Interview met Jean Bilquin



vorig interview: Thierry Mortier, volgende interviews: Geoffrey Enthoven/Peter Buggenhout

Interview met Jean Bilquin (1938), Drongen, winter 2012- zomer 2013.



Hilde Van Canneyt: Nadat je grafische vormgeving studeerde en avondles volgde aan de academie - en later werkte in een fotogravure, dan in een drukkerij en dan nog later aan de slag ging als grafisch ontwerper in een reclamebureau - heb je uiteindelijk besloten om in de jaren '60 een carrière als kunstenaar uit te bouwen. Hoe is die klik er gekomen en wat waren je drijfveren om in dit vak te stappen?
Jean Bilquin: Eerst moet ik je vertellen hoe ik er toe gekomen ben om een opleiding als grafisch tekenaar te kiezen. Ik had namelijk een oom die mij vertelde dat hij nogal wat kunstenaars had gekend en dat het allemaal armoezaaiers waren, sukkelaars die hun werken soms moesten omruilen om wat eten te hebben. Hijzelf had een aantal schilderijen gekocht die hij mij liet zien als ik erom vroeg, want bijna al zijn werken waren ingepakt en netjes opgeborgen. Dat fascineerde mij natuurlijk en ik denk dat ik op die manier nog een grotere behoefte heb gekregen om later kunstenaar te worden, want ik wist bij mezelf al dat ik dat wilde worden. Maar door die negatieve raad te krijgen ging ik toch maar eerst naar de beroepsschool om er grafisch tekenen te volgen. Waar ik trouwens ook veel heb geleerd.
Tezelfdertijd ging ik ’s avonds reeds van mijn dertiende jaar naar de avondschool in de academie. Dat was elke avond van de week: van 17.30u tot 19.30u en dat gedurende 7 jaar.
Mijn eerste werk was in een fotogravure, maar ik voelde bij mezelf dat dit niet mijn wereld was. Zo ben ik enkele keren van werk veranderd tot ik uiteindelijk in Brussel in een publiciteitsagentschap kon werken. Eerst als uitvoertekenaar en na een tijdje als ontwerper. Wat mij dan weer tot het inzicht bracht dat ook dit mijn wereld niet was. Het deed me vooral inzien dat ik niet de mentaliteit had mijn tijd en energie, voor de rest van mijn leven, in die oppervlakkige showwereld te steken.
Zo ben ik in 1967 definitief gestopt en heb ik mij vanaf dan volledig gewijd aan mijn eigen werk.
Het was natuurlijk een onvoorspelbare tijd, maar ik heb daar nooit veel moeite mee gehad. Ik had het geluk dat ik toch een zekere respons kreeg en dat er mensen waren die mijn werk apprecieerden en ons hielpen, waardoor wij weliswaar met weinig konden overleven.

HVC: Toen was je ook geen leraar en had je ook het geld niet om zomaar te beginnen schilderen.
JB: Neen, ik ben begonnen als vrije kunstenaar. Tijdens de tien jaren die volgden, heb ik alleen maar getekend en geschilderd. Je kan toch niet blijven ingaan tegen je eigen ding, dat gaat niet. Ik ben niet gelovig, maar ik begrijp dat er mensen zijn die plots de behoefte voelen om naar een klooster te gaan. Waarschijnlijk is dat ook door omstandigheden. Het heeft iets te maken met geloof: je gelooft in jezelf of in een ander of in gelijk wat. De werken die ik toen maakte stonden nogal dicht bij de Vlaamse expressionisten, ze hadden iets naïefs. De bedoeling was voor zover ik wist waar ik mee bezig was, om zoiets te maken en dat was natuurlijk voor een stuk een reactie op die wereld van de publiciteit waar alles oppervlakkige show is... En het verbetert er niet op, het wordt alleen nog maar erger. Zo wou ik dus loskomen van die wereld die mij niet interesseert.

HVC: Hoe is dat leraarschap er gekomen? Had je het gevoel dat je er toch nog iets bij moest doen?
JB: Neen, want ik had absoluut geen behoefte om les te geven. In feite heb ik altijd een allergie gehad voor scholen. Natuurlijk is een academie geen school zoals een gewone school. Maar spijtig genoeg is alles zo geëvolueerd dat er nog weinig verschil is tussen een gewone school en een academie.
Hoe ben ik toch les beginnen geven? Het leven hangt soms samen van toevalligheden en de invloed van andere mensen rondom. Ik had een vriend, André Roeland, die me vroeg of ik in zijn plaats les wilde geven aan het RHOK in Brussel. Eerst had ik geen zin, maar na lang aandringen begon ik het als een uitdaging te ervaren en zo ben ik in die wereld terecht gekomen. De eerste jaren viel dat wel mee, want je krijgt toch wel een positieve respons van de studenten en dat geeft je wel een soort energie. Maar na een paar jaar kreeg ik de kans om les te geven aan de academie van Gent en dat was net op tijd, want ik vond het na een paar jaar genoeg geweest. In die tijd was de academie nog een plaats waar ik me goed in voelde. De directeur, Pierre Vlerick, was zelf ook een goed kunstenaar en hij wist het juiste evenwicht te creëren waarin er een grote vrijheid kon ontstaan voor de docenten en de studenten. Daarbij heeft hij de academie van Gent ook een uitstraling gegeven via de culturele activiteiten die hij organiseerde – zowel theater als muziek - in de Zwarte zaal.

HVC: Hoe oud was je toen je begon met schilderkunst te geven?
JB: In '67 ben ik gestopt met publiciteit en tien jaar later ben ik beginnen lesgeven in de academie, dat was in '77 – ik was toen 39 jaar. Het waren prachtige jaren waar ik ook zelf veel heb uit geleerd – ook op menselijk vlak - door de confrontatie met de studenten.

Het kleine duiveltje, 1999 (170x140)
HVC: Wat was de reactie van het publiek toen je als kunstenaar met je werk naar buiten kwam?
JB: In het begin had ik al relatief veel succes met mijn werk. Het was werk dat nogal veel mensen aansprak. Het waren werken die wel dicht bij het expressionisme stonden, maar die ik toch op een eigen manier vormgaf. Het was als reactie op die oppervlakkige wereld van de reclame. Ik zocht de eenvoudige gewone mens in al zijn “zijn”, als individu en als simpel, naïef wezentje.

HVC: Heb je veel last gehad van eenzaamheid gedurende je carrière? Lonely at the top?
JB: Ja, zo is het gewoon. Bij een muzikant of een toneelspeler is dat iets anders,  zij treden op voor een publiek. Maar een plastisch kunstenaar ... wij zijn altijd alleen met ons werk. Het is misschien raar om te zeggen, maar ik ervaar dat niet negatief. Het is een andere wereld en alleen zijn met jezelf geeft je ook meer kans om dieper na te denken en je te concentreren op je werk. Zelfs in de eenzaamheid die de essentie is van de mens – of liever het lot van de mens – en waarin je verplicht bent om te zoeken naar een openheid die zeer abstract is en ook de essentie is van de ruimte. Maar als ik werk, ben ik niet alleen, omdat ik dan met iets bezig ben dat evolueert en tot leven komt - als het lukt natuurlijk. (lacht)

HVC: Dat is inderdaad het moeilijke. Fotograaf Carl Uytterhaegen (°1944) vertelde me bijvoorbeeld dat hij nooit foto's gaat tonen waar mensen bij zijn, omdat hij dan feedback vraagt en mensen durven toch niet eerlijk te zijn. Dus heeft hij liever dat zijn goede vrienden naar zijn expo gaan waar hij niet aanwezig is, zodat hij de schijnheilige kritiek niet moet horen.
JB: Ja, zo zijn de mensen uiteindelijk, en toch voel je de behoefte om feedback te krijgen. 



atelierbeelden
HVC: Heb je een vast werkpatroon? Werk je van 9 to 5 of werk je liever ’s avonds/'s nachts?
JB: Ik sta op rond 9 uur, soms vroeger. Ik ondervind dat ik 9 uur slaap nodig heb. Ik ontbijt en ga naar mijn atelier. Gewoonlijk werk ik dan tot 13u in mijn atelier met een paar onderbrekingen om iets te drinken. Ik werk normaal tot ongeveer 19u, na het avondeten werk ik nog zelden in mijn atelier. Soms maak ik ’s avonds nog een wandeling. Wat niet betekent dat ik ’s avonds niet in mijn atelier ga kijken naar het werk dat ik die dag heb gemaakt.

HVC: Mis je tegenwoordig niet het sociale contact dat je had toen je nog op de academie werkte? Je vrouw is wel thuis ...
JB: Toen werkte ik tot 20 uur, ik werkte de hele dag. Nu komen er ook veel andere dingen bij. Vooral mijn sculpturen. Enfin, ik doe zoveel dingen ... Er zijn ook zoveel dingen die ik niet kan doen, omdat ik zelfs geen tijd heb. Grafiek maak ik bijvoorbeeld bijna niet meer. Ik had vroeger twee persen, maar ik heb er één van verkocht. Je kunt niet alles doen.



interieurbeelden
HVC: Concentreer je je nu vooral op je beelden of op je schilderijen?
JB: Ik teken veel, maak veel notities in tekenboeken van waaruit ik vertrek om werk te maken. De laatste jaren boeit het mij om een thema dat ik uitwerk in een schilderij of tekening,  ook driedimensionaal - vorm te geven. Ik vind dat enorm interessant, omdat eenzelfde uitgangspunt totaal andere facetten krijgt die anders onmogelijk zijn. En de realiteit zit ook zo in elkaar: het is de vorm die de inhoud bepaalt en als plastisch kunstenaar heb ik die mogelijkheid. In de natuur is dat ook zo: elk object wordt totaal anders naargelang het seizoen of de belichting.

HVC: Ik was aanwezig op je publieke interview met Willem Elias op de kunstbeurs Lineart in december 2011. De provincie steunt de laatste vijf jaar ieder jaar een kunstenaar die een hommagetentoonstelling krijgt en dit jaar was jij dat.
Daar zei je “Kunst maakt in zekere zin zichzelf, de kunstenaar is een bevoorrecht intermediair, een uitvoerder, een interpretator van wat het verleden ons leert.” Je ziet jezelf dus meer als een uitvoerder, niet van wat jij denkt, maar van wat het heelal je brengt. Klopt dat?
JB: Ja, voor een stuk wel. De kunstenaar vindt de wereld niet uit, maar kan slechts een interpretatie geven van wat aanwezig is. Mocht er geen wereld zijn, dan zouden er ook geen kunstenaars zijn. Alleen doordat er dingen zijn, kan de kunstenaar kiezen wat hem boeit, waar hij iets mee doet en waar hij een vorm aan geeft. De wereld is oneindig complex, zodat het er op aankomt om de juiste keuze te maken.

HVC: Geloof je in de kunstenaar als genie?
JB: Dat is allemaal niet waar, dat bestaat niet. Het verschil met andere mensen is dat een kunstenaar iemand is die over de dingen nadenkt: over de natuur, over de mensen, over de werkelijkheid en dat hij de behoefte voelt om er iets mee te doen en er een vorm aan geeft.
Maar de meeste mensen willen daar niet mee bezig zijn of dieper op ingaan, omdat het iets lastigs is, omdat het een soort van onrust geeft. Het interessante aan kunst is dat kunstenaars dat vastleggen en dat mensen zich daar later in herkennen. Als ik iets lees van een schrijver die ik formidabel interessant vind, dan zijn dat vaak zaken die je zelf ook ooit gedacht hebt, maar nooit die vorm zou kunnen geven hebben. Dat die persoon het zo kan formuleren, maakt hem tot een goede schrijver. Maar het formidabele van kunst is dat het absurd kan zijn, maar toch de werkelijkheid kan vastleggen. De surrealisten, René Magritte bijvoorbeeld, hebben enorm veel waarheid vastgelegd en toch is het absurd. Maar de wereld is ook voor een stuk absurd.

HVC: Hoe blik je terug op de verschillende fases van je carrière? Willem Elias zei: “Zijn oeuvre is bijna een hinkelspel van verschillende figuratieve en abstracte werken”. Toen Elias naar je hoogtepunt vroeg, antwoordde je dat de kunstenaar eigenlijk het meest met zijn laatste werk bezig is, omdat alles wat je maakt ook een gevolg is van wat je vroeger gemaakt hebt. Het is altijd een evenwicht om de juiste vorm te geven aan dat wat je zoekt. Sowieso zie je dat als kunstenaar als een gesprek met jezelf – het is een manier om een gesprek aan te gaan, maar tegelijkertijd is het een gesprek dat nooit af is.
JB: Ook met woorden spreek je altijd tegen jezelf, ook als je met iemand anders spreekt. Ik denk dat iedereen zo is. Iedereen spreekt voortdurend tegen zichzelf. Niet luidop natuurlijk, anders zit je in een gekkenhuis.
Een kunstenaar denkt en spreekt ook in het medium waarin hij zich uitdrukt. Als plastisch kunstenaar denk ik ook in ruimte, vormen en kleuren, alsook in materie, licht en duisternis. 

Stappende mensen en hindernissen, 2002 (100x150cm)
De overtocht, 2005 (gips en beton, 76x60x20cm)
HVC: Eerst ben je gaan schilderen, later ben je gaan beeldhouwen. Je bent dus veranderd van métier, waardoor je jezelf zou kunnen beperken. Maar je zei: “Het moet altijd lijken alsof je voor de eerste keer een werk maakt, het moet een strijd met de materie blijven.”
JB: Het mag geen systeem worden, het moet fris blijven, zodat je de behoefte voelt om verder te werken. Het moet een uitdaging zijn om te zorgen dat het nieuwe er nog in blijft zitten. Je doet alles ook altijd op een andere manier. Anders zou je stoppen, maar er is geen enkele kunstenaar die stopt. Waarom? Omdat je natuurlijk nooit 100% tevreden kan zijn over een werk. Het is nooit volledig allemaal af en je evolueert ondertussen altijd maar. Wat ik nu denk en zeg is niet wat ik zou gezegd hebben toen ik twintig was. Het zou maar erg zijn: je hele leven lang altijd maar hetzelfde zeggen.

HVC: Daarom interview ik ook graag oudere kunstenaars of iemand die al iets gepresteerd heeft. Sommige zelfgenoemde kunstenaars die net van school komen, denken soms dat ze het warm water hebben uitgevonden, terwijl ik ze dan liever nog wat laat brubbelen in hun warm water. Ze nemen het mij soms kwalijk dat ik nog geen interview met hen afneem, maar ze zijn soms nog te weinig geaard. Wat evengoed interessant kan zijn. Maar als ze interessant zijn, lopen ze toch niet weg.
JB: Alle kunstenaars beginnen met wat hun voorgangers hebben gedaan, maar door te werken komt men tot zijn eigen wereld. Er bestaat geen echte regel hoe dat komt, maar door de evolutie in je eigen werk en door de veranderingen die je in het leven ervaart, ontstaat er iets wat er voordien nog niet was. Dat is de essentie van het werk. Eigenaardig genoeg is dat de kern waarover het gaat en eigenaardig genoeg is het resultaat dikwijls al aanwezig in de eerste werken, maar nog niet voldoende uitgesproken. Hier zit de kern, maar zoals ik reeds zei: “Een kunstenaar is geen uitvinder, hij is een “vinder” - en soms ook een “vlinder”. (knipoogt)

HVC: Ben je dan nu niet meer in staat om het beste werk te maken? Je hebt toch vijftig jaar ervaring opgebouwd? Dan moet je dat toch kunnen sublimeren?
JB: Ik weet dat niet, je kan dat niet weten. Je eigen werk inschatten is wat je toch maar na een zeker tijd kan. Ik heb ondervonden dat werken waar ik soms heel tevreden over was, achteraf gezien toch niet de beste werken waren. Natuurlijk ben je nooit 100% tevreden. Op het moment dat je het gemaakt hebt wel, maar 's anderdaags begint dat alweer te verslappen. Je vindt het goed genoeg om te stoppen en een volgend werk te maken. Je kan er ook niet mee bezig blijven, want je kan ook een werk kapotmaken. Dat heb ik ook al meegemaakt. Ik heb al verschillende keren een werk vernietigd door er te lang op te werken. Dat is één van de problemen van een kunstenaar: er volop geconcentreerd mee bezig zijn en er afstand kunnen van nemen en op tijd beslissen of een werk af is. Dat is een probleem waar kunstenaars vóór het modernisme waarschijnlijk minder problemen mee hadden.

HVC: Schilder Bruno Vekemans zei eens in Humo: “Een slecht werk in een atelier is als een rat in een bakkerij, een rotte appel eigenlijk.” Klopt dat?
JB: Ja, het is niet aangenaam om je eigen mislukkelingen aan te zien. 

Orpheus, 1998 (75x90x47)
HVC: En stoort het je dan niet ten opzichte van je nieuwe werken, dat dat ouder werk er nog staat? Want je wordt er ongetwijfeld nog door getriggerd?
JB: Nee, het zou kunnen gebeuren dat wanneer ik begin te werken en te prutsen op dat oude werk, dat ik een reactie krijg, waardoor ik dan het volgende werk veel spontaner ga maken. Bij mij is dat toch zo. Ik heb dat bijvoorbeeld ook bij een werk waar teveel materie op komt of waar teveel kleur in zit. Er zijn zodanig veel invloeden en mogelijkheden ... Er staat daar ook geen gouden regel op. Een voordeel van de eenzaamheid als kunstenaar is dat we de vrijheid hebben om te doen wat we willen en ons tijdens het creëren van niemand iets moeten aantrekken.

HVC: Toch hoor ik overal dat feedback noodzakelijk is …
JB: Nochtans kan geen enkele kunstenaar blijven werken zonder respons. Dat is menselijk. Maar je moet het ook niet doen voor die respons.

HVC: Stel dat er een museumdirecteur je toestemming zou geven om een zaal te vullen met al je favoriete kunstwerken, wat zou er dan uit de bus komen?
JB: De keuze van de werken die je wilt tonen hangt natuurlijk af van de ruimte waarover je beschikt en wat je in een vorige tentoonstelling reeds hebt getoond. In mijn tentoonstelling in het PMMK in Oostende (nu Mu.ZEE) heb ik werk getoond van 1979 tot 1996. Het was een groot overzicht van mijn werk, maar ik ben van 1979 begonnen omdat ik vond dat de vorige werken een te grote breuk zouden hebben gemaakt met de werken die ik wilde tonen. Om alles te tonen was zelfs de grote ruimte die ik ter beschikking had, niet voldoende.
In mijn tentoonstelling in het Caermersklooster, heb ik werk getoond die in die specifieke ruimte het best tot uiting kwam en met de architectuur samenging.
In mijn expo in het Sint-Pietersabdij heb ik rond thema’s gewerkt waarin de mens centraal stond.

HVC: Ik denk wel dat je het type kunstenaar bent die blijft doorwerken, ook zonder tentoonstellingen in het vooruitzicht. Veel jongere kunstenaars zeggen dat ze tussen projecten en opdrachten door geen werk maken.
JB: Ja, in periodes dat ik bijna niets meer verkocht, ben ik blijven voortwerken. Maar je bent altijd wel met projecten bezig. Ik heb vroeger een jaar niets anders gemaakt dan grafiek. Ik heb een map gemaakt met elektronische muziek van mijn vriend Lucien Goethals, een foto van Juul Vandevelde en een gedicht van Nick van Bruggen. Het was niet de bedoeling om er onmiddellijk mee te exposeren. Later heb ik dit totaalwerk verschillende keren tentoongesteld, onder andere in het museum Dhondt-Dhaenens in Deurle, in het ICC in Antwerpen en ook in galerie Veranneman in Kruishoutem. Ik ben nog steeds blij dat ik dat werk heb gemaakt.
Ik heb ook veel werken gemaakt die ik nooit heb getoond.

HVC: Wat komt de toeschouwer eigenlijk over jou persoonlijk te weten door naar je werk te kijken?
JB: Dat weet ik niet. Maar wat ik wel weet is dat iedereen alles interpreteert vanuit zijn eigen levensomstandigheden, of vanuit wat hij gezien en gelezen of ervaren heeft.

Gelijkheid en de oneindige verscheidenheid, 2010 (180x235cm)
HVC: Als mensen feedback geven, schrik je dan soms van wat ze zeggen? Dat ze iets zeggen waarvan je denkt: “Aha, zo heb ik het nog nooit bekeken”?
JB: Als ze mij vragen: “Zeg nu eens iets over dat werk”, dan zeg ik andere dingen dan wat ik dacht toen ik het gemaakt heb. Dat is dan totaal iets anders. Als ik iets zeg, kijk ik naar dat werk en zie ik daar dingen in. Ook inhoudelijk zijn dat dikwijls zaken die ik zelf moet aflezen, al heb ik het zelf gemaakt. Een werk van twee jaar geleden bijvoorbeeld, is wel bewust een schilderij dat een synthese is van verschillende werken die ik afzonderlijk heb gemaakt.

HVC: Wat is de titel?
JB: Vroeger gaf ik geen titels aan mijn werken. Nu doe ik dat een beetje zoals mensen een naam moeten hebben om het te situeren of het te kunnen opzoeken. Ik vind dat niet belangrijk, je kan er veel verschillende titels aan geven. Een naam kan ook afleiden en een werk verengen, waardoor de inhoud beperkt wordt.

HVC: Waaruit is je bronnenmateriaal ontsproten? Kunstenaar Henri Matisse is iemand die eruit springt. Is dat zo?
JB: Dat klopt. Die frisheid van dat werk. Die synthese van dat werk. Dat decoratieve, maar tegelijkertijd met zo veel inhoud. Er zijn weinig kunstenaars die beiden zo sterk kunnen combineren. Van jongsaf aan vond ik zijn werk buitengewoon. Ik voel een heldere schoonheid dat je bij weinig kunstenaars aantreft.

HVC: Leer je ook iets van de jongere garde? Hebben zij invloed op jou?
JB: Ik probeer voor alles open te staan, maar de hoeveelheid kunstwerken die de mensheid heeft achtergelaten, is enorm. Het verleden is natuurlijk groter dan het heden.

HVC: Is het bewust dat je je niet door de jongeren laat beïnvloeden, maar meer naar ‘de klassiekers’ kijkt?
JB: Ik zei je al dat je altijd door alles beïnvloed wordt. Ook wanneer je je afzet tegen iets, is dat beïnvloeding. Ik ben niet tegen de jongeren, ook niet voor. Ik vind natuurlijk dat er meer te leren valt van grote kunstenaars uit het verleden.


De man die de boot zag in de lucht (Beaufort '06, Zeebrugge)
HVC: Maar vind je het niet erg dat die jongere kunstenaars je soms voorbijsteken of meer succes hebben en meer krantenartikels scoren?
JB: Dat is natuurlijk zo. En dat hangt af van de galerieën die je verdedigen. Dat werk dat ik bijvoorbeeld gemaakt heb in Zeebrugge “De man die de boot zag in de lucht”, had ik nooit alleen kunnen maken. Ere-conservator Willy Van den Bussche heeft me altijd gesteund, hij heeft veel werk gekocht voor het museum en door hem heb ik aan Beaufort deelgenomen. Ik zie wel dat de laatste generaties meer ambitieuzer zijn, in die zin dat ze zelf hun werk promoten op een nogal agressieve en arrogante manier. Maar dat is niet alleen in de kunst zo, dat is iets wat je in heel onze maatschappij ziet en waar de media vooral op inspelen.

HVC: Spijtig aan de kunst dat die contacten meespelen: “Die kent die en die beschermt die.”
JB: Dat is menselijk. Wat ik wel bewonder aan de jongeren, is waar ze die energie halen. Niet allemaal, maar wel diegenen die het zo ver brengen, zij lopen de wereld rond. Ik zou dat niet kunnen. Ik doe dat niet graag, ergens naartoe gaan. Ik ga niet zeggen dat ik nog nooit in een galerij ben binnengestapt en geluisterd heb om daar eventueel te exposeren. Ik heb dat al gedaan, maar bijna nooit. Ik heb dat ook nooit moeten doen, omdat ik altijd tentoonstellingen had. Ik kan ook niet zeggen dat het altijd de interessantste galerijen waren, maar die jonge gasten hebben een strategie die niets te maken heeft met de kwaliteit van hun werk. Ze zorgen dat ze in contact komen met de juiste personen en ze hebben een hele strategie uitgedokterd. Ik kom uit de generatie van '68 die tegen dat soort praktijken was, ik stapte uit de commerce van de publiciteit, omdat ik tegen die dingen was en plotseling komen we in een wereld waar het zo moet. Als je het zo niet doet, ben je een onnozelaar of ben je niet goed, terwijl dat vroeger negatief was. En nu is dat bijna positief. Nu gebeurt er het volgende: er is een generatie van mensen die het soms ver brengen en die zodanig bezig moeten zijn met al de dingen daarrond, dat ze op den duur geen tijd meer hebben om hun werk te doen en ze het laten doen door externen.

HVC: Heb je zelf nooit gewerkt met assistenten?
JB: Neen, want ik werk zelf te graag aan mijn werk. Ik doe zoveel mogelijk zelf. Dat geeft mij ook een vrijheid. Natuurlijk kan ik niet alles zelf doen, zoals het gieten van bronzen beelden of het werk dat ik maakte voor Beaufort.

HVC: Een citaat van Willy Van den Bussche: “Vertrekkend vanuit een chaos probeert hij een zinnige vorm te geven aan het metafysische raadsel van de schepping en de wil om aan de existentiële eenzaamheid te ontsnappen. Deze zoektocht resulteert in een mythe die teruggrijpt naar christelijke archetypes en de Oudheid.” Heb je daar iets aan toe te voegen?
JB: Dat is juist.

HVC: Een ander citaat: “Het doel is de spanning tussen het Dionysische en het Apollinische, de chaos en de orde.” Is het daarom dat je beelden redelijk evenwichtig zijn?
JB: Ja, omdat de werkelijkheid zo in elkaar zit. Ik vind dat in een goed werk veel dingen zijn vervat. Het is moeilijk om te omschrijven wat er allemaal in zit vervat. Het zijn zaken die een spanning hebben tegenover elkaar en daardoor interessant en boeiend zijn. En waardoor diegene die er naar kijkt of naar luistert er veel in kan terugvinden van wat hij of zij ervaart in het leven.

De stap, 2001 (brons, 140x110x55cm)
HVC: Freddy Decreus schrijft over je werk: “Zijn werk is een veertigjarige zoektocht naar het essentiële, naar het zoeken, naar de herdefiniëring van de mensen en welke afbeelding je hen dient te geven.” Soms beeld je de mens af als engel, de andere keer als duivel. Je had ook belangstelling voor de gedaanteverwisseling, aandacht voor de relaties mens-mens, mens-dier, mens-mythe, en één van de kenmerken is ook de menselijke sterfelijkheid en de voorlopigheid in volle gemoedsrust aanvaarden. Je gebruikt ook soms oude vruchtbaarheidssymbolen, zoals de duif, vis, slang en druiventros. Kan je misschien iets vertellen over je schilderijen over de mythische figuur Orpheus, die handelt over de versplinterde mens die innerlijk verscheurd is en die moet nadenken over hoe hij met dat verlies kan omgaan. Kortom: de psychologie van de mens staat centraal in je werk.
JB: Ja. Ik vind het ook interessant hoe de mens die behoefte heeft om de ander te begrijpen, terwijl dat in feite zelden lukt. Dat is één van de drama's van de mensheid, het gevoel van machteloosheid en onbegrip.
Maar je kan ook zeggen dat de realiteit zo is en dat je daar moet proberen mee te leven. Voor sommige mensen is dat dramatisch en ik denk dat dat mensen zijn die de werkelijkheid niet kunnen aanvaarden: het onbereikbare van al onze verlangens. Je bent wel verplicht om te proberen het te aanvaarden zoals het is, omdat de realiteit niet altijd overeenkomt met onze verlangens. Gelukkig biedt de natuur ons ook schoonheid die niet te evenaren is in kunst, maar die de kunstenaar aanzet om het te bereiken. Er is bijvoorbeeld geen enkel schilderij dat de kracht van het licht kan weergeven als de reële zon, maar een kunstenaar kan wel op een andere manier het licht vatten.

HVC: Soms is het natuurlijk moeilijk om alles te plaatsen. Voor mezelf is dat soms ook moeilijk. De mens is ook zo'n raar wezen waar je enerzijds wilt op bouwen en anderzijds helaas weer moet wantrouwen.
JB: Ja natuurlijk, je kan niemand vertrouwen. Waarom? Omdat de mens eerst en vooral voor zichzelf zal zorgen. De mens is zo gemaakt om zich in de natuur te kunnen verdedigen. Van bij de geboorte is het een gevecht om te overleven. Je kan dat dramatiseren, je kan dat mooi vinden, je kan dat boeiend vinden: je kan gelijk wat vinden, maar het is de realiteit. Hiervoor heeft de mens kunst uitgevonden om een evenwicht te vinden en de realiteit leefbaar te houden. Dat is de essentie van kunst, denk ik. Voor het individu kan de realiteit soms heel oneerlijk overkomen.

HVC: Vind je het belangrijk dat je blijft voortleven in je beelden?
JB: Het is natuurlijk altijd interessanter dat als je je hele leven werkt aan iets, dat het achteraf blijkt toch een beetje zin te hebben gehad. Maar als je er niet meer bent, ga je er niet veel last meer van hebben. Maar als ik werk, denk ik niet aan wat er later met mijn werk zal gebeuren. Ik maak mijn werk omdat ik het gewoon wil maken. Daarom vind ik dat kunst uiteindelijk een positieve daad is: het ideaal van de schoonheid vatten en daar vorm aan geven is het moeilijkste wat er bestaat.

in gesprek met Willem Elias...

HVC: Professor Willem Elias die zegt dat je evolutief proces niet lineair is, maar diversificatief en fixapositief. Dat je op zoek bent naar een intensifiëren van de zeggingskracht doorheen het uitwerken van tegengestelden.  Enkele voorbeelden van tegengestelden: Abstract – figuratief, sober – exuberant, narratief – objectgericht, realistisch – expressionistisch, schematisch – ingevuld, transparant – pasteus. Het Laatste Avondmaal is daar een typisch voorbeeld van. Klopt dat evenwicht in jouw werk?
JB: Ik heb het daarjuist gehad over de evolutie in mijn werk. Uiteindelijk ben ik begonnen met het wereldlijke, het landelijke, het naïeve, de mens. Maar geleidelijk aan wou ik mij afzetten tegen dat soort expressionisme, omdat het niet genoeg de toen reële werkelijkheid toonde. Ik heb geprobeerd het momentele klimaat te vatten of zoals ik dat ervoer en zo is het geëvolueerd tot vandaag. Ik ben geleidelijk meer naar de universele waarden en problemen van de mens zelf gekomen, waardoor ik tot de mythe ben gekomen die van alle tijden is. 

 HVC: Bestaan er misverstanden over je werk? Of valt dat mee? Je voelt je geen misbegrepen kunstenaar?
JB: Ik heb geleerd dat de mens maar aanvoelt en begrijpt wat hij zelf al wist. Het is zeer moeilijk iets te begrijpen dat anders is dan wat of hoe je zelf denkt. Men kan wel evolueren, maar dan moet de tijd en de omgeving dat toelaten. Dus als kunstenaar kan je maar begrepen worden door die mensen die min of meer denken en de wereld zien zoals jij zelf de wereld ervaart. Een kunstenaar kan alleen maar werken maken zoals hij zelf is. Een kunstenaar maakt in feite altijd zelfportretten.

HVC: Zijn er nog veel kunstenaars over van je generatie?
JB: Het is een beetje zoals in de sport: er zijn er veel die beginnen, maar er zijn er maar relatief weinig die het niet kunnen laten er hun ganse leven aan te wijden.

HVC: Heb je veel geleden als kunstenaar?
JB: Hierop moet ik min of meer hetzelfde antwoord geven als in de vorige vraag: ook een sportman moet kunnen lijden om iets te kunnen bereiken, maar dat hoort erbij en het is misschien zelfs nodig ook.

HVC: Is het lastig voor jou dat de jeugd soms in de schijnwerpers staat, terwijl die het niet altijd echt verdienen?
JB: Veel jonge kunstenaars zijn meer bezig met hun carrière en dat loont soms wel. Het is een andere mentaliteit. Ik ben uiteindelijk van de jaren ’60 – een prachtige tijd waarin alles kon en we weinig last hadden van angsten, maar natuurlijk ondertussen zijn we in 2013 en alles is veel agressiever geworden, zelfs in de comedy-sector merk je dat.

HVC: Ik moet om mijn interviews voor te bereiden, uit te typen of te verwerken, soms leuke dingen laten, wat me soms frustreert. Heb jij niet het gevoel dat je veel dingen gemist hebt, omdat je veel in je atelier gezeten hebt?
JB: Neen, dat gevoel heb ik niet. Ik weet natuurlijk dat er veel andere positieve dingen kunnen gedaan worden in deze wereld, maar ik heb het gevoel dat ik hiervoor geboren ben. Het is eigenlijk zelfs geen keuze: het is zo.

HVC: Is je vrouw je rechterhand?
JB: Zij is altijd thuis geweest om de kinderen op te voeden, iets wat ik nog altijd belangrijk vind. Ze heeft me bijgestaan met de zaken die ik niet graag doe. Hierdoor heb ik de tijd gehad om een groot oeuvre te kunnen maken.
Zij heeft zelfs op de computer leren werken, want zelfs als kunstenaar kan je niet meer zonder. Zij heeft dat ondertussen wel geleerd.
Ik heb zo weinig mogelijk andere dingen gedaan.
Als je ganse dagen in je atelier bezig bent, mag er wel eens iets anders tussenkomen, maar het evenwicht mag niet doorbroken worden. Ik ben altijd - zelfs als ik op verlof ben - met mijn werk bezig. 

N'eveillez pas l'esclave qui dort, 2007 (170x140cm)
HVC: Wat deed kunst voor je eigenwaarde? Als je geen kunst gemaakt zou hebben, wat zou je anders gedaan hebben? Kunst komt altijd over alsof je een interessanter mens bent. Ben je jezelf daar bewust van?
JB: Je wordt of je bent “kunstenaar” – dat woord vind ik zelf wat overladen – omdat je niet anders kan, niet omdat je anders zou kunnen doen of om belangrijk te zijn, maar omdat het de enige manier is om jezelf te zijn.

HVC: Willem Elias vroeg in dat publieke interview om je te plagen: “Kan kunst de wereld redden?”, wat een slogan is uit Antwerpen uit 1992, en jij zei dat dat een domme vraag was. Zou de wereld gewoon blijven doordraaien, als kunst zou verdwijnen?
JB: De wereld gaat blijven evolueren en de kunst zal daar niets aan kunnen doen. De kunst bestaat maar als er de mogelijkheid is om kunst te maken. In bepaalde landen waar ze tien kilometer te voet gaan om water te gaan halen, zal er niet te veel kunst gemaakt worden. Maar zodra de mens tijd over heeft, begint men na te denken. Het is in feite wel een soort van luxeproduct.

HVC: Ik denk dat veel mensen “van in de kunst” gaan steigeren als je zegt dat kunst een luxeproduct is.
JB: Een luxeproduct hoeft niet altijd negatief te zijn. Kunst is één van de weinig luxeproducten die de mens een meerwaarde kan bieden.

HVC: Je bent nu bijna 75 jaar. Is voor jou de cirkel bijna rond? Stel dat je 90 jaar wordt …
JB: Het enige wat ik denk - en ik zal natuurlijk niet de enige zijn - is dat je natuurlijk hoopt dat je nog lang goed kan bezig zijn. Op een bepaalde leeftijd zie je helaas veel mensen verdwijnen, waardoor je geconfronteerd wordt met de relativiteit van het bestaan. Als je ouder wordt, kom je meer tot het besef dat je als kunstenaar met iets bezig bent, wat je leven bepaalt. Ik ben blij dat ik elke dag nog de behoefte heb weer de confrontatie aan te gaan met mijn werk.
Dat zijn toch dingen waar je meer over nadenkt als je rond de 75 jaar bent, dan wanneer je twaalf bent. Dat is waarschijnlijk al een voorbereiding op doodgaan.
Dat het leven maar tijdelijk is, is soms moeilijk te vatten. Het is misschien ook hierdoor dat een kunstenaar onbewust iets wil nalaten dat eventueel wat langer kan bestaan.

HVC: De kunst heeft er wel voor gezorgd dat je een gelukkig leven hebt gehad. Had je op je dertigste gekozen voor het geld, in plaats van de sprong in het ongewisse, ...
JB: Ja, ik denk dat één van de ergste dingen die je kunnen overkomen, is waarschijnlijk vaststellen dat je de verkeerde keuze hebt gemaakt en het te laat is om het te herdoen. Dat je uiteindelijk een verkeerd leven hebt gehad, wat natuurlijk niet de bedoeling was.

HVC: Je raad voor jonge mensen is dus: “Follow your dreams”?
JB: Je kan weinig raad geven, uiteindelijk moeten ze zelf kiezen. Mocht iedereen die aan de academie zit kunstenaar worden … er zijn er nu al veel te veel.
Wat ik betreur is dat men tegenwoordig – maar dat was in de tijd dat ik zelf les gaf ook zo – veel te veel opgepept wordt en men hun illusies geeft die onevenredig zijn met wat het in feite is. Men moet jongeren stimuleren en natuurlijk vooral niet ontmoedigen. Maar ze moeten ook de realiteit leren inzien. Natuurlijk komt dat sympathieker over als je iemand lof toezwaait, maar het kan ook zeer gevaarlijk zijn voor het individu dat niet beter weet. 

Het geduld, 2002 (100x100)
HVC: Je hebt dus geen raad voor de jonge mensen?
JB: Zelf al mocht ik raad geven, ze zouden toch niet luisteren. Je moet natuurlijk zoveel mogelijk dingen doen, die je wilt doen. Probleem is dat ze vaak niet weten wat ze willen. Maar als ze het zeker weten, dan moeten ze het ook doen.

HVC: Als afsluiter nog wat lovende woorden van Ernest Van Buynder, voorzitter van de Vlaamse Commissie voor Beeldende Kunst in augustus 1989:
“Mijn appreciatie voor Jean Bilquin heeft te maken met mijn sympathie voor mensen die een vastgeroeste samenleving proberen los te krijgen. Een kunstenaar als Jean Bilquin is daar voortdurend mee bezig. Zijn werk getuigt van een volgehouden en coherente intellectuele reflectie.”
Bij deze dus…

Hilde Van Canneyt, copyright 2013.

www.jeanbilquin.be

Jean Bilquin stelt tentoon:

statcounter