Interview met Ruben Bellinkx



Het boek: 'Hilde vraagt, 85 interviews met Belgische kunstenaars' is net uit,  te bestellen via http://www.hildevraagt.be/ of te koop in de fnac of betere boekhandel

Interview met Ruben Bellinkx (1975), Waregem, december 2013.


Hilde Van Canneyt: Hallo Ruben, we zitten hier samen op je solo-expo in Be-Part te Waregem. Ben je er zelf tevreden over?
Ruben Bellinkx: Heel tevreden zelfs. Ik heb de laatste tien jaar veel deelgenomen aan groepstentoonstellingen, wat heel plezant is, maar het punt is dat je altijd maar een klein stukje van jouw wereld kan tonen. Er was dus al lang een verlangen om een tentoonstelling te maken waar de bezoeker zich helemaal kan onderdompelen in mijn wereld. In 2011 had ik een iets kleinere solo-expo in Nest, in Den Haag, maar ik ben blij dat ik ook eens in België die gelegenheid krijg. Ik ben heel blij met Be-Part, omdat Be-Part heel ver is gegaan in mijn verhaal. Ze hebben de ruimte vrij drastisch verbouwd tot het goed zat voor mij. Dit toch omdat ik dat ‘onderdompelen’ zo belangrijk vind. Ik ben daar wel in geslaagd, denk ik.

HVC: Inderdaad, ik voelde me meteen ook ‘ondergedompeld in je wereld’ toen ik je expo bezocht
RB: Wat ik ook belangrijk vond nadat ik de uitnodiging ontving om hier te exposeren, is dat ik een externe curator kon kiezen. Dit omdat mensen die altijd curator zijn van een vaste plek, niet meer fris naar hun ruimtes kunnen kijken. Met alle respect voor Patrick Ronse natuurlijk! Hij kon zich trouwens direct in mijn vraag vinden. Ik heb daarvoor Dr. Maïté Vissault gevraagd, directrice van IKOB (Museum für Zeitgenosschische Kunst) in Eupen. Ik ken haar nog van in het HISK (Hoger Instituut Schone Kunsten). Zij heeft ook in 2006 de expo ‘Leere und Vision’ gecureerd, een expo met HISK-ers in Herfort . Daar is mijn installatie met ratten trouwens gemaakt. Het was fijn een partner in crime te hebben tijdens de opbouw van mijn expo. Zij had ook een frisse en heldere kijk op mijn werk van de laatste tien jaar. Eigen werk zit als kunstenaar soms te dicht op jezelf. Zo hebben we samen een interessant boeiend parcours voor de bezoeker – en mezelf - proberen ineensteken. We waren het er al snel over eens dat we alle media ineengevlochten wilden tonen. Deze ruimtes lenen er zich ook toe. Nochtans vinden veel mensen dit net een moeilijk platform om dingen te tonen, maar voor mij was het ideaal.


HVC: Ik vind de expo opgebouwd zoals ze moet zijn opgebouwd, en dat vind/zeg ik niet altijd. Er is een goed evenwicht en de films worden getoond hoe ze best worden getoond. Er is een mix tussen grote en kleine werken, enkele rustpunten… De werken dialogeren op zich niet voor mij – al is dat waarschijnlijk zo wel bedoeld – maar ik zie ze als kleine identiteitjes op zich.
In de tekst van Be-part las ik dat je werk veelal bestaat uit situaties waar gebruiksvoorwerpen, attributen en dagdagelijkse leefruimten hun vanzelfsprekende rol verliezen. Zo kom je al snel in het surrealistische verhaal. Al altijd een ‘ander’ oog gehad?
RB: Het werk dat ik hier om de hoek toon, Stream’, is een filmpje waar water in plaats van licht, uit de lamp boven op de tafel stroomt. Het is het eerste filmpje wat ik gemaakt heb, dit voor mijn afstuderen aan de Rietveld academie. In de laatste twee jaar van die studies, was ik vooral bezig met een onderzoek naar hoe geconditioneerd wij kijken naar onze leefomgeving. Ik vond het heel boeiend om te zien dat we anders rondom ons kijken als je iets gaat veranderen aan die condities. Ik heb toen een hele reeks werken gemaakt die dat in vraag stellen: vuur dat uit een kraan komt, tuinstoelen die ik uit een fout materiaal maakte, waardoor ze wegsmolten in de zon, enz… Ik was toen ook enorm bezig met foute materialen die hun doelstellingen gaan tegenwerken, waardoor ze niet meer doen wat ze moeten doen. Ik was in die tijd ook enorm gefascineerd door de films van André Tarkowski, vooral het droomachtige vond ik heel mooi in dat werk. Ik ben dan zelf ook veel op zwart/wit film gaan draaien. Ik vond film toen ook al belangrijk – 16 mm film en super 8 - omdat ik vind dat film veel meer de lichtnuances en schaduweffecten capteert en veel meer schilderkunstige kwaliteiten heeft dan het videobeeld. Kunstinstellingen en curatoren zijn niet altijd blij met zo’n filmprojector, omdat het fragiel is en meer aandacht vraagt dan een beamer. Maar ik hou niet van video. 

 

HVC: Het heeft zeker zijn effect: je films ‘werken’.
RB: Ik hou enorm van het surrealisme, maar het is niet iets waar ik naar refereer of teruggrijp. De beelden ontstaan veel meer vanuit een nieuwsgierigheid en een grens aftasten – zonder te shockeren - op een soort (on)mogelijkheid: “Wat gebeurt er als ik vier schildpadden onder een tafel steek?” Bij die hertenfilm – The Trophy – ging dat eigenlijk ook over een kinderlijke verwondering: “Hoe zou dat hertehoofd eruitzien als dat lijf nu eens écht achter die muur zit?” Eerst denk je: “Dat wordt een slapstick, dat kan je niet doen… tot je dat omdraait en denkt: “Dat wil ik net wel doen.”


HVC: Je vertrekpunt is de tekening. Van daaruit zoek je het medium waaruit je idee het best tot uiting komt. Christine Vuegen schrijft dat je vervoerd wordt door een wilde verbeelding: merkwaardige toestanden, vaak met dieren. Het lijken metaforen voor de samenleving en het menselijk gedrag.
RB: De basis is inderdaad tekenen. Ik heb eerst Steinerschool gedaan en was daar al heel veel aan het tekenen. Ik wist daar al: “Ik word tekenaar.” Dat idee van ‘kunstenaar worden’ was er toen nog niet. In het middelbaar ben ik dan ook avondschool gaan volgen op Sint-Lucas om er te leren academisch tekenen. Nadien heb ik voor Vrije Grafiek gekozen, omdat dat het dichtst bij het tekenen lag. Na twee jaar kon het me niet meer zo boeien – in die tijd was dat nog heel conservatief – en dan ben ik naar de Rietveld academie getrokken, een meer conceptuele school, waar de kunstgeschiedenis tenminste vanaf de jaren ’70 begon. (lacht) Daar ben ik filmpjes beginnen maken, maar besefte ik toch dat dat veel productiewerk en organisatie was: locaties zoeken, budget bij elkaar zoeken, enzovoort... Mijn projecten zijn ook niet zo evident dat ik ze maar even in mijn atelier uit mijn mouw kan schudden. En ik vind het op zich ook niet fijn een hele dag te mailen, te bellen en rond te rijden.
Op een gegeven moment werd ik heel jaloers op mijn vrienden die atelierkunstenaars waren en alleen maar puur artistiek bezig waren. Bij film maken heb je een idee en voor het eindresultaat er is, ben je minstens een jaar verder, in mijn geval dan toch. Op een gegeven moment voelde ik dat ik ook weer puur artistiek moest bezig zijn en ben ik weer bewust momenten gaan inlassen in mijn atelier – twee à drie maanden – om alleen maar te tekenen. Daarvoor heb je niks nodig: jezelf, potlood en papier. Je kan gewoon artistiek de dingen laten opborrelen. In die momenten, waar ik ook veel lees, voel ik me ook supergoed. Uit een paar van die tekeningen voel ik onmiddellijk dat ik daar een film uit wil destilleren. Andere tekeningen blijven op zich bestaan omdat die tekening genoeg zegt of genoeg tot de verbeelding spreekt. Zo ontstaan ook de meeste werken: de ene tekening volgt de andere op en dat beïnvloedt elkaar. Na die paar maanden ben ik het dan ook beu en heb ik het voor een tijdje gehad met dat tekenen. Dan wil ik die verstilling opzeggen en de weerstand opzoeken en begin ik een nieuwe film te maken: het is van het begin tot het einde een soort rush, waar ik enorm in op ga.
De inspiratie voor mijn ‘Honden’ ontstond in Moldavië, waar ik een tentoonstelling had. Je hebt daar heel veel roedels straathonden. Er stond daar toevallig een stoel en ik vroeg me af hoe honden daar op zouden reageren als ik zo’n stoel in zo een roedel zou gooien. Zo eenvoudig kunnen dus ideeën ontstaan....

Hier beneden in Be-part kan de bezoeker een film bekijken over hoe mijn werk tot stand komt. Voor ‘The Trophy’, mijn werk met het hert, ben ik wel drie jaar op zoek geweest naar het geschikte dier die dat kon of wilde doen. Mijn vriendin vond dat zo knettergek, dat zij vond dat ik dat de kijker wel mocht meegeven. Vandaar dat zij met de camera mij is beginnen volgen. Je kan het zien als een portret van mij als kunstenaar.


HVC: Nog even iets wat ik er wil tussensmijten: waarom trok je op je dertigste – vijf jaar na de Rietveld academie – toch nog naar het HISK? Wat hoopte je er nog ‘te vinden’? Had je nog ‘tijd’ nodig? Of ‘leermeesters’?
RB: Na mijn studies had ik even geen zin meer in een instituut of geen behoefte meer aan feedback: ik wilde ‘voor echt’ beginnen. Zo ben ik beginnen werken in mijn atelier en leefde ik van subsidies en van mijn tentoonstellingen. Waar ik tegen aanstootte was dat de mensen die ik in mijn atelier uitnodigde, zeiden dat ze mijn werk ‘goed vonden’. Maar ik wilde eerlijke feedback, kritische reflectie. Maar dit zit niet in onze cultuur ingebakken, iedereen bleef veel te beleefd. Omdat ik dan toch terug naar België wilde, vond ik het een uitgelezen kans me aan te melden op het HISK. Ik was hier tien jaar weggeweest, dus het was een ideale start in het ‘onbekende’ België.

HVC: Wat heeft het HISK je geleerd?
RB: Dat was voor mij fantastisch. Het was voor mij het uitgelezen moment om dat te doen. Heerlijk om elke maand superkritische mensen op bezoek te krijgen.

HVC: Zat je in je atelier in Amsterdam er niet mee in om na je afstuderen een hele dag alleen in je atelier te zitten? Want in het HISK was je plots niet meer ‘alleen’, als het even niet ging, kan je zo even in het atelier van je buurman binnenstappen.
RB: Qua artistieke uitwisseling met de andere HISK-ers, had ik, achteraf bekeken, misschien iets socialer kunnen zijn, want je zit in een unieke setting waar allemaal kunstenaars van overal samenzitten.


HVC: Wil je iets vertellen over het eerste werk dat we zien bij het binnenkomen van BE-part?
RB: Het is eigenlijk een videoregistratie van een installatie. Ik heb het destijds gemaakt voor de meubelontwerper Maarten van Severen. Hij nodigde af en toe kunstenaars uit om in zijn stadstuin een in situ werk te maken. Ik wilde iets maken dat als de bezoeker er kwam, hij die stadstuin op een heel andere manier zou bekijken. Op een bepaalde plek in die tuin zie je dus heel langzaam een stuk aarde open en dicht gaan. Dat is zo’n danig kleine ingreep onder de grond, dat je eraan voorbij loopt als je het niet ziet. Ik wilde die installatie eigenlijk ook in de tuin van Be-Part tonen, maar de condities waren niet ideaal, dus besloot ik de video te tonen. Ik heb van die installatie dus close-ups gefilmd, waardoor het werk heel monumentaal lijkt, zeker door het grote scherm. Al ben ik eigenlijk geen voorstander om installaties die in situ zijn gemaakt als document in een expo te tonen, omdat dit vaak dan een flauw afkooksel is van het eigenlijke werk.



HVC: Ik zie hier ook prachtig uitgewerkte tekeningen hangen waar je ons toont hoe je je film ‘Stasis’ hebt gemaakt. Vind je dat nodig? Doorbreek je daarmee niet het mysterie? Toen ik daarstraks naar die film keek, had ik er het raden naar, en dan hier beneden is het van: “Ah, ja… “ Misschien wat zonde toch? Niet? Andere kunstenaars houden dat toch liever ‘geheim’?
RB: Dat is een heel interessante vraag: “Demystifieer ik mijn werk/het verhaal daar niet mee?” Want ik geef jullie inzicht in hoe zoiets wordt gemaakt. Ik heb daar een heel dubbele houding tegenover: bij langspeelfilms op dvd heb je meestal nog de kans om special features te zien of kan je naar de making off kijken, maar toch herinner ik me achteraf toch alleen nog de film. Het was mijn vriendin die me er ook in aanmoedigde, want het duurt op zich heel lang voor ik tot het gewenste beeld kom. Er zijn veel obstakels die ik moet overwinnen om sommige films te maken. Mijn tekeningen zijn studies om te kijken wat haalbaar is – al zijn het ook een soort eindproducten geworden: ik vind het plezant om mij daarin te verliezen. Het dwingt mij om heel gedetailleerd in die tekening te gaan zitten. Snelschetsen belanden sneller in de vuilnisbak. De tekeningen financieren tegenwoordig mijn films en installaties, omdat mijn tekeningen makkelijker verkopen.

Sowieso dringt zich altijd die vraag op: “Hoe heeft hij dat gemaakt? “ Misschien omdat ik ook die constante vragen daarover wilde inlossen, had ik iets van: “Kijk naar die documentaire.” Zo hoef ik ook niet constant te doen van: “Neen, dat wil ik je niet vertellen, dit mag je niet weten… “ Ik ben ook niet zo voor het creëren van een mythe rond een kunstenaar. Je hebt kunstenaars die dat net in stand willen houden, maar ik heb niks te verbergen of niks hoog te houden: dit is wat ik doe en dit is wat je ziet.

Ik ben ook niet geïnteresseerd in digitale postproductie, dus alles wat je ziet, heeft werkelijk plaatsgevonden. Er wordt niet aan gefoefeld. Om dat te bewerkstelligen, heb je dus tien keer meer tijd nodig, omdat er veel meer problemen zijn om tot het gewenst beeld te komen.



HVC: Over dat ‘doen en zien’: als je aan het tekenen bent, is het niet zo dat je – zoals ik las– je bewust de vanzelfsprekende verhoudingen wilt verstoren om de onverschilligheid van de buitenwereld aan te tonen. Het is ook niet helemaal ‘what you see is what you get’. Je wilt de mensen toch met andere ogen naar de wereld laten kijken…
Je hebt in je film ‘Stasis’ – een supergeslaagd werk dat hopelijk nog veel zal reizen – gewerkt met ‘mannen in pak’. Ze houden als het ware het tafelblad in hun mond om die constructie te dragen. Ze kunnen daarom niks zeggen (tegen elkaar). Een redelijk sadistische gedachte eigenlijk. Had je met ‘zwarten’ gewerkt, had je iedereen over je heen gehad. Doordat het gegoede burgers lijken, lijkt het ‘te kunnen’. Was dat een bewuste keuze?
RB: Als ik dieren inzet, is dat een heel interessant vehikel om ook iets te vertellen over ons. Een dier is heel duidelijk ‘de ander’ en je kan je daar moeilijker mee identificeren dan als je een persoon ziet in een film. In deze film zet ik op dezelfde manier mensen in, dan dat ik normaliter dieren inzet. Ik zet ze klem, ze kunnen geen kant uit… Ze zijn veroordeelt tot die structuur en met die structuur moeten ze het doen. Dat is eigenlijk een gelijkaardige situatie met mijn schildpadden en met mijn honden. De schildpadden zijn vastgebonden aan de tafel en met die structuur moeten ze het ook doen. Daarmee moeten ze alle kanten mee proberen uitgaan. Je zet een dier of plant klem en die spanning vind ik een interessant gegeven om mee te werken. Welke betekenissen de kijker daar dan in legt, is in feite aan hem. Als iemand dan zegt dat de schildpad in de Griekse mythologie de drager van de wereld is, dan vind ik dat fantastisch en fijn dat iemand daar die gelaagdheid aan geeft.
Idem met het werk met de honden: dan krijg ik referenties naar Joseph Beuys en zijn coyote: een heel goed werk, maar het heeft er niks mee te maken. Je hebt kunstenaars die heel duidelijk refereren naar de kunstgeschiedenis – wat héél boeiend is – maar ik ben daar niet bewust mee bezig. Het is niet dat er bij het creëren van een werk, bij mij onmiddellijk connotaties gaan ontstaan. Anderen mogen dat voor mij weer gaan invullen, maar het is geen bewuste strategie.


HVC: Filosoof Peter De Graeve schrijft dat je geen confrontaties zoekt, maar onderzoekt.
Hij zegt ook dat je kunstwerken de grens van creatie en esthetica ophouden… Je kunst wil ons verleiden tot een ervaring van schoonheid.
A lijkt het zo wel dat er addertjes onder het gras zitten. Ergens anders las ik weer dat niets is wat het lijkt: hoewel de sfeer sereen is, ontspint zich diep verankerd in het schijnbaar vertrouwelijke tafereel, een diep drama.
RB: Ik vind het wel altijd een plezant iets om mee te spelen. Je ziet dat werk met die schildpadden - eigenlijk een heel gruwelijk beeld van een tafel waar je vier beestjes onderzet en die tafel moeten torsen – maar je zou kunnen zeggen: “Waarom maak je er geen performance van?” Maar dan zou ik pas echt de gruwel tonen, omdat het een echt fysieke performance wordt. Ook omdat we dan alleen maar zouden gefocust zijn op die arme beestjes en we daarmee het totaalbeeld zouden verliezen. Door dat je het gaat vertalen naar een ander medium – ik kies bewust voor het zwart/wit, omdat je het dan nog minder tastbaar maakt - en ik zorg dat het geluidloos is. Dan ga ik dat dan nog eens heel duidelijk kadreren en isoleren – waardoor ik enkel toon wat ik belangrijk vind – en dan wordt dat beeld ook esthetisch iets heel moois om naar te kijken. Die spanning vind ik ook altijd heel belangrijk in mijn werk. Je hebt die esthetica van die mooie belichting en het is mooi gefilmd, mooie pellicule, schilderkunstige kwaliteiten, maar anderzijds is het heel gruwelijk. Een andere kunstenaar had het misschien op diehard VHS gedraaid met koude TL erop, maar daar ben ik niet in geïnteresseerd. Misschien wil ik wel dat het een droomwereld is waar je naar aan het kijken bent.

HVC: Nog eens naar je werk ‘Stasis’, daarvoor had je al veel tekeningen gemaakt met herten die op dezelfde manier ‘op elkaar gestapeld’ waren.
RB: Het is de eerste keer dat ik mensen inzet in een film. Ze worden als het ware gereduceerd tot meubelstuk, worden onderdeel van die structuur en moeten het daar ook mee doen. Je voelt er ook heel duidelijk de grensvervaging tussen object en subject. Die twijfel wil ik heel voelbaar maken. Ik wil ook de grenzen van de fysieke mogelijkheden verkennen: “Is dit werkelijk mogelijk?” Moest ik hier nu mannen voor gebruiken die zwaar aan het zweten zijn of moeten ze net – zoals ik dan gedaan heb – bijna apathisch zijn en toon ik ze alsof ik ze het verhaal laat ondergaan? Ik zorg ervoor dat je je niet kan identificeren met die mannen en ik probeer daar een afstand te houden. Het lijkt door de verlichting en de sfeer bijna een heimelijke ontmoeting waar je geen hoogte van krijgt. Hier heb ik ook het geluid weggelaten, dus elke fysieke tastbaarheid wordt op de achtergrond gehouden.

RB: In de essay ‘Obstructieve anomalieën’, heeft Peter De Graeve het over de traagheid van je werken. Ook over wie je oeuvre wil leren zien, eerst de ernst en de traagheid ervan moet doorgronden: “Kijk naar een video- of filmwerk van Ruben zoals je zou afdalen in een grot.”
Hij noemt je werken ook geen installaties, maar obstallaties. (= toegankelijk (en mooi) als weinig andere actuele kunstwerken, beantwoorden ze niettemin aan een dwarse esthetica, die doorgang naar betekenis verspert, al te gemakkelijke (in)zichten belemmert)

Je maakt vaak gebruik van één camerastandpunt van waaruit een langdurige opname wordt gemaakt van een bepaalde actie die telkens wordt herhaald – een loop. Door die loop krijg je een hypnotiserende werking.
Je wil ons echt wel meevoeren in iets… ik vraag me nu gewoon af in wat?
RB: Die vraag dringt zich veel op. Wat je ziet is ongebruikelijk, ongezien zelfs, en omdat het film is, heeft het ook een enorm realiteitsgehalte. Als ik er een schilderij zou van maken, zou die vraag niet gesteld worden.

HVC: Je vindt het wel fijn dat we ons die vragen stellen…
RB: In mijn tekeningen zie je ook allemaal niet evidente taferelen, in die zin kan je het zien als een parallelle wereld. Door verschillende elementen bij elkaar te brengen die in onze geordende maatschappij eigenlijk niet bij elkaar horen, probeer ik toch iets te veranderen aan de perceptie van de toeschouwer. Misschien wil ik onze schijnbaar vertrouwde realiteit in vraag stellen. Is dit tapijt waar we hier op lopen, effectief wel zo stabiel? Laat de mensen maar even wankelen. Niet vanuit een surrealistische traditie, maar vanuit een eigen nieuwsgierigheid die misschien de kijker ook nieuwsgierig maakt.


HVC: Kunnen we het vergelijken met de afgezaagde kasten of trappen die Hannes Van Severen gebruikt om ons anders naar ‘vorm’ te laten kijken?
RB: Bij Hannes is er iets gelijkaardigs aan de hand, hij stelt die dingen ook in vraag, alleen is het formalistischer.
Neem nu mijn werk met konijnen in stereofotografie, getiteld ‘ Constructing and classyfying the animal in order to make it meaningful for the human’. Dit is ook een anders kijken naar archivering. In oude musea zie je al die oude kabinetten: het is toch onwaarschijnlijk hoeveel controle we op de dingen willen door ze te gaan structureren en ordenen.

HVC: Christine Vuegen schrijft dat dit werk iets influistert over onze onmenselijkheid en onze archiveringsdrang die de dingen verstikt en doodmaakt.
RB: Wat gebeurt er als ik een kast maak waar niet vlinders of spinnen worden uitgestald, maar als ik een kast bouw voor 24 levende konijnen. Zo’n beeld heeft iets ludieks, maar ook iets heel tragisch. De achterliggende link is ook dat dierenproeven op konijnen op dezelfde manier worden gedaan als in deze archiefkast. Het is hier helemaal geen pleidooi voor dierenproeven – integendeel – maar het is wel zo dat die associaties kunnen worden gelegd, al is dat voor mij ondergeschikt, omdat het voor mij om dat beeld gaat: word ik in vervoering gebracht als ik dat zie en welke vragen roept dat op?

HVC: Hans Theys titelt zijn kop van de tekst van jouw werk: ‘Het opzoeken van de weerstand’
RB: Hij doelt op hoe ik tot een werk kom: het een constant opzoeken van een weerstand. Ik ervaar heel veel problemen alvorens ik tot een gewenst beeld wil komen. De titel van mijn boek is dan ook’ No obstacle, no image’.

HVC: Een solo-expo, een boek… wat vond je het fijnst? De weg-er-naartoe en al je werken nog eens op punt stellen - op zich is dat boek eigenlijk ook een kunstwerk, want wie het koopt, moet ook in jouw wereld komen - of nu: rusten bij het eindresultaat en luisteren naar de feedback?
Ben je tot inzicht gekomen of zijn er toekomstplannen gewijzigd als je die tien jaar hier samen ziet hangen en staan?
RB: Wat ik heel fijn vind is dat iedereen nu ondergedompeld kan worden in mijn wereld, een verlangen dat ik al langer had. Mensen die mijn werk al kenden, kunnen nu eens meerdere werken samen zien. Ik merk ook hoe bijna alle werken naar elkaar refereren, het verraste me soms wel. Meestal ben je in je atelier bezig met je laatste werk en ben je niet bezig met verbanden te leggen met eerdere werken. Door veel werken samen te zien, ga je dat uiteraard wel doen, wat zeer boeiend is.  Ik heb ook veel bijgeleerd door de curator waar ik mee werkte, zij had een zeer frisse kijk op mijn werken.

HVC: Zoals een muzikant met een producer werkt…
RB: Inderdaad. Vroeger was ik iemand die alle touwtjes in handen wilde hebben, maar dat ben ik dus afgeleerd. Ik ben nu natuurlijk ook al met de volgende expo bezig, dus de tijd zal uitwijzen wat deze expo en het boek bij me veranderde.

HVC: Hoe zal je de feedback verwerken die je hier krijgt?
RB: Hoe eerlijker de feedback dat ik hier (zal) krijg(en), hoe meer me dat aanscherpt natuurlijk.

HVC: Chantal Pattyn zegt dat kunst haar mentaal ergens moet brengen waar ze voorheen nooit was, voorbij mooi en eerlijk – wat niet wil zeggen dat betekent dat ze ongevoelig zou zijn voor het onesthetische aspect ervan.
Ik denk ook dat je mensen mentaal ergens brengt… Hoe wil je dat ik me voel als ik straks op de trein zit?
RB: Dat is aan jou. Ik hoop natuurlijk dat het iets met je heeft gedaan en vragen oproept. Ik wil helemaal niks “hoe jij denkt”.

En dan blijft ze maar doorvragen en doorvragen… en stapt ze even later met zijn bevreemdende leefwereld als medepartner de trein op…

Hilde Van Canneyt, copyright 2013, met dank aan croxhapox.

www.rubenbellinkx.com

Er is net een monografie uit:
 NO OBSTACLE




Ruben Bellinkx stelt tentoon:

BE-Part
Westerlaan 17
B 8790 Waregem
+32 (0) 56 62 94 10
Open tijdens tentoonstellingen van zondag tot en met vrijdag van 11u00 tot 17u00,
Op zaterdag enkel op afspraak voor groepen
Gratis toegang. Elke zondag tijdens tentoonstelllingen: gratis gidsbeurten voor individuele bezoekers, vanaf 14u30



statcounter