Interview met Ronald van der Hilst

Interview met Ronald van der Hilst (1965), februari 2012.

Het liedje “Ik geef je een roosje, een roosje” van Connie Vandenbos, wordt vanaf nu “Ik geef je een tulpje, een tulpje”. Met dank aan Ronald van der Hilst, die de tulp weer op een welverdiend voetstuk zet.

Hilde Van Canneyt: Hallo Ronald, je bent in je jonge jaren eerst naar de kunstacademie getrokken. Wat heeft jou nadien getriggerd om een opleiding tuin- en landschapsarchitectuur te volgen? Want daardoor ben je in 1993 ook in België terechtgekomen.

Ronald van der Hilst: De opleiding tuin- en landschapsarchitectuur kende ik niet als jonge jongen. Ik ben op de Veluwe opgegroeid, in een heel groene omgeving. Ik zat altijd in de velden en was veel met planten en bloemen bezig. Mijn ouders zeiden dat ik een agrarische opleiding moest volgen, maar ik dacht bij een agrarische opleiding aan ‘boer’ worden, en dat zag ik niet helemaal zitten. Ik wilde iets creatiefs gaan doen. En zo ben ik op de kunstacademie terechtgekomen, maar dat was uiteindelijk niet echt mijn ding. Voor mij was dat toch te vrij en ik wou iets concreets doen. Maar wat moest ik doen? Ik had helemaal geen alternatief, want ik had altijd gedacht: “Ik ga naar de academie”. Toen ben ik verder gaan zoeken en botste ik op die studie tuin- en landschapsarchitectuur. Wat ik dan ook ben gaan studeren. Ik heb dan een stage gedaan in Antwerpen, maar deed verder mijn opleiding in Boskoop in Nederland. Voor het afstudeerfeestje kwamen de mensen van het bureau, waar ik stage had gedaan, vragen of ik hier kwam werken. Dat was in 1993, een vergelijkbare periode als nu: er was weinig werk en zeker in mijn branche. Als het een beetje slecht gaat met de economie, dan valt de tuin als eerste weg. Ik was wel blij met die job, maar ik dacht toch maar maximaal één jaar in Antwerpen te blijven en dan een wereldreis te gaan maken. Ik wilde de wereld intrekken, misschien zelfs naar Australië gaan. Maar aan het eind van het jaar ben ik mijn vriend tegengekomen en ben ik hier - en aan hem - blijven plakken en vandaar ben ik hier nog steeds. Met veel plezier.

HVC: Woonde je in die tijd al in dit prachtige huis in Antwerpen?

RvdH: Ja, Marcel woonde al in dit huis. En dan ben ik bij hem ingetrokken.

HVC: Het fijne van tuinarchitect zijn, is ook je verbondenheid met de seizoenen. Het nadeel van tuinarchitect zijn, is dat je inderdaad op financieel gebied vaak op limieten botst, omdat de tuin er meestal laatst bijgetekend wordt, waardoor je al snel financieel vastzit en niet alles kan loslaten op de wereld van wat je allemaal zou willen tekenen.
De aanzet voor de tulpenliefde kwam er toen antiquairs en specialiteitenwinkels in de buurt je vroegen om je te engageren voor hun opendeurdagen. Je zag een paar linken naar de tulp: je afkomst, de tulp als tuinplant en de 17e eeuwse bloemstillevens met tulpen pasten wel bij de context van de antiquairs. Je ging verder op zoek en kwam al vrij snel terecht bij een paar collectioneurs van oude tulpenvariëteiten. Ik kon tulpenbollen van hen aankopen en zo kon ik ze dan als ‘levend antiek’  presenteren. Je presenteerde die samen met je eigen geschilderde aquarellen, zodat mensen konden zien hoe die tulpen eruit zouden zien eens ze tot bloei komen.
De eerste tulp op een olieverfschilderij in de zestiende eeuw, werd trouwens door de schilder Maarten Vos afgebeeld, las ik.

RvdH: Inderdaad. In Nederland had ik trouwens helemaal niets met tulpen. Tulpen waren echt cliché en banaal en ik keek er helemaal niet naar om, ik had er geen aandacht voor. Maar toen met die opendeurdagen ben ik daar een beetje als grap mee begonnen…
Ja, ik ben een Nederlander, maar ik wist dus helemaal niets van tulpen af. Ik ben er mij dan in gaan verdiepen, en dan kom je vrij snel bij tulpenkwekers of -verzamelaars terecht. En zo ben ik steeds meer gaan ontdekken over de tulp. Vooral de Antwerpse tulp begon mij echt te fascineren en voor ik het wist is de liefde voor die bloem uit de hand gelopen.

HVC: De tulpen - die eigenlijk door toeval in jouw wereld zijn gekomen - zijn tot op vandaag de dag nog steeds een ware obsessie voor jou, waarmee je wereldwijd succes hebt.

RvdH: Toen ik met die tulpen hier begon, verbaasde het mij hoe de mensen erop reageerden; ze vonden dat hier allemaal heel erg leuk. Als ik zoiets in Nederland zou doen, zouden mensen zeggen: “Allez, waarmee ben jij bezig?” Je moet er al iets zots mee doen om reactie te krijgen. Maar de mensen reageerden goed op de tulpen en legden vaak de associatie met het begin van de lente. In Nederland is er altijd de associatie met toerisme: massatoerisme, massakweek van tulpen, economie… Oudere mensen zeggen me dat ze nog tulpenbollen hebben gegeten in de Tweede Wereldoorlog, tijdens de hongerwinter. In Nederland zijn er meer negatieve reacties op de tulp. Mensen kijken daar helemaal niet naar de uiterlijke schoonheid van de tulp: ze beschouwen de tulp gewoon als een heel goedkope bloem die je op de markt met vijftig tegelijk voor vijf euro koopt.
Ik had zelf ook nog nooit gekeken naar de schoonheid ervan, maar ik ben dat vanaf toen wel gaan doen.

HVC: Jouw huis is uitgegroeid tot een soort tulpenhuis, tot je schilderijen, muren, luchter en vele boeken toe, je hebt het zelfs “The house of tulips” gedoopt. Vind je het jammer dat je geen tuin hebt?

RvdH: Ja, ik mis dat heel erg. Ik heb wel wat planten gezet voor het huis, dus dat is dan wel mijn tuin. En sinds een half jaar heb ik een volkstuin buiten Antwerpen.

HVC: Om er te experimenteren? Wie weet vind je zelfs een nieuw soort tulp uit.
RvdH: Ja, daar kan ik tenminste mijn eigen ding doen.

HVC: We denken altijd dat tulpen uit Nederland komen, maar die zijn eigenlijk via het Ottomaanse rijk tot bij ons gekomen. In Antwerpen was de tulp heel populair bij de elite, zelfs Rubens had een tulpentuin. Wat we ook niet beseffen is dat er 4000 soorten tulpen bestaan, maar dat er maar vijfentwintig soorten tulpen gekweekt worden als snijbloem.

RvdH: (Knikt ja) Sommige mensen weten dan wel dat de tulp uit Turkije zou komen, maar ook dat is te kort door de bocht. De oudste beschrijving die bestaat van een tulp is Chinees. De tulp groeit van oorsprong meestal in bergachtige gebieden in een stenige grond en in een gebied dat vrijwel parallel loopt aan de veertigste breedtegraad, noorderbreedte: van Zuid-Japan tot West-Africa. Vooral het oude Perzië was een bakermat van tulpen. Maar via de zijderoutes – die ook in die zone liepen – werd de tulp verhandeld en kwam ze in Istanbul terecht. Daar werd er door de sultans een goddelijke betekenis aan gegeven door de Perzische naam die ze toen nog droeg: Lâle – wat ‘rood’ betekent, maar wat in calligrafisch schrift bijna identiek is aan Allah en hilâl, de halve maan die het symbool van de islam is. De sultans lieten daarom via de zijderoutes tulpen tot in hun paleistuinen brengen. Istanbul werd zo een echte concentratieplaats van tulpen en vanuit die bron werden dan de eerste tulpenbollen naar Antwerpen gestuurd. En toen men hier besefte dat ze geen uitjes hadden ontvangen maar bloembollen, kleefde daar inmiddels niet meer de naam Lâle aan, maar Tulipan. Een naam die gegeven is door een Vlaming (!) – Ogier Ghiselin de Busbeque - tijdens een rondreis door het Ottomaanse rijk. Hij zag de Turken een bloem in hun hoofddeksel dragen die voor hem onbekend was en hij vroeg de naam. Per vergissing kreeg hij de naam van het hoofddeksel, de tuliban (tulband). In zijn dagboek beschreef hij de nieuw ontdekte bloem dan als tulipan. De botanicus Carolus Clusius heeft er een halve eeuw later de officiële Latijnse naam aan gegeven: Tulipa. Clusius was ook een Vlaming dus dat de bloem nu wereldwijd tulp wordt genoemd heeft een Vlaamse achtergrond.

HVC: We leren bij!
Je was initiatiefnemer van een tentoonstelling waarin je de tulp via kunstenaars en ontwerpers in het daglicht wou stellen. Je vindt het duidelijk belangrijk om het belang en het geheim van de tulp als een soort boodschap naar buiten te brengen. Wat was de feedback op die tulpententoonstelling?

RvdH: Ja, door al die histoires die ik ontdekte over Antwerpen, ben ik naar de schepen van cultuur gegaan - dat was toen Erik Antonis - en die reageerde wel heel enthousiast, maar heeft het moeten doorgeven aan Philip Heylen in 2006. Dat was allemaal heel leuk: alle musea hebben hun collectiestukken met als thema tulp uit hun depots gehaald en ik ben dan ook naar het grote kunstdepot gegaan om dingen te zoeken. In de Nationalestraat hebben we het vitrineparcours over het thema ‘de tulp’ gedaan: in plaats van “In naam van de roos”, was het “In naam van de tulp”. Het was leuk om ook de mode erbij te betrekken. Zo heb ik voor de modeontwerpster Revtal Avidar een collectie ontworpen en stoffen beschilderd, waarvan zij dan kledingstukken heeft gemaakt. Dat was leuk, want ik wist helemaal niets, ik kreeg alleen lappen stof en had geen idee hoe het eruit ging zien. Ik heb toen ook haar vitrine helemaal beschilderd met tulpen, wat een boeiend project was. Ik heb toen ook verschillende tuinen aangeplant met verschillende historische tulpen. Ook de tuin van het Antwerpse Rubenshuis en van het Antwerpse Plantin-Moretus Museum heb ik ook beplant met historische tulpen. Dat was allemaal voor dat jaar 2006 en dat heb ik gedaan volgens de 16de-eeuwse Renaissance-methode. Mensen vonden dat een beetje raar, denk ik, want toen was het niet de bedoeling om massa's tulpen in een perkje te planten, ze werden meer als een soort edelsteen in de tuin beschouwd, omdat tulpen ook heel kostbaar waren. De meest kostbare tulpen stonden centraal als duurste diamant in het collier of als een kroon.
Ik heb daardoor veel pers gehaald. Koningin Beatrix is dat jaar ook gekomen op staatsbezoek en zij heeft als officieel cadeau de tulpenvaas gekregen namens de stad Antwerpen.

HVC: Ik las dat zij oude bloemvazen verzamelt.

RvdH: Ja, dat klopt. Ze is collectioneur van zowel tulpenvazen als glas. Dat was heel leuk, ze was heel passioneel en we hadden daarom een heel inhoudelijk gesprek.

HVC: Kan jij ons, leken, iets bijleren over de tulp? Hebben die bijvoorbeeld een symbolische betekenis?

RvdH: Ja, als je een vriendschap wou aanknopen in de Victoriaanse tijd, dan gaf je een bos tulpen.

HVC: Ah, vandaar de bos tulpen die ik onlangs kreeg…

RvdH: (lacht) Wat ik zelf bijzonder vind aan de tulp, is de vorm. Als die in zijn knop zit, lijkt die op een ganzenei, niet echt met een voor - of een achterkant.

HVC: Niet zoals bij een orchidee of een roos?

RvdH: Ze bewegen naar het licht, ze staan niet zo statisch als een roos. Ze zoeken warmte en licht en bewegen dus continu. Dat vind ik er ook gemakkelijk aan. Ik hou niet zo van bloemschikken. Ik hou wel van bloemen, maar tulpen zet je gewoon neer en na een uur staan die toch anders. Het maakt niet uit hoe je ze in de vaas zet, die doen het zelf wel. Dat vind ik leuk.

HVC: Een tulp is heel sereen, maar ook heel barok. Ik had daar niet bij stilgestaan. Hebben tulpen altijd die vlammen in hun blaadjes gehad of is dat iets dat er later is bijgekomen?

RvdH: Dat is iets wat je vooral op die oude schilderijen ziet. Maar die vlammen zijn veroorzaakt door een virus en dat hebben ze nog maar honderd jaar geleden ontdekt. En door dat virus kon je nooit op voorhand weten hoe de tulp eruit ging zien. Of ze egaal rood zou worden of dat er vlammetjes in zouden zitten. Ze vonden het echt een wonderbaarlijke bloem die heel onvoorspelbaar was. Maar die tulpen met witte ondergrond en rode vlammetje brachten op veilingen in het begin van de 17e eeuw heel veel op. In Nederland had je de ‘tulpomanie’, mensen gaven duizenden guldens voor één tulpenbol. Rond 1630 lag het hoogtepunt van de tulpenmanie. In Amsterdam zijn er tulpen geveild voor de waarde van een groot Amsterdams grachtenpand met complete inboedel en zilverwerk. Dat is echt ongelofelijk. Het is een beetje gek ook dat die Nederlanders - je kent ze van op de schilderijen, allemaal in het zwart gekleed met die witte kragen, heel calvinistisch en sober - helemaal uit hun dak gingen met hun tulpen. Dat was een beetje raar. Maar in 1637 klapte die tulpenhandel als een zeepbel uit elkaar. Mensen die economie hebben gestudeerd kennen de tulpomanie als het eerste voorbeeld van de zeepbel-economie en als de grootste beurskrach ooit in de geschiedenis.

HVC: Wat is het bekendste schilderij met tulpen?
RvdH: Een schilderij zonder bloem wellicht: van Rembrandt van Rijn: ‘De anatomische les van Dr Nicolaes Tulp’. Het geeft het belang van de tulp in Nederland aan in de periode eind 16e – begin 17e eeuw: mensen met aanzien lieten hun familienaam zelfs aanpassen in ‘Tulp’. In Vlaanderen zijn er fantastische bloemenvazen met tulpen van Breughel en de allereerste gedrukte afbeelding ooit van een tulp in de Plantijse drukkerij.

HVC: Laten we het even over je projecten hebben. Je ontwierp voor Val Saint-Lambert de tulpenvaas ‘Bulbe’, in de vorm van omgekeerde tulpenbollen die je in elkaar zet.
Dit soort pique-fleurs zijn meer aan jou besteed dan klassieke vazen, want tulpen zijn onvoorspelbaar.

RvdH: Die pique-fleurs zijn ideaal voor tulpen. Ook omdat ik in het begin met die oude soorten bezig was en ik het heel erg mooi vond om die individueel te kunnen bekijken in plaats van dat ze in een bundel op elkaar gedrukt staan. Maar elke bloem is individueel eigenlijk schitterend.

HVC: Je werkt nu nog altijd samen met Val Saint Lambert, dat is een project dat blijft doorlopen. Voor Bardelli maak je grote wandtegels, ‘de Tulipani’, waarvan je al verschillende collecties hebt. Je maakt en presenteert één keer per jaar een collectie, zij voeren dat vervolgens uit. Daarnaast heb je manchetknopen en halssieraden gemaakt voor Anne Zellien.
Je tekent ook vaak samen met kunstenaars. Je hebt ook contact met Venetiaanse glasblazers en je hebt voor Menno Kroon de tuin ‘Falling Drop’, ontworpen, een collectie post- en wenskaarten.

Zijn er nog andere plannen die je in het vooruitzicht of ben ik nog iets vergeten?

RvdH: De keramieke vazen van Mobach heb je niet vermeld.

HVC: En hoe ben je daarin verzeild geraakt?

RvdH: Via Menno Kroon eigenlijk. Twee jaar geleden had ik een heel grote tentoonstelling bij Menno Kroon. Menno Kroon is zoals je hier in België Daniel Ost hebt, een belangrijke florist in Nederland. We hadden buitenshuis een heel grote presentatie gehad en toen heb ik twee tulpentuinen ontworpen. Bovendien is Menno Kroon al jarenlang een goede klant bij Mobach, wat een echt familiebedrijf is, ook wat het ontwerpen betreft. Via Menno ben ik daar terechtgekomen. Zo ben ik eigenlijk de eerste externe ontwerper die daar vazen en potten ontwierp. Dat is heel leuk en vooral bijzonder.

HVC: Hoe ben je aan dat soort projecten beginnen te werken? Je bent tenslotte buiten begonnen en door toeval designer geworden.

RvdH: Ik ben begonnen bij Val Saint Lambert en had al heel veel schetsten gemaakt voor vazen, maar ik had geen concreet idee om iets in kristal te doen. Toen las ik een interview met de toenmalige directrice van Val Saint Lambert. Zij zocht naar nieuwe concepten, naar nieuwe ideeën en ik dacht toen: “Waarom niet, ik kan altijd een gok wagen”. Ik heb een aantal schetsen meegenomen en daaruit heeft ze één weerhouden. Zo is dat begonnen. Bardelli, de tegelfabrikant, is zelf naar mij gekomen. Dat kwam doordat ik in 2006 veel pers had, en in Italië had ik een artikel in de Elle Decor. Zo hebben ze mij gecontacteerd om tegelcollecties te ontwerpen.

HVC: Wie of wat zijn je voornaamste inspiratiebronnen als je iets ontwerpt?

RvdH: De tulp. (lacht) Voor de objecten dan. Voor tuinen is het meestal iets vanuit een andere discipline: een muziekstuk, een schilderij, een compositie waardoor ik geboeid ben.

HVC: Dat wezentje, de tulp, is het altijd een aanwezige?

RvdH: Dat is eigenlijk wel een constante.

HVC: Ben je niet bang dat dat op den duur wat te klef wordt, of dat je verhaal uitverteld geraakt of…
Zou je je tulp ooit durven bedriegen met een andere bloem? Of denk je dat je nog even verder kan met de tulp?
RvdH: Ja, soms heb ik periodes van twijfel, maar elke keer kom ik tot de conclusie dat er eigenlijk nog heel veel in zit. Nu ben ik bezig met een ontwerp voor een servies met het thema tulp. Ook met textiel ben ik momenteel bezig. In de tulpenperiode van Istanbul werden er verzen gecomponeerd voor de mooiste soorten tulpen en daarvoor muziek werd geschreven. Eigenlijk is het eindeloos.

HVC: Je bijnaam is mijnheer Tulp. Voel je je daar goed bij?

RvdH: Dat zeggen ze wel eens als ze mijn familienaam niet kennen, maar dat vind ik niet erg. Een vriendin van mij ontwerpt schoenen en zij wordt ook aangesproken als ‘mevrouw Schoen’. Meneer Tulp en Mevrouw Schoen gaan wel eens samen op pad...

HVC: De mensen kennen je door ‘het beeld’ van de tulp en daarom komen ze bij jou terecht.

RvdH: Het is een kapstok, het werkt naar twee kanten toe. Het zou zonde zijn om dat los te laten.

HVC: Je hebt de geschiedenis van de tulp bestudeerd. Ben je niet bang dat het soms niet diepgaand genoeg is, dat het te veel op het illustratieve blijft? Je weet wat ik bedoel. Dat je niet dieper kan graven in een bepaald onderwerp, dat het oppervlakkig blijft.

RvdH: Ja, ik heb een tijd gehad dat ik dacht: “Nu begint het op de vlakte te zweven”, maar nu ben ik er weer helemaal ingedoken en denk ik dat er zit nog ontzettend veel inzit.

HVD: Zoals bij een schilder, het is iets wat niet in woorden te vatten is.

RvdH: Je hebt bijvoorbeeld die wilde soort tulp. Of je hebt die redelijk kleine tulpjes die niet zo hoog zijn en in Turkije groeien of in West-China. Ik heb altijd het gevoel dat als je naar die tulpjes kijkt, dat je ook begrijpt waarom die mensen daar bepaalde dingen doen met kleuren of met kleren, dat die inspiratie uit die bloemenwereld toch heel sterk geweest moet zijn. Dat is iets dat me heel erg fascineert en bezighoudt. Als je dat kleine dingetje ziet uit velden in de bergen, dan zouden de mensen geïnspireerd moeten zijn door de vormentaal ervan. Je ziet ook hoe in verschillende culturen en in verschillende periodes zo anders omgegaan wordt met die simpele bloem. Er wordt of geloof of geld aan gekoppeld of het is de uiting van verfijnde smaak. Nu is het – vooral in Nederland – platvloerse commercie geworden, totaal ontdaan van charme en schoonheid. De cultuur wordt er afgeschuurd. Het gaat om aantalllen. ‘Dig, Drop, Done’ is er de nieuwe campagneleus voor de tulpenteelt, dit om aan te geven hoe simpel het is. Ik zoek naar het stukje ‘Haute Couture’ van de tulp, de backstage. We weten het niet goed.

HVC: Ken je de Belgische kunstenaar Koen Van Mechelen, die – waarschijnlijk per toeval - met ‘kunst+kippen’ bezig was en nu die kippen gebruikt als onderzoeksplatform?
Zie jij jezelf ook als een soort onderzoeker van tulpen?

RvdH: Zonder de voedingsbodem van die informatie zou het inderdaad een heel leeg onderwerp worden. Waarschijnlijk ga ik in het voorjaar naar Kazachstan, dat is een land dat bij de zijderoute ligt en waar de tulpen bovenop de bergen groeien. Ik wil het ook zo zien en beleven en kijken hoe de mensen daarmee omgaan. Een stukje antropologie als het ware.

HVC: Wat is voor jou het fijnste aspect van je job?

RvdH: Als ik erop terugkijk, dan vind ik het vooral heel verrassend wat ermee gebeurd is. De koningin ontmoeten in Antwerpen op het stadhuis, dat had ik nooit van tevoren bedacht natuurlijk. Maar door dat onderwerp, kom je op zulke dingen. Ik ben bijvoorbeeld naar China gegaan om een paviljoen voor de provincie Antwerpen te ontwerpen in Chong Ching. De provincie Antwerpen heeft al meer dan 25 jaar een handelsrelatie met Chong Ching, een hele grote stad met meer dan 34 miljoen inwoners en daar werd een internationale expo gehouden. Voor die inzending heb ik het paviljoen ontworpen - vanzelfsprekend met het thema de tulp -, want de Chinezen wilden per se een paviljoen. Ja, dat vond ik ook heel leuk, omdat ik toen in China was. En de allereerste beschrijving van een tulp (in het Ching Chang-gebergte) is Chinees. Dus ik dacht: “Ja, nu kom ik het weer op het spoor”.

HVC: Kennen ze in China tulpen?

RvdH: Ja, je hebt daar wilde tulpen. En als je erover spreekt, zeggen ze: “Ja maar dat is Nederlands”. En dan zeg ik: “Neen, dat is niet waar, dat is eigenlijk een beetje van jullie”. Eens je erover begint te praten, zijn ze ook helemaal geboeid natuurlijk. Dat vind ik ook heel leuk, dat je hen een soort eye-opener biedt, mensen kijken altijd zo oppervlakkig naar dingen. En eigenlijk, wat ik met tulpen heb, dat kan je inderdaad met kippen hebben of met weet ik wat. Maar achter alles zit waarschijnlijk zo'n verhaal. Dat vind ik het boeiende en inspirerende eraan: dat er zoveel dimensies verscholen zitten achter zo'n ogenschijnlijk simpel onderwerpje.

HVC: Ben je bevriend of gefascineerd door andere ontwerpers?

RvdH: ‘Mevrouw Schoen’ dus,: Catherine Willems. Zij heeft al eens een collectie tulpenschoenen gemaakt. Ook juweelontwerpster Anne Zellien, waarmee ik samen een project heb gedaan, bewonder ik. Met costuumontwerpster Chris Snik heb ik al dingen samen gedaan en soms doe ik een project met fotografen, zoals de laatste tijd regelmatig met Michael James O’Brien. Met hem heb ik onder andere een groot bloemstilleven gemaakt op 17e eeuwse wijze - inclusief de vanitassymboliek - in een tulpenvaas van mij. Toen heb ik wel af en toe gevloekt dat die tulpen niet eventjes stil kunnen staan. Ik ken Koen van Mechelen niet persoonlijk, maar ik vind dat wel een leuk verhaal. Ik spiegel me niet daaraan, helemaal niet, maar ik begrijp dat heel goed, dat doorgaan op een onderwerp. Als ontwerper vind ik Josef Frank heel fascinerend en inspirerend. Hij werkte in Zweden, maar leeft niet meer. Hij maakte heel veel textielontwerpen: intelligente ontwerpen voor bloemenprints.

HVC: Bestaat er een scheidingswand tussen jouw leven en de tulp?

RvdH: (twijfelt) Dat is echt een passie, dus dat is wel een deel van mijn leven.

HVC: Eigenlijk sta je er mee op en ga je ermee slapen?

RvdH: Niet iedere dag, maar het scheelt niet veel, maar ik beschouw het niet als mijn ‘werk’.

HVC: Waarvoor heb je totaal geen talent? Je bent ontwerper, dat betekent veel variatie, verschillende materialen en mensen waarmee je moet samenwerken.

RvdH: Pas twee weken geleden was ik in Parijs op ‘Maison et Objet’, een grote beurs voor design en interieur. De eerste dag dacht ik: “Goh, wat loop ik hier eigenlijk te doen?” Als je al die designs ziet, weet je het allemaal uit computerprogramma's komt. Dan voel ik me echt van een andere planeet. Ik denk dan: “Dat is echt niet mijn ding en dat zal ook nooit mijn ding worden.” Ik hou echt van het ambacht: het echte ding.

HVC: Stoot je als ontwerper nooit tegen een gebrek aan métier aan zoals een muzikant die geen noten kan lezen, en daardoor ook wel eens vloekt?

RvdH: Ja, ik had misschien meer technische skills moeten leren. Af en toe loop ik daar een beetje tegenaan, maar ik zoek ook wel steeds die uitdaging van iets nieuws. Dat is ook inherent aan de verscheidenheid waar ik mee bezig ben. Voor die veelzijdigheid is het onmogelijk om een basispakket skills aan te leren, maar met mijn praktische ingesteldheid vind ik daar altijd mijn weg in. Nu ben ik bezig met mallen – moules – te maken. Het lijkt me wel handig om te werken met prototypes aan de hand van een malle.
Dat kan ik nu niet, maar ik zal daar een cursus voor volgen.

HVC: Wat is je belangrijkste karaktertrek? Waardoor ben je al zo ver geraakt?

RvdH: Ik denk dat ik heel consequent met het onderwerp ben doorgegaan. En ik heb geduld, ook een goede zaak! Ik denk niet dat ik snel afhaak. Ik ben ook een initiatiefnemer. Ik denk ook niet snel dat iets niet mogelijk is. Ik durf te dagdromen. Zoals dat project in China vorig jaar. Je kan van tevoren denken: “ Dat lukt toch nooit”, maar opeens is het er dan. Ik ga wel vaak met de rivier mee, denk ik.
Men zegt hier vaak dat ik bescheiden ben, misschien klopt dat wel voor een Nederlander. (lacht) Daarom voel ik me hier wel thuis.

HVC: Wanneer kunnen we de mooiste tulpen kopen? Hoe kan je ze het best verzorgen? Kan je ons wat opvoedkundige regels over de tulp(en bol) geven?

RvdH: Wat ik jammer vind, is dat men nu het hele jaar door verse tulpen kan kopen, waardoor het seizoensgevoel een beetje verdwijnt. Maar de mooiste tulpen koop je vanaf februari tot april. Dan komen ze echt uit de grond, niet uit serres of zo. De bollen koop je van september tot november ongeveer. Ze mogen, als ze in de vaas staan, niet te veel water hebben. Een paar centimeter is genoeg. Anders worden de stelen snel slecht. Om de paar dagen even een stukje afsnijden, zorgt ervoor dat ze langer staan. In de tuin: veel soorten door elkaar mengen, de tulpenbollen strooien en planten waar ze vallen. Ook als er op het gazon vallen. Dat geeft een veel frissere en natuurlijkere uitstraling dan de klassieke tulpenperkjes. Als ze op een goed gedraineerde en zonnige plek staan, komen ze ook de jaren daarna gewoon weer terug. Dus vergeet dat uitgraven na de bloei eens.

HVC: Wat is jouw favoriete tulp?

RvdH: ‘Zomerschoon’ uit 1620, ivoorwit met zalmkleurige vlammen waarvan in 1636 een bol verkocht is voor en er is 1.000 Gulden. Een andere is de Tulipa acuminata. Een bizarre vorm en de enige tulp die familie genoemd kan worden van de zogenaamde Istanbul-tulpen die helaas uitgestorven zijn.. Je staat er niet bij stil dat er ook geurende tulpen bestaan, tulpen met een gewéldige geur en een sterk parfum. ‘Murillio’ uit de 19de eeuw, die ziet er een beetje uit als een ‘Pioenroos’. Als je er eentje op de schouw zet, dan ruik je hem bijna tot hier aan de tafel.

HVC: Is die geur bij andere tulpen dan minder? Ik had daar nooit bij stilgestaan.

RvdH: Van de vierduizend tulpen die er bestaan, zijn er misschien vijftig met een geur en twintig met een goeie geur. Normaal ruik je een bos tulpen niet.

HVC: Ik las wel dat het een van je dromen was om ooit een tulpenparfum uit te brengen.

RvdH: Ja!

HVC: Dan gaan we daar nu voor duimen!
Waar en wanneer kunnen we je werk nog bewonderen?

RvdH: In april en mei 2012 is er een tentoonstelling in het Arboretum van Kalmthout, en daar bloeit dan een tulpentuin die ik heb ontworpen. Dat hebben we gedaan omdat het dit jaar vierhonderdvijftig jaar geleden is dat de tulp in Antwerpen is aangekomen, wat wel bijzonder is. Het arboretum bestaat zestig jaar en het is ontwikkeld uit een kwekerij. Ik heb een soort kwekerijmotief gemaakt met lange banen en daarin heb ik patronen gemaakt met tulpen. Daarnaast ga ik er ook een expo van vazen presenteren.

HVC: Wat is een arboretum trouwens?

RvdH: Een verzameltuin met bijzondere bomen. Het Arboretum van Kalmthout heeft echt wel wereldfaam op dat vlak. Het was er voor veel mensen wel even wennen, dat daar opeens de tulp opdook.

HVC: Bedankt meneer Tulp, om me in de wondere wereld van de tulp in te leiden. Een tulp zal voor mij nooit meer hetzelfde zijn.

Hilde Van Canneyt


statcounter