Interview met Carl Uytterhaegen



Interview met Carl Uytterhaegen (1944), december 2011- oktober 2013.

Hilde Van Canneyt: Hallo Carl, je had me ter voorbereiding van dit interview een bundel teksten van een hondertal bladzijden doorgestuurd met als voorpaginablad: ‘my dream’. Vanwaar die titel?

Carl Uytterhaegen: Mijn website heet ook ‘My dream’. Ten eerste omdat mijn naam veel te moeilijk is en ten tweede is het al altijd mijn droom geweest te doen wat ik nu doe en gedaan heb en nu uiteindelijk aan het afronden ben, vandaar de combinatie.

HVC: Wat veel terugkomt in je teksten zijn de sociaal geëngageerde reportages en documentairefotografie. Kan je zelf ook die stempel op jezelf drukken?

CU: In feite wel. Mijn laatste project ‘Generaties/binnenskamers’, kan je het ook een zuiver sociaal project noemen. Niet enkel omdat binnenkamers naar buiten gebracht worden, maar ook omdat ik het samen met de jonge Turkse fotograaf Abdul-Vahit Duman maak. We zijn van plan drie generaties te fotograferen van zowel Vlaamse als Turkse gezinnen: de grootouders, de kinderen en kleinkinderen. Dit om te zien wat een generatie van een vorige generatie overneemt bij het inrichten van een woonkamer. Wat wordt er overgenomen van de Vlaamse gemeenschap? Wat wordt er overgenomen van de Vlaamse Turken? Uiteindelijk ga ik met mijn collega samen op dezelfde dag op hetzelfde uur de interieurs gaan fotograferen om te zien wat hij in een Vlaams interieur ziet en wat ik in een Turks interieur zie. Want uiteindelijk zijn ook wij twee generaties, zowel qua leeftijdsverschil als wat betreft opleiding en background. Daarnaast vragen we aan elk gezin: 1) Wat zou je meenemen als je naar een verlaten eiland gaat? Wat is je dierbaarste onderwerp? 2) Wat zou je virtueel aan mij en Abdul geven als geschenk? Dit om te zien hoe de mensen gaan reageren op een oudere Vlaamse man ten opzichte van een jonge Turkse Vlaming. 






HVC: Hoe is dit idee tot stand gekomen?

CU: Tegenover het stadhuis in Gent is er de Coffeelounge van Kadir die de film ‘Turquoise’ gemaakt hebben. Ik zat er een koffie te drinken en ik zag iemand – Abdul dus – kijken in een boek over poldermoskeeën, terwijl ik daar net ervoor iets over gelezen had. Ik vroeg hem of ik even naar de foto’s in het boek mocht kijken en zo is er een gesprek ontstaan. Op dat moment kwam ook Kadir binnen en vroeg Abdul aan hem: “Doet hij ook iets met foto’s misschien?” Waarop Kadir zei: “Ken je hem dan niet? Hij is leraar op de academie geweest.” Maar Abdul Vahit heeft op Sint Lucas school gelopen. Een maand nadien – ik had ondertussen zijn foto’s gezien – heb ik hem gevraagd of hij met mij het project wou uitvoeren. 

HVC: Jullie hebben daarvoor subsidies aangevraagd, las ik.

CU: Dat is natuurlijk altijd een martelgang. De begroting van ons budget – om alles uitgevoerd en tentoongesteld te krijgen – bedraagt toch een 50.000 à 60.000 euro. We kunnen dat zelf niet ophoesten, we steken er onze tijd al in. De meesten aan wie ik het project voorstelde, waren meteen wild enthousiast. Het project zal in Gent tentoongesteld worden. De Turken van Gent komen van een andere omgeving (Emerdag) dan de Turken van Antwerpen. (Kaiseri). Ook in Turkije zullen we het project uitvoeren: wat neemt men daar over van de vorige generatie, een generatie die niet leeft in een multiculturele omgeving? We gaan ook nog een dossier indienen bij Cultureel Erfgoed. Als dit ook slaagt zijn we echt wel vertrokken. In 2013 zou het project klaar moeten zijn.

HVC: Je bent autodidact. In je jonge jaren heb je eerst andere dingen gestudeerd, maar ben je toch in ’65 als zelfstandig fotograaf begonnen. Wat later ben je leraar geworden in Sint Lucas te Brussel.

CU: Dat was een school die afhing van het ministerie van onderwijs en in die tijd kon je nog een afwijking van je diploma vragen. Alleen moest je een D-diploma behalen. Ik heb dat twee lessen gevolgd, maar voor mij persoonlijk was dat puur tijdverlies. De onderdirecteur Vroman – de stoetenbouwer van Brugge – zei op een gegeven moment: “Het is in orde, het is in orde!” Samen met Julien Keymolen (Julian Kay) – van de affiches – zijn we benoemd op basis van onze c.v. Ik gaf later ook in Gent les aan het Kask en daar kon je aangesteld worden als je geslaagd was voor het openbaar examen.

HVC: Ik las ook ergens dat - omdat je autodidact bent – je ook deductief moet denken. Wat bedoel je daarmee?

CU: Door het feit dat je autodidact bent, moet je van jezelf constant leren. Ik merk dat ook bij mijn oud-studenten: ze willen feedback. Krijgen ze die niet, weten ze niet altijd waar ze staan. Ik merkte dat ook bij mijn collega’s: zij gaven geen feedback omdat ze iedereen te vriend wilden houden. Ik hoefde geen pintjes te krijgen op het einde van het schooljaar. Sommige oud-studenten komen nog altijd langs. Eens afgestudeerd krijg je geen oprechte feedback meer en velen weten dat ik geen blad voor de mond neem. Een leerlinge begon eens te schreien toen ik haar feedback gaf op haar beelden. Ik zei: “We gaan nu goed afspreken: ofwel zeg ik mijn mening en ga je misschien nog een paar keer schreien, ofwel zeg ik tegen je dat je werk in orde is en ben je op twee minuten buiten.” Ze koos voor het eerste. Uiteindelijk is ze nog verder gaan studeren aan het HISK.

HVC: Ik merk ook dat ik altijd diplomatisch moet zijn in mijn kritiek tegenover het werk van kunstenaars, omdat ik hen anders kwets: “Wie aan mijn werk raakt, raakt aan mij.” Iets wat ik nog altijd niet helemaal begrijp, omdat het nooit persoonlijk bedoeld is en integendeel om hen te helpen even anders te kijken.

CU: Dit is afhankelijk van de kritiek en van wie er kritiek geeft en waarom.

Eric Ubben, departementshoofd van de academie, schreef ooit dat je één van de founding fathers van de optie fotografie was en jij de stempel gedrukt hebt op de foto-journalistieke poot van de afdeling. Gaf je zuiver les voor het financiële aspect?

CU: Ik voelde vooral dat ik iets wou overbrengen. Als je dat niet in je hebt, is onderwijs moordend, want je wordt eigenlijk compleet leeggezogen. Of ik het ging kunnen bolwerken zuiver met mijn eigen werk? Doordat ik een inkomen had, kon ik me volledig concentreren op mijn eigen projecten. Ik kan niet vandaag commercieel denken en morgen mijn eigen ding doen. Al moet je in het begin natuurlijk altijd wat trouwreportages of portretten of industrieel werk maken – wat ik ook graag deed – maar op een bepaald moment moet je de keuze maken.

HVC: Ik las in je tekst dat je een paar grondprincipes hebt:
1)      zonder solide basis sta je nergens. Je ziet het als een gereedschapskist vol kennis.
2)      het negatief is heilig.

CU: Je hebt fotografen die veel fotograferen en uit hun productie selecteren wat goed is. Bij mij is het het omgekeerde. Ik selecteer voordat ik mijn opnamen maak, waardoor ik veel minder opnamen maak en zo onmiddellijk bij het maken van de foto, streef naar het perfecte beeld.

HVC: Je hebt lang met een ‘Leica’ rond je nek gelopen. Is dat nu nog altijd het geval?

CU: Nee, sinds een vijftal jaar werk ik digitaal, tegenwoordig heb je bijna geen andere keuze. Ik ben daardoor ook overgeschakeld naar kleur.

HVC: Van zwart/wit naar kleur overschakelen, impliceert dat ook een ander denken?

CU: Voor mij was die overschakeling vrij eenvoudig. Ik denk als je het vak niet volledig onder de knie hebt, je het dan wel moeilijk hebt. Omdat je toch anders moet redeneren. Sowieso moeten de reeksen waar ik nu mee bezig ben in kleur: een interieur in zwart-wit geeft een heel ander gevoel dan in kleur. Die interieurs moeten ook documentair gefotografeerd worden en het zou voor de toeschouwer moeilijk zijn zelf de kleuren in te vullen. In ieder geval is altijd mijn bedoeling de realiteit af te beelden, al is dat nog altijd een interpretatie van mij. Zuiver op creativiteit gerichte fotografie – met alle mogelijke hulpmiddelen – ben ik nu pas na al die jaren een stuk mee bezig in mijn reeks ‘Photures’

HVC: Hoe komt dat je zo lang in zwart/wit gewerkt hebt?

CU: Omdat de doka-techniek van kleur naar mijn gevoel veel te ingewikkeld was – en is. Je had met een analoge camera nooit de kleuren die je feitelijk wou. Met een digitale camera lukt dat gemakkelijker, al vind ik de beelden op zich niet meer dezelfde. Dit is de evolutie natuurlijk, die kan je niet afremmen.






HVC: Je zegt ergens dat je in de eerste plaats een beeldend kunstenaar bent voor wie de fotografie een middel tot expressie is. Daarnaast vind je een fotogalerie ‘an sich’ ook niet zo OK.

CU: Het probleem is dat men op een bepaald ogenblik naast de gewone galeries, ook fotogaleries is gaan oprichten, waardoor fotografen zich richten naar een heel specifiek publiek. Hadden de gewone galeries naast hun schilders ook fotografie gebracht, hadden wij een heel ander publiek bereikt. Nu blijft dat heel eng.

Toen ik in ’85 die hartjes (van de serie ‘All you need is love’, een project met graffiti-hartjes) tentoonstelde in het Museum van Deinze, was de bedoeling niks aan de muur te hangen, maar elke bezoeker een pak van 150 fotokopieën te geven van mijn foto’s. Zo kon de bezoeker dan thuis - en op een moment van liefde - als het hem past er naar kijken en herinneringen ophalen aan zijn eerste lief. Ik wou een breuklijn maken: je gaat naar een tentoonstelling en er hangt niks aan de muur, maar je krijgt wel iets. Ik had een kopieerfirma die eerst wou sponseren, maar ze hebben zich teruggetrokken, waardoor ik verplicht werd ze wel aan de muur te hangen. Veel werk van mij hoort in feite in boekvorm. Ik vind dat een tentoonstelling te vluchtig is. Die foto’s behoren tot de contemplatieve fotografie. Zoals de Japanners een schrol aan de muur hangen die past bij de smaak van hun bezoek. Zo wil ik ook dat anderen mijn foto’s bekijken als ze er nood aan hebben of even willen bezinnen. Dan kunnen ze een beeld zoeken dat overeenstemt met hun gevoelens.

HVC: Christine Adams zegt ergens dat fotografie binnen de artistieke media vooralsnog een ‘lijdend’ voorwerp blijft.

CU: Zeker nu met de digitale fotografie, voelt iedereen zich fotograaf. Maar fotografie en het medium fotografie is totaal iets anders. Iedereen kan beelden maken, maar er zijn er weinig die met het medium bezig zijn. Ik kan ook schilderen, maar een schilder zal ook tegen mij zeggen dat hij er niks van het medium schilderkunst in terugvindt. Daar maken de meesten gewoon geen onderscheid in.
Het probleem voor sociaal-documentaire fotografie is dat er een heel ander denkpatroon is voor de beschouwer: hij moet het werk in een reeks, in een geheel, zien. Als ze één beeld eruit pikken, denken ze al gauw dat ze het ook kunnen. Als men artistieke fotografie maakt, heb je maar één beeld nodig. Ik heb alleen maar in mijn reeks ’Beeldenkommazomaarpunt’ – een aantal alleenstaande beelden die nergens in een reeks horen – beelden die op zichzelf kunnen staan. Ik ben sowieso altijd foto’s aan het maken, zowel op straat als tijdens mijn reizen. (zie reeks carnet de voyage) Ik was onlangs in Ecuador, waar ik prachtige graffiti ’s van hartjes vond en daar ben ik dan op doorgegaan. Ik denk dat ik die hartjes zie voor iemand anders ze ziet: het is een ingesteldheid, iets naar waar je op zoek bent. Ik heb ze bij mijn reeks ‘All you need is love’ gevoegd, een reeks waaraan ik in’85 begon.

In 2005 heb ik voor het eerst in Valencia seksgraffiti ’s gezien: op een ijzeren rolluik voor een vitrine zag ik een grafisch zeer mooi mannelijk lid getekend. Ik wou het eerst niet fotograferen, maar het liet me niet los en ik ben teruggegaan om het vast te leggen. Die reeks heet ‘love and sex and the city’. Ik zag het als tegenwicht van de graffiti ‘s op wc-deuren. Op straat is het toch niet zo evident om piemels te tekenen. Er gaat nu iemand een wetenschappelijke tekst over schrijven. Ik zie die reeks eerder in boekvorm verschijnen dan aan de muur in galeries.






HVC: Carnet de Voyages…

CU: …gaat over wat ik gezien heb tijdens mijn reizen. Maar dat kan evengoed de straat achter de hoek zijn. Wat gebeurt er als ik weg ben van huis. Het is de kleurenversie en het vervolg op ’Beeldenkommazomaarpunt’. Ik weet ook dat beelden die ik vroeger zou gefotografeerd hebben, nu in kleur niet meer moet fotograferen omdat dat niets niet meer zegt. In zwart/wit fotograferen vraagt een heel ander denkpatroon.





V
oor mij waren die mensen in Auchel het prototype van de maatschappij. Ver van mijn deur – “aiai, die sukkelaars”. Maar we geven wel geld aan Music for Life voor mensen aan de andere kant van de wereld. Ik denk als ze een Music for Life voor de armen in Vlaanderen zou georganiseerd worden, er amper een kat in geïnteresseerd is. Ik wil dat maatschappelijk fenomeen aantonen: “Mensen kijkt toch eens naast je deur in plaats van altijd ver weg. Men ziet de splinter in iemands anders oog, maar men ziet de balk in zijn eigen oog niet. In Oost Duitsland hebben de mensen dat ook meegemaakt. Ze waren plots ‘vrij’, ze mochten gaan waar ze wilden. “Maar wij mochten toch vroeger ook gaan waar we wilden? Alleen niet naar het Westen.” Mensen zeiden me dat van vandaag op morgen de solidariteit compleet weg was. De ene hielp met de auto van de buur, terwijl de andere de tuin werkte en de ander hielp met het dak te prepareren. Ik voel dat hier ook terugkomen.

Het was waarschijnlijk de eerste keer in hun leven dat er iemand in hen geïnteresseerd was en aandacht aan hen schonk.

HVC: Je levenswerk ‘Les Corons d’Auchel’ heb je ook in fotoboeken tentoongesteld, omdat je vond dat je mensen niet ‘aan de muur’ hangt. Het was ook door toeval – als dat al bestaat – dat je aan die reeks begonnen bent. Al noem je het eerder een foto-essay, omdat het bijna een verhaal is dat je zou kunnen uitschrijven.

CU: Ik had dorst en stopte in het Noorden van Frankrijk in een winkeltje: ik keek rond en ik dacht: “Wat is me dat hier?” Ik ben er vijf jaar aan een stuk – van ’75 tot ’80 gaan fotograferen en dan twintig jaar later nog eens in 2004. Je houdt niet voor mogelijk hoe die evolutie is. Ik heb een jongetje voor het eerst gefotografeerd toen hij 8 jaar was, maar 25 jaar later opnieuw. Ik werd daar ook na al die tijd met open armen ontvangen. Ik kwam ergens binnen en het eerste wat die mevrouw deed, was haar portefeuille opendoen en me een fotootje tonen dat ik haar 25 jaar geleden gegeven had. Ik moet toch toegeven dat ik wat met een ei in mijn broek zat over hoe ik er ontvangen zou worden, maar dat was onterecht. Ik heb daar echt kippenvel gekregen. Toch was het raar dat de straat waar een gezin dat ik volgde woonde, compleet weg was.
De oorspronkelijke tentoonstelling is gepresenteerd in boeken met de oorspronkelijke foto’s erin. De tentoonstelling in 2005 was een heel ander concept. Daar heb ik twee vierkanten gemaakt waar je ook de evolutie van die mensen kon zien. Zo zag je hen in hen ook bijvoorbeeld in hun oorspronkelijke huis en in hun nieuw huis met hun eigen gezin. Je moest ook onder die vierkanten kruipen om de foto’s te zien. Het idee erachter was: “Je moet je voor die mensen bukken, je moet daar nederig tegen zijn. Die mensen verdienen dat. Ik wilde niet dat de toeschouwer hen als sukkelaars zag.”

HVC: Welke levensles heb je daaruit getrokken?

CU: Wat ik wou overbrengen, is overgekomen en begrepen.

HVC: “Fotografie is voor mij het steeds opnieuw herkauwen van existentiële en universele problemen. Je kan geen foto’s maken over gevoelens waar je innerlijk niet mee bezig bent. Je eigen problematiek is steeds het vertrekpunt voor het maken van je werk.
Via het medium fotografie wil je de komende generaties, tradities en gewoontes, cultuuruitingen en dergelijke bewaren vanuit jouw standpunt. Als een soort documentarist verzamelen en bewaren voor het nageslacht. Te vergelijken met het archief dat ik nu maak met mijn interviews: wat hebben de diverse kunstenaars – goed of slecht - te vertellen? Hoe ervaren ze het kunstenaarschap? Hoe overleven ze?

CU: Dat is de perfecte omschrijving. Ik heb in mijn studentenjaren ook in een café moeten werken. Ik heb ook tegen mijn studenten gezegd: “Als je fotograaf wil zijn, zal je fotograaf moeten zijn, onafgezien of je daar nu je boterham mee kunt verdienen of niet. Dan moet je maar je boterham met iets anders verdienen. Het gevaar is wel dat sommige mensen die in het onderwijs stappen, nooit meer iets doen in hun vak. Dat is nefast: als je les geeft in een artistiek vak, moet je het vak beoefenen.

Zo heb je ook de memento-mori reeks ’Eeuwigdurend aandenken’ gemaakt, omdat die ook meer en meer verdwijnen.

CU: Ik heb veertig jaar aan die kerkhoven gewerkt. De vertrekbasis was het verdwijnen van enkele graven op verschillende kerkhoven. Op dat moment wou ik daar foto’s van maken en verzamelen om te laten zien aan de volgende generaties. Uiteindelijk is dat geëvolueerd naar: “Toon mij je kerkhof en ik zal je tonen wie je bent.” Want je hebt kerkhoven van katholieken, orthodoxen, vrijzinnigen… die zijn allemaal compleet anders. Ik leg ten eerste vast wat er moet vastgelegd worden en ten tweede laat ik verschillende culturen zien. Ten derde is het aan de toeschouwer om te zien wat hem interesseert of niet interesseert. Mijn fotografie is altijd heel gelaagd: mensen die geen interesse hebben in het onderwerp, lopen er compleet aan voorbij. Die kerkhoven heb ik geëxposeerd in het Caermerskloosters te Gent op sokkels met twee schuine kanten. Zoals een kerkhofmuurtje. Je zag 116 lopende meter foto’s. De bedoeling was dat de mensen daar langs liepen. Mensen denken op een expo nog altijd dat ze bij ieder beeld moeten blijven staan. Dat is absoluut niet waar: je blijft staan aan het beeld dat je interesseert. Ik wil uiteindelijk gewoon iets meedelen. Het beschouwelijke bij artistieke fotografie is anders.

HVC: Al moet de kijker het bij het beeld ook zelf in- of aanvullen.

CU: Bij mij is dat inderdaad gedeeltelijk waar. Ik toon geen abstract beeld. Ik toon geen hints aan de kijker wát hij moet zien.

HVC: Over abstracte beelden gesproken: hoe kom je er op je 68e op om plots abstracte collages – je photures - te maken? Toch nood aan een soort expressie?

CU: Het heeft gedeeltelijk te maken met de mogelijkheden van de digitale verwerking van beelden. Het is eigenaardig: toen ik mijn boek over documentairefotografie aan het schrijven was, mailde ik naar een Amerikaanse collega omdat hij ook bezig was met dezelfde problematiek. Maar net drie maand geleden stuurt hij me een mailtje dat hij met totaal iets anders bezig is. Nét hetzelfde als mijn photures, met het enige verschil dat ik vertrek van mijn eigen beelden en ik uit bijvoorbeeld 20 beelden iets nieuws maak. Bizar toch. Voor mezelf zie ik die photures als een zelfreflectie, een soort terugvallen op mezelf. Wat kan ik er voor mezelf mee doen? Ik maak ze heel klein en zie het als ex-librissen die in een boek kunnen geplakt worden.

HVC Je heb twee boeken geschreven over documentairefotografie, fotojournalistiek en fotografie in conflictsituaties: ‘De Bijsluiter’ en het vervolg/herwerking/actualisering ‘Goed belicht’.

CU: Er was niets op de Nederlandstalige markt die dat duidelijk besprak. Het is voor een deel gegroeid vanuit mijn lessen. Ik heb er een 5-tal jaar aan gewerkt. In ben de bibliotheek van het museum in Antwerpen geweest en aan de uitleenbalie zei die vrouw dat mijn boek het meest uitgeleend wordt. 






HVC: In je teksten word je soms als wereldreiziger omschreven. Vanwaar die nood zoveel te reizen?

CU: Als ik nu terugkijk, wou ik altijd grenzen verleggen en reizen is één van die grensverleggende dingen. Ik reisde liefst alleen om te fotograferen. Al heb ik met de jaren geleerd: als ik op verlof ga met familie of een vriend, ben ik op verlof. Dan móet ik de knop omdraaien. Anders geniet ik noch van mijn vakantie, noch van het fotograferen.

HVC: Stefan Anrys schrijft: “Zijn huis in het oude Begijnhof in Gent noemt hij een metafoor voor wie hij is: ”Het grenst wel aan de straat, maar je moet eerst door een tuintje. Je moet een aantal drempels overwinnen om bij mij binnen te raken.” Zijn eigen werk is tijdloos, vleesloos. Mensen zijn schaars en beelden zijn verstild, als waren het landschappen. Uytterhaegen is een man van ideeën. The man with the plan. In Amerika noemen ze hem ‘mister black border’.”

CU: Klopt. Ik heb altijd mijn foto’s afgedrukt met een zwart lijntje errond. Ik heb dat geïntroduceerd in de jaren ’70. Fotograaf Cartier Bresson deed dat ook, voor een stuk om aan te tonen dat hij niks aan het beeld veranderd had. Sinds ’73 heb ik trouwens nooit meer een verticaal beeld gemaakt. Als ik door mijn camera een horizontaal beeld zie, kan en wil ik er geen stuk afsnijden voor een verticaal beeld. Ik wil niet in mijn negatieven snijden. Ik heb ook geen nood mijn om toestel te draaien wanneer ik aan het kijken ben. Ik kijk ook horizontaal en houd dat consequent gedrag ook aan.
Wat Anrys zegt klopt: dit is mijn leefwereld waarin ik binnenlaat wie ik binnen wil. De rest komt er hier gewoon niet in, onder geen enkele voorwaarde. Dit is mijn terugtrekhaven. Vrienden van mij zijn bijvoorbeeld kwaad omdat ik nooit foto’s toon bij mij thuis. Ik wil dat ze naar mijn tentoonstelling komen. Ik vind dat ik hen zo een verplichting opleg waarbij ze nog eens verplicht zijn er iets over te zeggen. In een tentoonstelling zijn ze vrij te doen wat ze willen. Of ze kunnen op mijn website kijken.

HVC: Je sprak over Amerika. Ben je tevreden over je internationale carrière? Of heb je daar nooit naar gestreefd?

CU: In ’73 heb ik tentoongesteld in Amerika. Ik heb veel meer steun gekregen in het buitenland dan hier. Maar één van de aspecten van mijn leven is dat ik er nooit achter gezeten heb. Social networking is nooit mijn ding geweest. Ik ben daar al 35 jaar geleden mee gestopt toen ik besefte dat ik daar geen tijd in kan steken. Die tijd heb ik nodig voor reflectie. Ik heb gewoon in stilte veel gewerkt en gedaan wat ik vond dat ik moet doen.

HVC: “Een thema dat altijd opnieuw terugkeert in gesprekken met Vlaamse fotografen is het thema van de teleurstelling, ontmoediging, (soms) woede over het gebrek aan mogelijkheden in België. Het heeft te maken met het feit dat we geen jaarboeken hebben, geen markt voor artistieke fotografie, geen uitgeverijen die actuele fotografie (als fotografie) publiceren, geen grote magazines of revues die van kwaliteitsfotografie moeten leven en er dus geld voor over hebben.”, zei je ooit.

CU: SNOECKSfoto’s zie ik met driekwart blote vrouwen als een verkooptechniek. Daar passen de documentairefotografen niet in, tenzij ze spectaculaire beelden maken. Zelfs die buitenlandse fotograaf waar ik nu mee werk aan Binnenkamers/buitenkamers zegt ook dat hij veel meer gewaardeerd wordt in het buitenland. Men is hier nooit sand in eigen land.

HVC: Maar fotografen Carl De Keyzer en Dirk Braeckman hebben toch wel een podium?

CU: Dirk Braeckman krijgt dat omdat hij bij Zeno X zit en Carl De Keyzer omdat hij bij Magnum zit – waardoor deuren opengaan – maar vooral omdat hij er zelf ook achter zit, anders heeft hij ook geen inkomsten, want hij leeft van zijn fotografie. Ze moeten hun netwerk constant in stand houden en uitbouwen, anders lukt het niet. Ik heb ze beiden lesgegeven en heb er een goed contact mee.






HVC: Wil je iets kwijt over je reeksen contactportretten – het contact en de magie die ontstaat tussen twee wildvreemden en de lens, met als voorwaarde sine qua non: recht in het objectief kijken. je vensterlandschappen – waarin je vastlegt wat mensen voor hun vensterraam plaatsen. Je hebt ook een reeks ‘Ora pro nobis’ (bid voor ons) gemaakt: een reeks over processies, ommegangen, sacramentsprocessies in Vlaanderen, goede vrijdagsprocessies in Spanje, Pardons in Bretagne… Olijfbomen van Santonata…

CU: Bij die olijfbomen vertrok ik van het existentiële probleem: iedere boom vertrekt van hetzelfde zaadje en toch hebben alle olijfbomen een andere vorm. Mensen komen ook allemaal uit dezelfde eicel. Maar wat gebeurt er met die mensen? Hoe evolueren ze? Die olijfbomen zijn een metamorfose van de mens en het beeld om op te reflecteren en te zeggen dat de mensen ook evolueren met verschillende takken. Zo heb ik ook een reeks gemaakt ‘Pierre Chaise’ met muurtjes die op elkaar gelegd worden zonder er iets tussen zit. In England, Ierland en Frankrijk gebruiken ze dat om weiden af te zetten. Dat is een zelfde metafoor: als je je leven zelf niet heel voorzichtig steen per steen opbouwt – goed wetende waar je de steen legt - , valt je muurtje omver, zelfs tijdens dat je het aan het bouwen bent.
Ik heb ook een reeks gemaakt met gebobbeld glas. Vroeger werd dat in Frankrijk rond de graven gezet. Je kunt door dat glas zien, maar je ziet nooit exact wat erachter zit. Ik zie iets, maar in feite zie ik niks. Jij zit hier voor mij: ik zie jou, maar in feite zie ik niks… misschien wel nadat ik je twintig keer gezien heb. Want uiteindelijk wil ik de doorns in mijn beelden in de toeschouwer hun voeten drukken.
Met die hartjes en seksgraffiti ’s is dat net hetzelfde. Waarom wil iemand publiek uiten dat hij iemand graag ziet of bepaalde verlangens heeft? Die expressie van het individu zit daar iedere keer in. Dat zet je aan het denken. Als je bedenkt wat liefde of seks is – de twee bouwstenen van ons leven – of wat je allemaal positief of negatief over liefde kan zeggen, kan je evengoed over seks zeggen.
Trouwens, wel mensen of net geen mensen fotograferen is een soort tweespalt in mijn werk.






HVC: In 2002 heb je in de Merelbeekse bib vol met foto’s van slapende mensen gehangen.

CU: Pas na twintig jaar had ik door naar mijn negatieven te kijken eigenlijk gezien dat ik een hele reeks slapende mensen had gefotografeerd, zonder ik er bewust naartoe had gewerkt. Normaal zijn mijn foto’s 20/15 cm, maar nu had ik ze voor mij op reuzenformaat afgedrukt, om ze te laten opvallen in die grote ruimte, want ik had ze 4 meter boven de grond opgehangen. De mensen moesten ook als het ware stil zijn, want anders maakten ze de slapende mensen wakker. Het thema was ook: “Heb respect voor je medeburger, als hij slaapt, moet je hem niet wakker maken. Je ziet ook het effect van de mens in het landschap, want bijvoorbeeld in Hongkong legt iedereen hem overal te slapen.

HVC: Ik zie hier op mijn voorbereidingsblad nóg een reeks staan: ‘Spiegelproject’. We zien vooral foto’s van verkeersspiegels.

CU: Uiteindelijk kijk je in de spiegel naar de realiteit, maar die spiegels vervormen de realiteit. Terwijl je je ook kan omdraaien en de realiteit echt kan zien. Naargelang de afstand die wij tot elkaar hebben, zie ik de realiteit zoals ze is of zie ik een vervormd beeld. Met de metafoor van een vervormd beeld, wil ik aan de mensen zeggen: “Hoe ben je nu bezig met je leven? Je krijgt een metafoor ten opzichte van je eigen ingesteldheid tegenover de maatschappij. Mijn beelden zijn nooit extreem, altijd heel eenvoudig. Ik wil de beschouwer niet op het verkeerde been zetten. Hij mag niet afgeleid worden door een speciale vorm of een speciale kleur: gewoon zoals het ís. Alles uitgepuurd.

HVC: Nog één reeks om het af te leren: In de voetsporen van Eugene Smith.

CU: Dat was mijn afgod. Samen met Ansel Adams, de landschapsfotograaf bij uitstek. Smith was een interessant geëngageerd fotograaf. Zijn belangrijkste foto-essay is een documentaire over de kwik-vervuiling door een chemisch bedrijf, die al zijn afvalwater ongezuiverd in een baai loodste. Met desastreuse gevolgen voor de kinderen.

HVC: Ik lees hier ergens dat je een geordend man bent en dat alles omtrent jou duidelijk omlijnt is. Zelf splitst hij zijn werk op in verschillende thema’s, die hij graag met enkele zinnen tekst tentoonstelt.
Beeld en tekst, het blijft toch een controverse duo in de beeldende kunst?

CU: Ik schrijf er nooit een tekst bij om het uit te leggen, wel een compacte tekst om mijn foto’s te situeren.

HVC: Breekt iemand die jouw werk afbreekt, ook jou af?

CU: Ten eerste kent die persoon mij niet, alleen mijn werk. Als hij eerst mijn 150 bladzijden zal gelezen hebben, zal hij misschien meer geïnteresseerd zijn. De meeste mensen die  je niet kent, krijgen geen toegang – ik belemmer zelf wel veel die toegang, daar ben ik me van bewust – maar dat is mijn stellinginname. Ik ben wie ik ben, ik hoef geen masker op te zetten. Als iemand mijn werk afkeurt, heeft die persoon daar zijn redenen voor. Ik voel me daarvoor niet persoonlijk aangevallen. Want op welke basis redeneert hij? Wat zijn zijn maatstaven. Als iemand me zijn maatstaven geeft, kan ik zeggen: “Je hebt gelijk, dan kan je mijn werk niet goedvinden, maar je ziet het verkeerd, want….”

HVC: Wie inspireert je meer? Fotografen of schilders/beeldhouwers?

CU: Serra en Chuck Close maken schitterende werken. Maar ik kijk nooit naar de werken apart, ik kijk naar die kunstenaars in hun totaalbeeld. Die zitten in mijn zelfde denkpatroon en denklijn. Van Gergard Richter vind ik sommige werken enorm sterk, maar andere liggen me dan weer niet. Maar ik heb me sowieso van vele beelden afgeschermd, ik me niet wou laten beïnvloeden. Ik wou mijn eigen gang gaan. Ik zag natuurlijk wel beelden – we worden er mee overspoeld – maar bijvoorbeeld bij Eugène Smith – toen ik Minamata gelezen en gezien had - zag ik direct dat ik met een gelijkgestemde ziel te maken had. Het vraagt heel veel inspanning om niet gelijkgestemden te volgen.

HVC: Wat ik me nu afvraag. Ben jij kunstenaar of niet? Voor mij wel.

CU: De enige vereiste om kunstenaar te zijn, is iets met hart en ziel doen. Dat is de essentie. Afhankelijk van je ‘zijn’ ben je in een verder stadium of een minder verder stadium, afhankelijk van de evolutie van je leven. Als fotograaf of als schilder kan je ambachtsman zijn, ofwel ben je net iets meer en kan je het beeld overbrengen en ben je wat ze noemen een ‘kunstenaar’. Ook fotografie kan je niet leren. Je bent fotograaf of je bent het niet. Hoeveel techniek moet je onder de knie hebben om je te kunnen uitdrukken? De kunst is techniek en inhoud in balans te krijgen. Het moeilijkste is iets tijdloos en universeels te maken. Maar als je het vak niet beheerst, kan je niks.

HVC: Dank je voor je wijze raad, Carl.

Hilde Van Canneyt, Copyright 2013


Carl Uytterhaegen stelt tentoon:

Generaties /Binnenskamers (G/B3) is een sociaal documentair foto-essay van de fotografen Carl Uytterhaegen en Abdul-Vahit Duman. Met foto’s van huiskamers (‘binnenskamers’) geven de twee fotografen visueel weer wat generaties van Vlamingen en Turkse immigranten in Gent en Antwerpen van hun ouders overnemen of net niet.

De tentoonstelling is gratis te bezoeken van 8 november tot en met 1 december 2013 in de Zebrastraat 32 te Gent.
Er is ook een monografie uit van G/B3.

statcounter