor je aan de praktijk mocht beginnen. En ik was bang om op mijn 18de een beetje teleurgesteld te zijn door filmregie en dus koos ik voor een vrijere opleiding waar ik zelf nog kon experimenteren. En ik ben blijven experimenteren.

HVC: Je bent in Noorwegen gebleven om het daar als kunstenaar te maken. Je had ook kunnen zeggen: "Ik ga terug naar België en ik verander mijn leven."
NP: Ja, ik had daar een vriendin en een leven, hé. Pas na acht jaar had ik het gezien.  Dan begon ik te snappen dat het integratieprobleem niet aan mij lag. Toen besefte ik dat ik alles had geprobeerd: ik had de taal geleerd en alles gedaan wat mogelijk was. Maar ik had door dat het voor mijn beginnend beeldend werk ook moeilijk werd, want mijn werk werd onmiddellijk door internationale filmfestivals opgepikt, terwijl ik in Noorwegen geen platform vond om mijn werk te tonen. En eind de jaren 90 was het echt not done om in een galerij een film te tonen. Video-installaties moesten een ruimte betrekken en dat was in het begin niet echt mijn ding. Al is dat nu veranderd.

The Perfect Wave, Looped HD Video projection without sound, 2014
Courtesy Tim Van Laere Gallery, Antwerp
Tokyo Giants, Video projection with sound, 22′, 2012,
Courtesy Tim Van Laere Gallery, Antwerp
Illumination, Video projection without sound, 15′, 2014
Courtesy Tim Van Laere Gallery, Antwerp)

HVC: Wanneer heeft Tim Van Laere (van de Tim Van Laere Gallery in Antwerpen) je opgepikt?
NP: Ik denk dat onze eerste tentoonstelling in 2004 was. Ik was toen nog maar een klein jaar terug in België. Ik ben onmiddellijk aan het HISK (Hoger Instituut voor Schone Kunsten) begonnen. En in het eerste jaar op het HISK, bij de eerste opendeurdag, stond Tim daar.

HVC: Ruben Bellinkx, je voorganger bij Be-Part, is ook onmiddellijk naar het HISK getrokken toen hij uit Nederland kwam. Zo kwam hij terug in contact met mensen uit de Belgische kunstwereld.
Wat heb jij op het HISK geleerd?
NP: Dat is geen opleiding. Het HISK heeft gewoon een studio en om de maand of om de twee maanden nodigen ze vier of vijf mensen uit de kunstwereld uit voor studiobezoeken. Curators en kunstenaars, mensen met wie je een gesprek van een uur hebt. Je leert vooral door samen te zijn en gesprekken te voeren met mensen uit het veld. Dat geldt zowel voorkunst als film als voor de meeste gemeenschappen. Dat is het weinige wat ik in mijn kunstopleiding heb geleerd. Maar dat is normaal.  Ik heb 15 jaar in het college van Ronse gezeten en ik ben daar ook buiten gekomen met het gevoel dat ik in die typische conservatieve opleiding heel weinig geleerd had.

HVC: Je leert inderdaad het meest uit feedback die je op je werk krijgt.
NP: Gewoon zien hoe de mensen op je werk reageren. Ik ben mij er altijd van bewust geweest dat jeals kunstenaar iets voor een publiek maakt. Ik heb dat nooit gedaan als zelftherapie. Ik heb altijd een publiek voor ogen gehad. Niet een specifiek publiek, maar mezelf als ideaal publiek omdat ik zeer kritisch ben.

HVC: Veel kunstenaars zeggen: "Ik denk niet aan mijn publiek als ik iets aan het maken ben." Jij blijkbaar wel.
NP: Ja, het is dubbel. Als ik iets begin te maken, als een werk ontstaat, heb ik geen publiek voor ogen voor wie ik dat werk ga maken. Ik denk niet: ‘Laten we eens nadenken over een idee voor dat publiek.’ Zo gaat dat niet. Ik heb altijd heel intuïtief gewerkt. Dat begint nu een beetje te veranderen, maar ik ben eigenlijk altijd gestart vanuit het beeld. De kracht van het beeld zelf. Vanuit het gevoel. En pas daarna, tijdens het proces, komt het brein erbij kijken.

HVC: Volgde je in die tien jaar dat je in Noorwegen was, ondertussen ook wat er in België op kunstgebied  gebeurde?
NP: Neen, ik ben daar niet zo actief mee bezig geweest.

HVC: Welke Noorse kunstenaar  moeten wij in België onthouden? Afgezien van een winnaar van het Songfestival zou ik in geen 100 jaar weten wie daar artiest, laat staan een goede kunstenaar is,.
NP: Ik weet dat Bjarne Melgaard toen heel bekend was. Hij wordt omschreven als een van de belangrijkste Noorse kunstenaars en de beroemdste sinds Edvard Munch.

HVC: Heb je nooit de aandrang gevoeld om een andere beeldtaal te hanteren?
NP: Ja, toch wel. Elke kunstenaar droomt ervan een goede schilder te zijn. In mijn jeugd heb ik een beetje geschilderd. Ik heb vele avondlessen gevolgd. Ik heb veel getekend. Maar vanaf het moment dat ik op de academie zat, ben ik onmiddellijk beginnen experimenteren met het weinige videomateriaal dat toen beschikbaar was. En ik ging toen al volledig mijn eigen weg. Je ziet dat gewoon zo gebeuren. Ik dacht daar niet veel over na.

HVC: Ook toen was ‘sound’ al belangrijk, las ik in interviews. Het was niet alleen beeld-beeld-beeld, maar ook wel klank. Denk je bijhet monteren er automatisch klank bij? Of is het soms door iets te horen, dat je aan een beeld denkt? Waarschijnlijk loopt dat door elkaar, niet?
NP: Meestal bewerk ik beeld en geluid samen als ik iets aan het monteren ben, want ik zie dat eigenlijk als beeldhouwen met beeld en geluid, als iets nieuws sculpteren. Of het nu met 'found footage' is, met footage die ik zelf maak om de puzzels op te lossen, of geschreven footage: ik zie dat als sculpteren.

HVC: Je grootste inspiratiebronnen, las ik in een kort interview in Humo, zijn existentialistische films uit de jaren 70: Paul Schrader, John Cassavetes en Martin Scorsese. Lievelingsthema: antiheld zoekt naar bevrijding. Een mooi verhaal is voor jou een man die op zijn kamertje worstelt met zijn demonen en op zoek gaat naar verlossing.
NP: En niet te vergeten: Lynch, Hitchcock en Kubrick. Dat zijn inderdaad de filmmakers die op mij de grootste indruk gemaakt hebben. Die ook het meest menselijk zijn. Met wie ik mij het meest mee identificeer. Ik vind dat nog altijd zo. Mijn film ‘The Invader’ heeft dat ook, hé. Dat is ook uit een gevoel gekomen. Het is pas nu dat ik besef dat ik sterk geïnspireerd werddoor mensen als Paul Schrader. Ik ben hem dit voorbije jaar aan het herontdekken. Ik schrik mij een bult als ik merk hoe onderschat Paul Schrader is. Er zijn vandaag heel weinig filmmakers die nog zoveel over het fenomeen cinema nadenken als hij. Denk aan zijn laatste film 'The Canyons', die hij in Venetië gepresenteerd heeft. Hij heeft die met 150.000 dollar gemaakt, via Kickstarter, naar een verhaal van Bret Easton Ellis. Hij probeert om op een nieuwe manier films te maken, zonder de studio's, met het geld van de kijker en via een eigen distributiekanaal. Zijn film is niet 100% geslaagd, maar er zijn heel weinigen die nog vernieuwing willen brengen. Ik deel met hem het gevoel dat cinema zichzelf de laatste tien of vijftien jaar echt aan het herhalen is. Er worden nog heel goeie films gemaakt, maar de tijd van de film als kunstvorm is voorbij. Het is heel moeilijk om nog zo'n films te maken.

HVC: De rompslomp errond lijkt me lastig. Alleen al om het budget bijeen te krijgen.
NP: Ja, maar ook omdat alles zo mainstream is geworden. Zo politiek correct.

HVC: Er wordt vooral gedacht: hoeveel mensen krijgen we naar de cinema? Hoe verdienen we eraan?
NP: Die B-films worden gewoon niet meer aangekocht door de distributeurs. 'The Invader' ook niet: die film heeft internationaal vele prijzen gewonnen en op de beste filmfestivals goeie kritieken gekregen. Een droomparcours op de festivals! En dat is bijna niet opgepikt door de internationale distributie, omdat ze schrik hebben. De film is immers gemaakt door een kunstenaar en er speelt een zwarte in die ze niet kennen. Ze horen dat het over racial issues gaat vanuit een perspectief waar de kijker zich ongemakkelijk bij voelt en  dat hem betrekt als kijker. Het was niet mijn bedoeling dat de film je schuldgevoelens geeft, maar hij doet je nadenken over vooroordelen. Het gevolg voor de film is het echt wel ‘the usual': het kleine distributieparcours in België, in de kleine cinema's.

HVC: Waar is je film te koop?
NP: Dat weet ik niet. Ik heb zes jaar aan de film gewerkt, en ik heb bij elke stap van het proces zoveel mogelijk controle proberen te houden. Maar de allerlaatste stap van de distributie, daar kan ik niks aan doen. Ik heb dat van mij moeten afzetten. Dat gaat via de producent.

HVC: Je hebt ook 'The Painters' gemaakt, een drip painting met penissen. Toen ik dat zag, dacht ik: "Oh my god! Waar komen al die penissen vandaan?”
NP: Dat is een nieuw werk. Dat gaan we in oktober 2014 tentoonstellen in de Beursschouwburg.

HVC: Het deed wel wat stof opwaaien, maar ik denk niet dat het jouw bedoeling is om seks of erotiek op te wekken of de mensen geil te maken.
NP: Nee, nee. Als dat zo is, zoveel te beter. Maar het is eigenlijk een opdrachtfilm van CCCB (Centre de Cultura Contemporània de Barcelona), het cultuurcentrum van Barcelona. Zij hebben een grote tentoonstelling gehouden over de geschiedenis van het scherm. Dat was in Barcelona het grootste evenement van het seizoen.
                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                Ze Ze wilden  mijn horrorfilm 'Long Live the New Flesh' tonen. En ze wilden een nieuw werk. Ze hadden mij gevraagd om iets te doen met pornografie. In de horrorfilm was het mijn bedoeling om net de gruwelijkste beelden uit ons filmgeheugen te nemen en die zodanig esthetisch te transformeren dat het resultaat de horror transcendeert en het iets anders wordt. En zij hoopten op eenzelfde resultaat met pornografie. Maar toen ze het zagen, waren ze gechoqueerd en wilden ze het werk niet tonen. Wat heel bizar is, want het is hun eigen vraag. Nadien zeiden ze: "We hadden gedacht dat je het ontoonbare zou kunnen tonen."

HVC: Hoe ben je aan die film begonnen? Koelbloedig?
NP: Nee, het zijn dingen die ik van het internet heb gehaald. Ik heb een beetje vanalles geprobeerd. En met gewone pornografie was het een beetje saai. Ik heb ontdekt dat het met alleen cumshots interessantst werd. Omdat ik dan de beeldende kunsten kon ingaan. En zo kwam ik bij Jackson Pollock en zijn drip paintings terecht.

HVC: Je zegt dat het met mensen leuk samenwerken is. Je had dat ook voor ‘The Painters’ kunnen doen. Een uurtje live  filmen was misschien plezanter dan naar pornosites surfen? En het was voor de kunst, dus niemand kon jou vies vinden.
NP: Nu je het zegt, ik heb daar eigenlijk niet aan gedacht.

HVC: Volgende keer?
NP: Volgende keer!

HVC: Voor wie nieuwsgierig is: de film is helaas nog niet te zien in Be-Part.

Het man-vrouwthema blijkt je ook te interesseren. Zo heb je een film gemaakt waar er bijvoorbeeld constant wordt gekust en één waar er nét niet gekust wordt. Beide fijn om zien eigenlijk.
NP: Als je een verhaal wil vertellen en personages gebruikt, moet je sowieso over relaties vertellen. Of het nu tussen twee mannen is of tussen een man en een vrouw, dat blijft hetzelfde. Voor die kusfilm wilde ik gewoon visueel de passie van een kus tonen. Zo is dat begonnen. Vandaar de naam ‘Gravity’, de zwaartekracht die je verliest. Tijdens het proces ontdekte ik dat ik een verhaal kon vertellen, maar dat wist ik niet op voorhand. Eerst dacht ik: “Hoelang kan ik het volhouden om gewoon kussende mensen te tonen? Hoe kan dat visueel en met welke techniek?” Door beelden te verzamelen, ben ik dan beginnen te monteren volgens een verhaal: je kijkt naar elkaar en je wordt verliefd. Je hebt de eerste kus, dan de grote liefde, dan de twijfel, dan het drama en het verlaten en dan is er het verdriet. En dat is een cyclus die altijd terugkeert.

HVC: Helaas.
NP: (lacht) Inderdaad, alles draait in cirkels. 

The Invader
HVC: ‘The Invader' was je eerste echte filmterwijl je geen verhaaltjesverteller bent, zeg je. "Een mysteriethriller, een liefdesdrama, een surreële nachtmerrie die wisselt van genre en van toon", stond er in Knack. Je wilde een commerciële film maken, maar je wilde ook mensen terug leren kijken naar beelden.
 Kan je iets vertellen over de periode voor, tijdens of na de productie? Wat is het mooiste voor jou nu die film uit is? Wat heb je er zelf uit geleerd?
NP: Ik heb altijd langspeelfilms willen maken. Het moest ervan komen. Maar ik heb dat wel altijd gezien als een deel van mijn beeldende kunsten. Technisch gezien zijn dat twee verschillende carrières. Omdat het twee verschillende werelden zijn. Met andere wetten. Maar voor mezelf als kunstenaar heb ik daar geen verschil in gemaakt.

HVC: Dat is toch ook weer andere koek dan een kortfilm maken? Je moet meer rekening houden met budgetten, mensen, een productieteam, enzovoort ?
NP: Ja, maar ik ben audiovisueel kunstenaar. En een idee, een concept of een verhaal heeft altijd zijn eigen tijd. Ik ben niet met die tijden bezig. Sommige werken duren één minuut, andere vier minuten. ‘Exoticore’ is een ‘mid-length film’ van een half uur. Een speelfilm is 90 minuten lang. Dan moet je je aan meer regels houden. Je bent niet zo vrij. Maar ik zie dat als een uitdaging. Ik heb gekozen voor een simpel, maar universeel verhaal dat zeer toegankelijk is zodat er ruimte is om mijn beeldende kunsten binnen te smokkelen.

The Invader
HVC: Slorpen te veel, te moeilijke, te ingewikkelde personages en plotten niet zoveel tijd op dat het je artistieke vrijheid helemaal verpest?
NP: Inderdaad. Dan ben je gewoon een verhaal aan het vertellen. In mijn geval: had ik mij alleen op een verhaal gefocust, dan zou het een totaal andere film zijn geweest.

HVC: Werkte het niet op je zenuwen dat je met zoveel mensen moest samenwerken?
NP: Neen, integendeel! Van in het begin van het proces hadden mensen rond mij uit die wereld schrik dat ik als kunstenaar veel vrijer zou kunnen werken met een klein team, met improvisatiemogelijkheden. Maar uiteindelijk bleek dat er bij het maken van een film nooit genoeg tijd is. Dat je voortdurend tegen de tijd aan het vechten bent. En zelfs al hadden we toen voor een klein team gekozen, dan nog was er geen tijd om genoeg te improviseren, om dingen uit te proberen. Dus was ik heel blij dat er een groot team voor mij was. Want die vele mensen zijn er voor een reden. Ze zijn er allemaal om je te helpen. Het kan er alleen maar beter op worden. In mijn geval was dat niet logger.

HVC: Maar die mensen moeten betaald worden. Jij hebt eigenlijk niks met die financiële kant te maken. Jij kon een film maken. Het was niet dat jij dat moest bekostigen, denk ik. Is dat iets wat je aan anderen overlaat, geld zoeken voor je projecten?
NP: Sowieso nemen producenten in Europa geen risico's, want het is allemaal geld van de staat. Al mijn korte werken heb ik zelf geproduceerd, maar dit was een uitnodiging van een producent die mij in 2004 had aangesproken om samen met hem een langspeelfilm te maken. Dan ben ik beginnen nadenken over een idee. Ik vond het in elk geval tijdens de opnames met alle mensen rond mij een zeer fijne samenwerking. Het is wel zo dat ik in de eerste weken al besefte hoe zwaar dat was. Ik dacht: “Dit doe ik maximum om de vijf jaar.” Maar halverwege de opnames had ik al zoveel mooie dingen met goede acteurs gedaan dat ik toen wist: “Ah ja, oké, daarvoor doe je dat: om samen met acteurs personages te creëren en samen magie te maken.” Als je met goede acteurs werkt is dat kicken. Niet normaal!

The Invader
HVC: De acteur is nogal charismatisch.
NP: Issaka (Sawadogo)! Ja! Maar ook mensen zoals Tibo Vandenborre, die de partner speelt van de vrouw. Die was zo goed, zowel tijdens de opnames als in de postsynchronisatie. Ik moest altijd een sjaal voor mijn mond houden omdat ze mij hoorden lachen tijdens de opnames. Het was gewoon kicken op het professionalisme van die acteur.

HVC: Voor 'Illumination' heb je niet samengewerkt met mensen. Het lijkt alsof je stiekem filmt. Zagen die mensen dat iemand hen zat te filmen? Nee, hé? Want mensen gedragen zich anders vanaf het moment dat er een camera op hen gericht wordt. Jozefien Van Beek schreef in Humo: “Provost als hedendaagse Caravaggio, clair-obscur, vastgelegd met een highspeed camera in New York. Blijkbaar op een plek in Manhattan, waar de zon maar één keer per jaar zo staat, waardoor die natuurlijke clair-obscur ontstaat.”
Hoeveel uren sta je te filmen als je zoiets als 'Illumination' maakt?
NP: Ik heb er vijf avonden gestaan tussen zes en negen uur ‘s avonds, maar er waren maar drie avonden de moeite om te filmen. De week daarna was de zon al niet meer goed.

HVC: Die film was onlangs te zien bij Tim Van Laere. Je toont die ook hier in Be-Part. Was er bewust geen audio bij?
NP: Soms heeft een werk geen geluid nodig en vertrekt het werk puur vanuit de fotografie, vanuit de schilderkunst. Dat heeft niks met cinema te maken. Je moet iets hebben om over je werk te praten.

HVC: Maar eigenlijk zou je bij zo'n werk het liefst niks zeggen?
NP: Neen. Maar ik word altijd geïntroduceerd. In de bio op mijn website staat dat ik filmtaal en de grammatica van de filmtaal bewerk. Al is dat niet bij al mijn werk zo.

HVC: Hoe ga je te werk? Zo van: ‘Hé, wauw, er valt hier mooi licht!’? En daardoor kom je dan op het idee: “Ik kom hier eens filmen.” Is het zo dat dat werkt?’
Is dit een werk dat bijna spontaan of bij toeval is ontstaan?
NP: Ja, maar dat is een proces en tijdens dat proces gebeurt dan zoiets. Want eigenlijk had ik die camera gehuurd om iets totaal anders te filmen. Dat was mislukt. Ik wou het vuurwerk van de 4th of July in Manhattan filmen. Niet het vuurwerk, maar de mensen die ernaar kijken. Close-ups van gezichten. Ik hoopte op gezichten van mensen die naar iets magisch aan het kijken zijn, met kleuren die veranderen: ‘people in awe’ of ‘something that’s mysterious’. Maar dat werkte niet. Er was niet genoeg licht en mijn slow-motioncamera begon met straatlicht te flikkeren.
Ik ben de dag nadien gewoon blijven zoeken en heb heel toevallig die plek gevonden. Ik heb daarna nog een maand gezocht in heel Manhattan om nog zo'n plaats te vinden. Die bestaat dus niet, hé.
Toen heb ik gesnapt dat ik veel meer zelf op het veld moet gaan filmen in plaats van met found footage bezig te zijn. Maar die found footage heeft mij altijd heel erg gefascineerd. Bestaande beelden, die je vindt op het internet, een tweede leven geven, of iets totaal nieuws creëren, waarbij het origineel materiaal er niet meer toe doet.
Sinds de digitale revolutie is alles heel snel veranderd. En de manier van omgaan met audiovisueel materiaal, en de manier waarop je ernaar kijkt, zijn totaal veranderd.
Paul Schrader vertelde onlangs dat in het begin van de jaren 70, in de gouden tijden van de Amerikaanse directorsgeneratie, er nog zoveel in de filmtaal viel te ontdekken. Die generatie filmmakers had echt wel iets te vertellen, want toen zijn er enorm veel revoluties geweest: de Civil Rights, Gay Rights, Women Rights. Er was nog vanalles waartegen te vechten viel. En de vorm was ook simpel. Cinema was cinema. Je ging naar de cinema om naar een film te kijken en er was niks anders. Maar vandaag is cinema totaal verward. We weten niet meer wat dat is. We gaan niet meer zoveel naar de cinema, want we kunnen nu thuis alles zien op tv of downloaden. Je kijkt op je telefoon nu. Het wordt op een andere manier gefinancierd, op een andere manier gedistribueerd. Op internet beginnen mensen hun eigen televisieprogramma's te maken, zoals interviewprogramma's, die soms populairder zijn. Kijk naar Obama bijvoorbeeld. Om zijn Obamacare te promoten hebben ze met een communicatieteam goed nagedacht en hebben ze hem laten interviewen door Zach Galifianakis. Dat is een Amerikaanse stand-upcomedian die zijn eigen showke heeft op internet, waar hij bekende mensen interviewt. En zowel hij als de geïnterviewde voelen zich zeer ongemakkelijk. Maar het is gespeeld, het is een spel. Maar het is zo grappig! En ze hebben het risico genomen om Obama door hem te laten interviewen. Het is magnifiek! Want Obama heeft humor. Dat is een slimme gast. En hij heeft door dat initiatief enorm veel populariteit teruggewonnen. Ze hebben een risico genomen. Om maar te zeggen hoe alles zo heel snel verandert nu. Schrader zegt ook: "Bij film heb je inhoud en vorm. Maar de vorm ondergaat een revolutie nu. We zitten er midden in. Dus is het moeilijk voor de inhoud om boven water te komen." Daar ben ik het volledig mee eens!
Kijk naar 'The Invader': mijn plan was om iets te maken dat toegankelijk is en dat zijn tijd kan meegaan, maar ik vind dat dat verdronken is. Gewoon omdat er zoveel aanbod is en alles wordt opgegeten door commercialisme. Zelfs de arthouse cinema's kunnen een film als 'The Invader' al bijna niet meer tonen. Ik sprak met de filmfestivaldirecteur van Tribeca, die vroeger in Cannes zat. En hij zei: "Uw film, dat is een museumstuk." Ik was echt geschrokken toen hij dat zei. Ik snapte totaal niet wat hij bedoelde. Voor mij was dat gewoon een zeer toegankelijke film waar goed op gereageerd is door het gewone publiek. Dus ik dacht: “Ik moet dat misschien als een compliment opvatten.” Maar hij bedoelde daarmee dat het een film is waar heel moeilijk een platform voor te vinden is. En dat was totaal mijn bedoeling niet!

HVC: Je bent nu toch opnieuw een film aan het schrijven, las ik in Humo. Een genrefilm, iets in de misdaadsector, zwart en pessimistisch zelfs. Je houdt van de dunne grens tussen realiteit en droom en nachtmerrie. Je vindt het ook fijn om te spelen met fictie en non-fictie. Je manipuleert graag tijd, code en vorm.
NP: Ja, we zullen zien. Want het is nu het begin. En mijn idee was om een zeer donkere detectivefilm te maken met een serial killer. Het gaat niet om de serial killer, hé, het gaat om de detective. Maar ik wou nu eens echt iets heel, heel donker maken. En kijken hoever ik kan gaan. Ik liet me een beetje inspireren door 'Henry: Portrait of a Serial Killer'. Ik weet niet of je die film gezien hebt? Het is een horrorfilm van begin jaren 80 die revolutionair was in zijn genre, omdat hij realisme geïntroduceerd heeft in het horrorgenre. En nu heb ik de nieuwe HBO-serie 'True Detective' ontdekt. Amai, dat is donker! Daar schrik ik mij een bult van. Dat is eigenlijk absoluut de sfeer die ik wou creëren. Wat zal ik nu doen? Zal ik nu een stap verder gaan of zal ik iets totaal anders doen?

HVC: Jij moet eigenlijk als hobby- en studiemateriaal naast al het werk dat je hebt, het materiaal van anderen bekijken. Als je niks te doen hebt, zet je dan sowieso een film op?
NP: Oh, maar ik bekijk sowieso al een of twee films per dag, al mijn hele leven.

HVC: Omdat er zoveel te zien is? Om uit te leren? Ook als je 12 uur in de montagekamer hebt gezeten, heb je 's avonds nog die neiging?
NP: Ja, het is waar, na 'The Invader' heb ik wel een periode gehad waarin ik geen speelfilm meer kon zien. Dat heeft een jaar geduurd. Ik ben sinds een jaar weer bijna elke avond naar één film aan het kijken. En ik neem de hele tijd notities. Voor mijn vriendin is dat nogal ambetant.

HVC: Je werkt afwisselend in Ronse en in New York. In het interview met De Morgen zei je aan Griet Op de Beeck: "Kunstenaar zijn is eigenlijk ook een vloek. Het ergste is nog dat je tot het einde van je leven met onrust in je hoofd zal moeten werken.” Na een vijfdaagse vakantie vroeg je jezelf af: “Waar ben ik in godsnaam mee bezig?” Want wij zijn altijd met ons ding bezig. Ik heb dat ook. Je zei ook nog: “Kunstenaar zijn is je een outsider voelen. Ook veel eenzaam zijn.” Mensen weten niet dat jij tijdens een week in Ronse bijna niemand ziet. En van 's ochtends tot 's avonds met jezelf geconfronteerd wordt.
NP: Mijn familie heeft een buitenverblijfje in Ronse dat ik een paar jaar geleden gerenoveerd heb. Als we in België zijn, kunnen we daar logeren.
Weet je, je hebt twee manieren van werken: ofwel werk je voor een baas, ofwel ben je zelfstandig. Als je voor een baas werkt, is het comfortabeler, in die zin dat je voor veel dingen geen verantwoordelijkheid moet nemen. En dat je zekerheid hebt. Maar je hebt dan ook minder tijd. Je bent voor een lange tijd van je leven gebonden aan een vaste structuur, waarbij je niet te veel risico's kunt of durft nemen. Het is vooral durven. Ofwel werk je zelfstandig, zoals zelfstandigen of kunstenaars of mensen die hun eigen geld maken door dingen te maken die anderen willen. Maar als kunstenaar moet je jezelf blijven herontdekken, zelfs heruitvinden. Je kan volledig vrij bepalen hoe je je tijd gebruikt, maar de kunst is om de balans te vinden tussen vrede en onrust. Rust en onrust.

HVC: Het erge is dat mensen niet altijd mee, hé.
NP: Vooral als je volledig alleen werkt. Ik heb dat voor mijn beeldende kunsten altijd gedaan. Dan neem je je zorgen altijd mee. Maar dat ligt ook in de natuur van mensen. Je hebt er die daar beter mee om kunnen dan anderen. Maar ik wil zeker niet klinken als de klagende kunstenaar.

HVC: En jullie moeten dan inderdaad nog creëren. Voor mij is het meer productief en vindingrijk zijn.
NP: Ja, dat is waar. Dat is een verschil. En ik denk dat dat door veel mensen serieus onderschat wordt: hoeveel moed een kunstenaar heeft. Om zo in het leven te staan en te proberen overleven van een visie. Want een kunstenaar staat in het leven met een visie. En daar moet je heel veel moed voor hebben, vind ik.

HVC: Ik vind het altijd raar als ik in ateliers kom, dat ‘kunstenaars’ niet meer beschaamd zijn om hun werk te tonen.
NP: Waarom?

HVC: Ik zou beschaamd zijn. In de eerste plaats omdat zo’n bezoeker toch om het even wat kan zeggen. Of die er nu iets van kent of niet. Foute kritiek breekt toch altijd een beetje je persoonlijkheid af.
NP: Daaraan zie je dat een kunstenaar wel heel goed weet waar hij mee bezig is.
Er is bijna geen keuze. Ik denk dat veel kunstenaars gewoon zo geboren zijn. Er is een reden waarom ik op mijn 30ste gesnapt heb: “Oh my God, als ik het nu niet doe, zal het mij voor de rest van mijn leven spijten.” Want ik ben gewoon een kunstenaar. Ik moet dat niet verdringen.

HVC: Maar jezelf een kunstenaar noemen is ook al een stempel, is ook al een soort van hoogmoed. Dat je dat durft te zeggen: “Ik ben een kunstenaar.” Want eigenlijk wil je dan zeggen: “Ik ben een schepper.”
NP: We zijn nu toch al 2014. Ik denk dat de mensen allicht weten dat een kunstenaar een normale mens is. Ik heb echt geen schaamte meer om dat te zeggen. Vroeger was dat wel een probleem: “Ben je nu een kunstenaar of een filmmaker? Of iets tussen de twee? Ik heb mij nooit die vraag gesteld. Ik heb mij altijd een beeldend kunstenaar gevoeld. Ik ben nu toevallig met het medium filmtaal beginnen werken. Maar dat evolueert ook, en ik vertrek nu ondertussen al veel meer vanuit fotografie en schilderkunst. 'Illumination' bijvoorbeeld heeft niets met cinema te maken. Niets! Het enige wat er misschien mee te maken heeft, is dat ik door mijn ervaring weet hoe je een spanningsboog kunt creëren. Dat vind ik nog altijd het interessantste aan het werkproces. Je hebt een idee. Of dat nu conceptueel ontstaat, vanuit het brein of gevoelsmatig vanuit het hart, je moet altijd iets vertellen dat een tijd heeft. Ik heb altijd gekozen om met een spanningsboog te werken omdat ik er mij altijd van bewust ben dat ik een publiek heb. Ik toon dat op filmfestivals als een totale audiovisuele ervaring in het groot. Maar dezelfde werken moeten ook kunnen werken in het klein, als een klassiek schilderij aan de muur in een museum of gelijk welk kunstplatform. En dan heb je een publiek dat daar niet zoveel tijd voor heeft. Want als publiek in de kunsten bepaal je zelf de tijd die je schenkt aan een werk. Dus heb ik altijd geprobeerd om het publiek te charmeren: met beelden die fascinerend genoeg zijn, die intrigerend genoeg zijn om te blijven kijken. En dan weet ik dat door hard werk je iets kunt maken waardoor de mensen zin hebben om te blijven kijken.

HVC: ‘Illumination’ duurt een kwartier. Is er een verschil tussen iemand die hier in Be-Part slechts een shot van drie minuten ziet en dan doorwandelt, en iemand die de film helemaal uitzit ? Met welk ander hoofd gaat die naar buiten? What’s the difference?
NP: Dat is onmogelijk voor mij om in te schatten. Maar ik maak het om een kwartier naar te kijken.

HVC: Je zou kunnen denken: er is geen echt eind en geen begin.
NP: Nee maar, ik vind het ook geen probleem als een kijker bijvoorbeeld in het midden binnenkomt, maar dan zin heeft om de volledige loop te maken tot het terug bij het midden komt. Dan is mijn opdracht volbracht.

HVC: Wat is jouw grootste frustratie bij kunst of film maken? Wat zou je willen dat anders was? Of welk talent zou het jou ietsje gemakkelijker maken?
NP: Schilderen, hé. Ja, natuurlijk. Schilderkunst blijft!

HVC: Als je kon schilderen, zou je geen films meer maken?
NP: Dan zou ik waarschijnlijk beide doen.

HVC: Ik ben even aan het denken, zijn er veel kunstenaars die beide doen? Michaël Borremans misschien?
NP: Toch niet echt. Michaël is een schilder.

HVC: Geboren als kunstenaar, maar schilder geworden, zegt hij. Zijn film is meer een experiment.
NP: Michaël is een goede vriend van mij. Hij heeft een carrière om u tegen te zeggen. Ik ben natuurlijk niet jaloers. Maar in het diepste van mijn dromen, zoals heel veel kunstenaars, was ik ook liever een schilder geweest die alleen is met zijn doek en met zijn kleuren. Dat vind ik persoonlijk nog altijd de puurste vorm van kunst. Omdat je altijd één bent met kleuren. En het is de oudste kunstvorm. En die blijft tot vandaag nog altijd nummer één. Er is een reden waarom dat vandaag nog altijd dé kunstvorm is.

HVC: Michaël zegt ook: "Je mag het niet onderschatten. Het is wel telkens een wedstrijd spelen." Hij wandelt niet al fluitend naar zijn atelier. Hij moet daar zijn demonen bevechten en hij moet opgeladen als een topsporter naar zijn doek stappen.
NP: Je mag me niet verkeerd begrijpen. Ik weet dat het even moeilijk is als andere mediums. Daar ben ik mij zeer van bewust. Net omdat je geen andere middelen hebt om het werk volledig te maken. Je hebt alleen je doek en je kleuren, and that's it. Maar met die twee dingen, en hetgeen er in je zit, in je hart, kan je iets doen zoals Michaël.

HVC: Wat onderscheidt jou als kunstenaar? Waarom moeten de mensen naar Be-Part komen in Waregem? Bij jou is het anders dan bijvoorbeeld bij Ruben Bellinkx. Die bracht een soort verhaal, in één sfeer. Het ging allemaal over eenzelfde iets. Bij jou is elke film één cocon. De toeschouwer moet iedere keer weer loslaten om naar de volgende film te gaan.
NP: Ja, elk werk dat ik maak, staat op zich. Daar heb ik bij de opbouw wel rekening mee gehouden. De eerste drie werken heb ik gekozen omdat ze vanuit de beeldende kunsten starten: 'Illumination', 'Perfect Wave' en 'The Invader'. 'The Dark Galleries' en 'Tokyo Giants': dat is filmtaal. Die films hebben ook geluid. Die houd ik voor het laatste deel van de tentoonstelling. Je moet terug door het parcours naar het begin gaan. Dan kun je gaan uitrusten bij de eerste films waar geen geluid is en waar je meer tot rust kunt komen. Zo heb ik het uitgedacht. Het is inderdaad zo dat al mijn werken heel zelfstandig zijn. De meeste werken zijn ook zeer vol. Ik weet dat een tentoonstelling waar ik meerdere werken toon, zwaar is voor de kijker omdat al die werken ook op emotie werken. Daar heb ik van in het begin geen enkel probleem mee gehad. Omdat ik vind dat een beeld puur emotioneel is. Als je naar een beeld kijkt, kijk je vanuit het hart en met je brein.

HVC: En vanuit een persoonlijke ervaring?
NP: Ja. Ik vind het een kunst om iets te maken, waarbij de ervaringen vanuit het brein én vanuit het hart, in perfecte balans komen. Als je die perfecte balans bereikt, is het resultaat emotie. Dus uiteindelijk is beeldende kunst gelijk aan emotie.

HVC: Als mensen zeggen: "Er komt bij mij geen emotie aan te pas”, dan is dat geen kunst voor jou?
NP: Ik heb geen behoefte om waarheden te verkondigen. Het is mijn manier om in het leven te staan en ik word daardoor ontroerd. Ik maak dingen in de hoop dat ik die ontroering kan doorgeven. Maar iedereen staat in het leven op zijn manier en kijkt naar de dingen op zijn eigen manier, en dat is het mooie. Dat is fascinerend. Ik heb nooit iets ‘gewild’. Daarom heb ik ook nooit politiek werk gemaakt. Ik zeg niet dat een kunstwerk dat politiek geladen is, minderwaardig is, maar ik heb van kleins af aan nooit zo naar kunst gekeken. Ik kan er alleen maar aan werken op mijn manier.

HVC: Ik vond het wel mooi dat je zei: "Ik vermijd het om politiek correct werk te maken.” In het interview met Griet Op de Beek zeg je dat je als kunstenaar de verplichting hebt om het grote geheel te zien. En dan kan je je toch alleen maar ergeren aan wat politiek correct is.
NP: Ik vind het verschrikkelijk! Ik vraag dat heel vaak aan mensen die ouder zijn dan ik: of de tijdsgeest toen zij jonger waren, even politiek correct was als nu? En iedereen zegt dat dat niet zo was. Want de laatste tien jaar heb ik het gevoel dat alles enorm mainstream en politiek correct geworden is. En dat jongere generaties nu ook al zo beginnen te denken.

HVC: Je denkt dat het alleen maar zal verergeren?
NP: Ik denk het niet. Want alles draait in een cirkel, hé. Alles komt altijd terug. Bij 'The Invader' was dat ook van in het begin mijn bedoeling: ik wilde een film maken, geschreven op maat van Issaka, omdat we een zeer sterke band gecreëerd hadden tijdens twee eerdere werken. Ik wist dat het in België zou zijn. Ik wist dat het in Brussel zou zijn omdat ik dat de meest cinematische stad vind. Ik was toen heel erg begaan met de migratieproblemen omdat ik zelf tien jaar geprobeerd heb me te integreren in een ander land. Het fenomeen van migranten die hun leven riskeren voor een beter leven. Mensen die met hele families gewoon met niets ergens van nul moeten beginnen. Ik denk niet dat wij ons kunnen inbeelden wat dat is. Maar ik wou niet een zoveelste politieke film maken waar je de migrant in het vierkant doosje van het slachtoffer stopt, met wie wij dan medelijden moeten hebben. Zo gemakkelijk is dat niet. Zo werkt de wereld niet. Migratie is er geweest vanaf Adam en Eva. Het is niks nieuws. Het is iets zeer gecompliceerds. En overal ter wereld heb je mensen die geven en mensen die nemen.
Ik vind niet dat wij ons in Europa moeten schuldig voelen om iets. Het is een moeilijke situatie voor iedereen. Ik wilde die Afrikaanse immigrant gewoon als mens tonen: ik wilde niet dat hij zwart of Afrikaans was en ik heb hem in de film ook geen geschiedenis gegeven. Ik wilde hem echt als een cinematische antiheld tonen. Iemand die vecht tegen zijn eigen demonen en tegen de rest van de wereld, net zoals iedereen. Daarom vind ik dat de antiheld in de cinema het mooiste personage is. Dat gaat het diepst. Ik vind dat bijna spiritueel. Door Paul Schrader te herontdekken, zou ik bijna iets christelijks zeggen: omdat de antiheld zichzelf verliest, wil hij - voor het te laat is - een ‘coup de grâce’, een genadeslag, om op de een of andere manier de verlossing te vinden, om zijn bestaan te bevestigen. En dat vind ik het mooiste verhaal van de mens. Terwijl dat meestal kleine verhalen zijn. ‘Taxi Driver’ van Martin Scorsese is een superklein verhaal, maar ik vind dat nog altijd de mooiste film die er bestaat.
Ik vind ook dat we allemaal in de ‘storytelling business’ zitten. Hoe je het draait of keert: als je iets creëert, ben je een verhaal aan het vertellen. Of dat nu een popsong van drie minuten is of whatever: je bent een verhaal aan het vertellen met een begin, een midden en een einde. Ik heb zo het gevoel dat – zeker vandaag – fictie een parallel universum is dat even belangrijk is als de realiteit zelf. Want kijk naar jezelf: je bent opgegroeid met cinemataal of met literatuur. Als je niet aan het werken bent of niet met je familie bezig bent, doe je aan escapisme: je wil verhalen zien, horen, lezen. Het is al vanaf het begin zo geweest dat we elkaar verhalen zijn beginnen vertellen. Dat medium is altijd geëvolueerd. Voor mij is storytelling meer en meer een spirituele zoektocht. Maar uiteindelijk is er niks, hé. Zoals Woody Allen zegt: “There is nothing but a vast black nothingness.” Dat is toch zo! Je hebt ‘wij’, onze stad, onze provincie, onze staat, ons land, ons continent, de wereld, de werelden die er rond staan en daarna is het gedààn. En iedereen verdwijnt in as. We zitten ons hier druk te maken omdat wij een rusteloze ziel hebben. Hoe je het draait of keert: er is niks en wij proberen zin aan dat niks te geven. Alles draait daarrond. Voor mij is storytelling een spirituele zoektocht. Alle godsdiensten zijn storytelling. Het is blijkbaar allemaal fictie waar we behoefte aan hebben.

HVC: Wat is voor jou de meest beklijvende film of het meest beklijvende videomoment uit de geschiedenis?
NP: Het bloed dat uit de lift van ‘The Shining’ komt. Dat heeft op mij het meeste indruk gemaakt.

HVC: Luister je soms nog naar The Cure? Ik las dat je vroeger nogal into electronic body music was en dat dat ook invloed heeft gehad.
NP: Ik ben daar vlug van afgestapt. Ik had de eerste plaat van The Cure gekregen van mijn oudere neven toen ik twaalf jaar was. Ik was volledig new wave gegaan, terwijl mijn medestudenten meer de hardrocktoer opgingen. Ik ben die donkere kanten in de punk en new wave muziek blijven opzoeken en dat was wel heftig. Ik luisterde naar groepen als Psychic TV en Test Dept. Maar ik vind The Jesus And Mary Chain veel beter dan The Cure.

HVC: Als ik The Jesus And Mary Chain hoor, is het alsof er een warme gloed binnenkomt, alsof mijn hart opengekerfd wordt.
NP: Omdat dat een zeer donkere kant heeft, omdat de jaren 80 heel donker waren, omdat die muziek over het leven ging. Zo is dat niet meer. Maar het is onvermijdelijk dat wij het donkere opzoeken, omdat dat een schoonheid heeft. Ik ben op gitaarvlak onmiddellijk voor shoegazing gegaan. Denk ook aan My Bloody Valentine. Ik zag ze onlangs nog in New York en ze slaagden erin wel zeven minuten lang een geluidsmuur te maken. Je maakt het écht mee en je zit er gewoon in.
Je hebt twee soorten donkere, emotionele muziek: ik denk nu aan Catpower en Radiohead. Twee groepen waar ik niet naar kan luisteren, omdat mijn hart bijna breekt als ik ze hoor. Al zit er bij Catpower wel een warme, donkere klank in haar stem: er zit soul in. Radiohead is te koud voor mij. Ook in mijn eigen werk probeer ik in het donkere de schoonheid te zoeken en omgekeerd. Maar sinds tien jaar luister ik niet zo veel meer naar muziek als ik aan het werk ben. Ook weer omdat het zo emotioneel is voor mij.  

HVC: Om af te ronden:
Op de uitnodigingskaart van Be-Part staat te lezen dat de thema’s die veel aan bod komen, lust, liefde en lijden zijn: “ Nicolas Provost schuwt daarbij ook het gebruik van beelden uit ons collectief beeldpatrimonium niet. Zijn werk reflecteert over de grammatica van filmtaal, de ‘human condition’ in ons collectief filmgeheugen en de relatie tussen beeldende kunst en de filmervaring. Zijn films (en stills) lokken zowel herkenning als bevreemding uit en slagen erin de toeschouwer mee te nemen in een spel van mysterie, abstractie en ontroering”.

Robrecht Vanderbeeken noemt het oeuvre van Nicolas Provost een genre op zich. Hij schrijft ook dat hij de traditie van de videokunst subtiel opheft en verheft. Volgens hem speelt de kunstenaar met de cinemacodes om visuele gedichten te maken over onze werkelijkheid. Hij beschrijft verder zijn vormexperimenten nog zo: “Het zijn geen louter conceptuele stijloefeningen, want ze staan bol van beeldverhaal, humor en emoties. Het zijn geen zuiver esthetische beeldwerelden, want ze vormen ook een spiegelpaleis van reflecties op het medium. Het is geen kunst om de kunst, want daarvoor genereren ze te veel amusant leesplezier. Het is een ongeziene, absurde of abstracte beeldtaal, maar tegelijkertijd ook een collage van herkenbare, vertrouwde beelden, met heel wat knipoogjes naar filmklassiekers.” Hij schrijft dat Provost zichzelf graag als beeldhouwer omschrijft, een die met eigen beelden de kijker zowel emotioneel als intellectueel wil raken.

Nog iets aan toe te voegen, Nicolas?
NP: Denk je niet dat dit volstaat, Hilde? (lacht)

Hilde Van Canneyt, copyright 2014, met dank aan croxhapox.

Nicolas Provost stelt tentoon: BE PART? tot en met zondag 11 mei? Westerlaan 17 in Waregem
Openingsuren: dagelijks open (ook op zondag): van 11 tot 17 uur; op zaterdag: gesloten (enkel op afspraak voor groepen)
www.nicolasprovost.com
www.bepartlive.org/
www.timvanlaeregallery.com

statcounter