Interview met Philippe Van Cauteren

Interview met Philippe Van Cauteren (1969), Gent, 22 juni 2012


Hilde Van Canneyt: Hallo Philippe, je hebt de eer om tussen mijn lijstje kunstenaars te staan. ;-) Vind je het zelf spijtig dat je geen kunstenaar bent?

Philippe Van Cauteren: Neen, maar ik heb wel ongelofelijk veel bewondering voor kunstenaars. Ik vraag me soms af wat het zou zijn om zelf kunstenaar te zijn. Ik zou het niet kunnen. Kunstenaar zijn is een enorme opoffering.  

HVC: Bedoel je ondermeer het opsluiten in je eentje?

PVC: Let wel, er zijn heel wat parallellen tussen de functie van kunstenaar en museumdirecteur. Bepaalde vormen van eenzaamheid delen we naar mijn mening. Soms praat ik er wel over met kunstenaars. Maar waar een kunstenaar nog meer mee te maken heeft is de verwachting en de smaak van zijn of haar (kopers)publiek. Een kunstenaar die zijn stijl of signatuur verandert zal misschien wel anders worden bekeken.

HVC: Als kind schilderde je veel, onder andere nadat je de ‘Madonna met kind’ van Jan Van Eyck gezien had. Het feit dat zo’n klein schilderijtje in zo’n groot gebouw hing, had ook grote impact op je, waardoor je dacht: “Ok, dan word ik geen kunstenaar, maar ga ik de kunstenaars helpen.”

PVC: Het verhaal is iets ingewikkelder dan dat. Maar goed, toen ik nog echt jong was hebben mijn ouders op een bepaalde dag mijn schildergerei weggenomen.  Hier houdt het dan ook op, dacht ik.  Op dat moment was ik daar heel kwaad om, maar achteraf gezien is het goed dat dit gebeurd is. Soms wordt de curator wel eens als kunstenaar omschreven, maar ik geloof hier niet in. Een curator blijft iemand die tentoonstellingen maakt.  Een kunstenaar heeft daarentegen veel meer de mogelijkheid om rollen op een geloofwaardige manier inwisselbaar te laten zijn. Een kunstenaar kan ook uitgever zijn of curator of … Als museumdirecteur heb je een verantwoordelijkheid naar een gemeenschap. Als je een tentoonstelling als ‘TRACK’ maakt, heeft dat consequenties. En dat gaat niet alleen over het artistieke. Om het artistieke mogelijk te maken zijn er zoveel andere lagen en aspecten waar je rekening mee moet houden en/of erover moet bemiddelen.

HVC: ‘Met iedereen rekening houden’, is dat het moeilijkste aan museumdirecteur zijn?

PVC: Voor mij is samenwerken niet zo moeilijk, ik heb dat van nature voor een stuk wel wat in mij. Ik weet wat ik wil, maar ik ben daar niet rigide in. Ik denk dat ik goed dingen kan loslaten en veel vertrouwen kan hebben in anderen. Belangrijk is dat je je rol niet hiërarchisch invult, maar probeert je handelen en werken te organiseren vanuit bepaalde verantwoordelijkheden.

HVC: Wat is bijvoorbeeld het verschil tussen jouw aanpak en de aanpak van Bart De Baere, directeur van het M HKA in Antwerpen? Hebben jullie een andere visie?

PVC:  Gelukkig verschillen we sterk van mekaar. We hebben vaak vakvergaderingen onder de naam  CAHF (Contemporary Art Heritage Flanders) met het M HKA, Mu.zee, Middelheim en het S.M.A.K.. Tijdens die vergaderingen voel je dat er vier verschillende persoonlijkheden aan tafel zitten met andere karakters en uiteenlopende standpunten. Wat we delen is onze passie en onze overtuiging in het belang van hedendaagse kunst. Maar misschien kan ik je vraag even opentrekken naar iets anders. Is het niet merkwaardig hoe territoriaal de beeldende kunst wel is in vergelijking met de podiumkunsten of de muziek? Elke tentoonstelling bezet een ruimte (galerie, kunsthal of museum) voor een bepaalde langere periode. De ene tentoonstelling heeft expliciet als gevolg dat er geen andere kunstwerken getoond kunnen worden. In de podiumkunsten wordt het speelvlak voor een paar dagen na elkaar gedurende een paar uren bezet. Een ander aspect is de materie. Een kunstwerk wordt verhandeld en wordt het bezit van een particulier of een publieke instelling. Het kunstwerk wordt als object verhandelbaar in waarde en betekenis. Voor sommige verzamelaars primeert de monetaire gunstige evolutie van het kunstwerk aan de artistieke betekenis van het werk. Een opvoering van een werk van Arnold Schönberg is niet te verhandelen. In de beeldende kunst is er met andere woorden een permanente paradox. Aan de ene kant heb je de permanent vernieuwende kijk van kunstenaars, aan de andere kant de per definitie conservatieve houding van het verzamelen. Hoe kan je die paradox begrijpen tegen de achtergrond van een nomadische samenleving die in permanente verandering is, en waar de digitale en virtuele ontwikkelingen het voortouw nemen?

HVC: Ik las vanmorgen in H-art het artikel van MHKA-directeur Bart De Baere: ik blijf die collectievorming een vreemd iets vinden omdat het inderdaad om ‘bezit’ gaat.

PVC:  De collectie is het hart van het museum. Een collectie is natuurlijk iets dat historisch gegroeid is en dat er gewoonweg is. De belangrijkste vraag is hoe je met de collectie omgaat en wat je ermee doet. Voor het S.M.A.K. staan er twee grote verhalen voorop in relatie tot de collectie: het uitgeven van de eerste wetenschappelijke catalogus van de collectie, en het realiseren van de adequate uitbreiding van het S.M.A.K. om er de collectie in onder te brengen.

HVC: Ik las dat het je droom was om in de Floraliënhal de 600 vaste collectie stukken te presenteren.

PVC: Inderdaad! Of misschien droom ik er zelfs van om ooit een nieuw museum te bouwen dat beantwoordt aan de klimatologische en technische eisen om er de collectie te kunnen onderbrengen. Kunstwerken zijn er om te communiceren, om getoond te worden en niet om in het donker van de depots van een museum te staan. Het is natuurlijk wel belangrijk dat die presentatie gebeurt  in ideale en precieze omstandigheden met een verantwoordelijkheid naar het kunstwerk en het publiek toe. De collectie van het S.M.A.K. is het erfgoed van de Stad Gent! Enkel de juiste zorg en omkadering kan voor de juiste ontsluiting van de collectie zorgen. Een goede en grondige dialoog met het Museum voor Schone Kunsten is hierbij ook belangrijk.

HVC: Jullie hebben ook een goed restauratieatelier. Soms is het toch ook de vraag: moet dit nog gerestaureerd worden of niet? Ik ben opgegroeid bij een antiquair en heb het zelf moeilijk met dat ‘bezitten’ en al die ‘materie’ die daar maar staat te staan.

PVC: We hebben een schitterend restauratieatelier! En het is inderdaad niet altijd vanzelfsprekend welke behandeling een bepaald hedendaags kunstwerk moet krijgen in termen van restauratie. Net zoals mensen zijn sommige kunstwerken naar levensduur beperkt. In 2005 heeft het S.M.A.K. het werk ‘Interminavel’ verworven van de Braziliaanse kunstenaar Artur Barrio. Dit werk is een grote ruimte afhankelijke installatie bestaande uit koffie, brood, inkervingen in wanden, tekst, papier, kraplak, verlichtingselementen,…Artur Barrio omschrijft het werk zelf als een situatie, een bepaald moment. Dit moment wordt door de kunstenaar gemaakt en is niet door iemand anders te reproduceren. En ondanks deze moeilijkheid heeft het S.M.A.K. dit belangrijke werk toch verworven. Met de kunstenaar is een informele afspraak gemaakt dat, zolang hij leeft, het museum de kunstenaar bij gelegenheid uitnodigt om het werk opnieuw te creëren.  Met de dood van de kunstenaar houdt het werk dan ook op te bestaan, en krijgt het een zuiver documentair karakter. Dus ook kunstwerken zijn eindig. De levensduur van een kunstwerk is soms niet alleen materiaal-technisch beperkt. Hoe vaak gebeurt het niet dat ook inhoudelijk kunstwerken vervagen of verdwijnen. Er zijn kunstwerken die uit de belangstelling verdwijnen en pas decennia later terug een plek verwerven. Denk maar aan de herontdekking van de Vlaamse Primitieven op het einde van de 19e eeuw.  Terug naar onze collectie: wie weet hoe het met het meesterwerk ‘Wirtschaftswerte’ van Joseph Beuys zal gesteld zijn in bv. 2025?

HVC: Als een ander museum een werk van jullie voor een tijdje wil, hoe wordt dat geregeld? Moeten ze daarvoor betalen?

PVC:  Wij vragen geen bruikleenvergoeding, in tegenstelling tot sommige Amerikaanse musea die dit wel doen. We houden dit in het S.M.A.K. ook bewust tegen. Het invoeren van bruikleenvergoedingen zorgt voor een kostenspiraal die op de langere termijn ervoor zal zorgen dat het organiseren van bepaalde tentoonstellingen eenvoudigweg onmogelijk wordt. Het S.M.A.K. leent graag zijn collectie uit, de belangrijkste voorwaarde is dat de door het S.M.A.K. opgestelde procedures worden gerespecteerd in het belang van de veiligheid en het behoud van het kunstwerk.

HVC: Wat is het verschil tussen een Tate Modern in Londen leiden die miljoenen toeristen heeft – nu onder het bewind van de Belg Chris Dercon – of het S.M.A.K. leiden?

PVC: Het meest opvallende verschil is vanzelfsprekend de schaal. S.M.A.K. telt ongeveer 70 medewerkers, Tate Modern telt er meer dan 1500. Het aankoopbudget van het S.M.A.K. tikt af op ongeveer 130.000 euro, Tate Modern heeft per continent een scouts die als enige opdracht heeft de collectie permanent uit te breiden. En verder denk ik dat het moeilijk is om een metropool als Londen te vergelijken met een historische provinciestad als Gent. En toch moet gezegd dat men in Gent een tentoonstelling als TRACK kan organiseren, terwijl dit in Londen moeilijker denkbaar is. Londen heeft dan Anish Kapoor die met zijn ‘Orbit’ een monument neerpoot voor de Olympische Spelen.  Aan beide musea zijn beslist voor- en nadelen. Maar laat ons toch niet vergeten dat het grootste deel van de bezoekers van Tate Modern er naar toe gaan als….

HVC: … als toeristische attractie.
Op welke verwezenlijking van het S.M.A.K. onder jouw beleid ben je het meeste trots?

PVC: Eigenlijk ben ik trots op elke grote en kleine gebeurtenis en tentoonstelling van de laatste zes jaar. Maar toch zijn er een paar die ik er kan uithalen. De tentoonstelling ‘Head Shop / Shop Head’ van Paul McCarthy voorop, vanzelfsprekend. Dit is voor mij persoonlijk een heel belangrijke tentoonstelling geweest. Al was het maar omdat Paul McCarthy zelf dit nog steeds als zijn belangrijkste tentoonstelling beschouwd. Verder beschouw ik ook de aankoop van ‘Pense-Bête’ van Marcel Broodthaers en ‘le decor et son double’ van Daniel Buren als uitzonderlijk. Dit zijn twee topwerken die we de voorbije jaren aan de collectie hebben kunnen toevoegen. Bij Broodthaers gaat het om het eerste beeldende werk van de kunstenaar, in het geval van Buren betreft het een centraal werk uit de tentoonstelling ‘Chambres d’Amis’.  En ik kijk ook enorm uit naar de realisatie van het Marcel Broodthaers-kabinet, en dan nu vanzelfsprekend TRACK! Hoe kan het ook anders.

HVC: Voor ik het vergeet te vragen: wat is kunst eigenlijk voor jou?

PVC: Het fijne aan kunst is dat het niet hoeft gedefinieerd te worden.

HVC: Is kunst eigenlijk iets emotioneels of iets rationeels?

PVC:  Voor de ene is het rationeel, voor iemand anders emotioneel. Recent zag ik een werk van de Tsjechische kunstenaar Adam Vackar: ik zag zijn werk en werd er onmiddellijk door gefascineerd en gegrepen. Of het nu een emotionele of rationele aangelegenheid is, dat kan ik niet zeggen…En dat is net ook wat me aan kunst fascineert: hoeveel antwoorden je ook formuleert, je blijft met vragen zitten. Het is nooit te grijpen en het ontsnapt je altijd weer. Elke keer ik het werk ‘Everything falls’ van Michaël Borremans zie in TRACK heb ik een andere ervaring, een andere beleving. Het is de permanente ontmoeting met het onbekende….

HVC: Wat ik ook altijd moeilijk vind: wanneer kan je zeggen dat iemand iets van kunst kent? Is dat door iemands opleiding, iemands ervaring, iemands “goeie kijk”, gevoel,… ?

PVC: Dat is de klassieke vraag die mensen me bij TRACK stellen: “Zeg eens hoe je de kunstenaars gekozen hebt. Wat waren de criteria?” Ik vind niet dat ik daar een antwoord op verschuldigd ben. Ik weiger dat. Ik zou perfect een lucide argumentatie kunnen neerschrijven, om op het einde toch vast te stellen dat er belangrijke aspecten van een keuze niet te duiden zijn. Anderzijds mag men niet vergeten dat wanneer mensen een kunstwerk in de context van een museum beleven de waardering en de betekenis ervan plots anders zal zijn. Het museum draagt met andere woorden een vorm van ‘institutionele subjectiviteit’ met zich mee. Je kan de persoonlijkheid van iemand en de eigenheid van een keuze niet uitschakelen. Waarom heeft het S.M.A.K. een tentoonstelling met Vincent Geyskens? Of waarom is de grote Nedko Solakov tentoonstelling in Gent te zien?  En Jorge Macchi? Of Werner Mannaers? Of Joachim Koester? Er is onderliggend een overtuiging en een geloof in de kwaliteit van het werk van deze kunstenaars, en in de visionaire aspecten ervan.

HVC: Niet op jou persoonlijk gericht, maar in de kunst zijn we ook niet vies van vriendjespolitiek. Al kan ik je bij de expo van TRACK daarvan niet beschuldigen: De vijf Belgen in de expo zijn niet persé jouw ‘vrienden’.

PVC: Bij het maken van een tentoonstelling zoek je kunstenaars waarvan je overtuigd bent dat de context van de tentoonstelling ook voor de kunstenaar zelf een uitdaging kan zijn.  Het hoeft niet gezegd dat de belangstelling voor TRACK ook vooraf al groot was, en dat mijn enthousiasme naar de deelname van verschillende Belgische kunstenaars ook navenant was. Naar de deelname van Belgische kunstenaars was het voor mij belangrijk om de keuze op een objectieve manier te laten gebeuren. Vandaar dat ik heel regelmatig kunstenaars heb voorgesteld aan Mirjam Varadinis, co-curator van TRACK, met de vraag om een atelierbezoek te doen. Het standpunt van Mirjam samen met mijn persoonlijke ervaring heeft ons dan uiteindelijk naar een heldere keuze gebracht. Vanzelfsprekend stel je kunstenaars teleur, en ook jezelf. Maar Mirjam en ik hebben met een zo groot mogelijke verantwoordelijkheid en precisie deze keuzes gemaakt. En op zo een moment gaat het dan helemaal niet over: ‘ik wil die en die erin’. 

HVC: Heb je geen vijanden gemaakt door er maar die enkelingen uit te kiezen voor TRACK?

PVC: Vijanden heb je altijd. Vanaf het moment dat je in de publieke arena actief bent, polariseer je. Er zijn mensen die TRACK gaan omarmen en anderen die zeggen dat het verschrikkelijk slecht is. Toen ik gisteren op Facebook een foto van de catalogus van TRACK gepost heb, schreef iemand als reactie: “Hopelijk is het boek beter dan de catalogus.” Ach ja, dat is niet erg, zo’n reacties heb je nu eenmaal.

HVC: Aha, dan is nu het uitgelezen moment om zelf mijn kritiek op TRACK te spuien. (knipoogt ze)
Ik beken dat ik nog niet alles heb gezien, maar met mijn perspasje vind ik het fijn om op onverwachte momenten binnen te jumpen en te verdwijnen uit het dagdagelijkse op plaatsen waar ik de TRACKvlaggen zie hangen. Daarom dat ik ook bewust de kleine groene bezoekersgids niet inkijk, om de verrassing erin te houden. Maar de mensen die uit andere steden komen, kunnen als dagjestoerist het parcours niet in één dag uitkijken, wat ik toch een jammere zaak vind. Je vraagt veel van de bezoeker: het gehele parcours is echt wel een eind wandelen en fietsen van elkaar. En al ken ik je antwoord erop al, toch vind ik het een spijtige zaak dat TRACK, als je in het stad wandelt, te weinig zichtbaarheid geniet.

PVC: Dat is bewust zo, Hilde. Het is echt de bedoeling om de stad open te plooien tot aan zijn rand. Ik verwacht echt van de bezoeker van TRACK een inspanning. Vergelijk TRACK met de ‘Godfather’-films van Francis Ford Coppola. Je kan een van de verschillende films zien, of de gehele reeks. Je kan bij TRACK een of twee ‘clusters’ bezoeken, of alle zes. Het is pas als je het geheel van de tentoonstelling ervaren hebt, dat je de tentoonstelling in zijn volledigheid begrijpen kan.

HVC: Je hebt wel in iets gelijk waar ik zelf niet aan dacht: wij trekken zelf ook een paar dagen uit om naar de Biënnale van Venetië of Kassel of wherever te gaan… Misschien heeft het te maken met mijn Gentse dorpsmentaliteit.

PVC:  Is het niet opvallend dat we voor alles inspanningen willen doen behalve voor kunst. Mensen lopen de 20km van Gent of de dodentocht in Bornem, maar als het een tentoonstelling betreft ligt best alles voorgekauwd en bij de hand klaar. Als het ene kunstwerk iets te ver van het volgende ligt wordt dit al als een probleem ervaren. TRACK is echter een contemporary city conversation. Het is meer dan een tentoonstelling. TRACK is een ontmoeting en een dialoog met de stad aan de hand van 41 voor de tentoonstelling gerealiseerde werken. De dialoog gebeurt tussen de kunstwerken, de specifieke stedelijke context en met de gebruiker/bezoeker van de tentoonstelling. Meer dan een tentoonstelling ‘to look at’, is TRACK een tentoonstelling ‘to relate to’. Vandaar dat ik zo enorm blij was toen ik vernam dat vzw Samenlevingsopbouw hun actie gekoppeld hebben aan het kunstwerk ‘vogelzangpark 17 bis’ van Benjamin Verdonck. Mirjam en ikzelf hebben vorig jaar een manifest geschreven en daarin kan je lezen dat TRACK met de stad als werkelijkheid te maken heeft. En daarvan is kunst een wezenlijk onderdeel.

HVC: Je verwachtte van de kunstenaars ook een soort engagement en geen kunst die zomaar mooi staat te wezen.

PVC: Ik wil dit toch even nuanceren. Mirjam en ik hebben de kunstenaars niets opgedrongen. Achteraf blijkt wel dat er heel wat kunstenaars een sterk geëngageerd werk gemaakt hebben. Zo heeft het Mexicaans collectief Tercerunquinto de Belgische grondwet laten overschrijven door een zeventigtal illegalen en sans-papiers. De technische en afstandelijke tekst van de grondwet wordt plots een persoonlijk manuscript. Iets wat de rechten en plichten bepaald van elke inwoner in dit land krijgt plots een breekbaar en menselijk karakter. Het hoeft niet te verbazen dat het manuscript getoond is in het Stadhuis van Gent. En ja, het klinkt ouderwets, maar ik heb echt wel het gevoel dat TRACK in die zin een heel menselijke tentoonstelling is.

HVC: Misschien een domme vraag, maar denk je dat mensen uit de Turkse gemeenschap sneller naar het S.M.A.K. zullen komen?

PVC: Daar gaat het niet om, vind ik. Iedereen is hier welkom. Al besef ik heel goed dat er voor heel wat mensen nog steeds een drempel bestaat om een museum te bezoeken. De drempel kan financieel zijn, of het kan ook met opvoeding en ervaring te maken hebben. Met het S.M.A.K. hebben we de ambitie om de drempel lager te maken naar een breder publiek toe.  Als ik een rondleiding doorheen het museum doe, krijg ik vaak de reactie van “Amai, jij bent “normaal”, toegankelijk, je spreekt in normale woorden,… “ Ik vind dat belangrijk en ik heb dat ook deels van Jan Hoet geleerd.
Het museum is geen geïsoleerde plek in de stad, het museum heeft te maken met de werkelijkheid. Net zo goed staan kunstenaars met hun voeten op de grond. Het zijn geen wezens – zoals sommigen denken – die met hun hoofd in de wolken zitten en op een zolderkamer iets zitten te creëren. Eigenlijk zou een museum een transparant gebouw moeten zijn met transparante muren, waar alle elementen van het museum zichtbaar en kenbaar zijn. Ik zou de mensen willen laten zien dat zo’n museum een ‘echt’ ding is.

HVC: Zoals een restaurant met een open keuken. Het zou inderdaad superfijn zijn om het restauratieatelier te zien, een tentoonstelling die wordt afgebouwd, een nieuwe kunstenaar die met zijn werken aankomt,…

PVC: Een museum is soms letterlijk een tempel, denk maar aan al de trappen die je moet doen bij het betreden van vele Musea voor Schone Kunsten. Op zich is daar niks mis mee. Een museum bezoeken is een vorm van engagement, een ongeschreven contract.

HVC: Wat is het mooiste compliment dat je al over het S.M.A.K. of TRACK gekregen hebt? Iets wat je raakte en waarvan je dacht: “Hiervoor heb ik het gedaan.”

PVC:  Ik probeer complimenten zo snel mogelijk te vergeten. Maar er is er een die me keer op keer wel deugd doet: als kunstenaars of collega’s van andere musea me vertellen dat het team van het S.M.A.K. op een uitzonderlijke genereuze en professionele manier werkt. Dat is fijn om te horen, want een museum bestaat slechts dankzij het unieke engagement van alle medewerkers.

HVC: Laten we even terugkeren: Je hebt eerst sociologie en dan kunstgeschiedenis – met Louise Bourgois als thesisonderwerp - gestudeerd. Waarom eerst sociologie?

PVC: Om de heel simpele reden dat mijn vader van de overtuiging was dat ik in kunstgeschiedenis geen werk kon vinden en dat het beter was om eerst iets ‘ernstigs’ te studeren. Vandaar dat ik eerst sociologie gestudeerd heb, en pas dan kunstgeschiedenis. Sommige vinden dat ik een sociologische benadering van kunst heb, maar daar ga ik helemaal niet mee akkoord. Het organiseren van projecten met een sterk maatschappelijk engagement (bv. Moscou-Bernadette,…) betekent nog niet dat ik een socioloog kan genoemd worden.

HVC: Ben je nog altijd Künstlerische Leiter in het Kunstverein?

PHV: Uit tijdsnood ben ik daar mee gestopt. Ik heb dit heel graag gedaan, maar na dertien tentoonstellingen vond ik het genoeg geweest. De dertien kleine publicaties getuigen van de uitzonderlijke presentaties van elke kunstenaar. Ik heb er ook heel wat Belgische kunstenaars getoond zoals Karin Hanssen, Stijn Cole, Damien Delepeleire, Ante Timmermans, Nick Ervinck. Ahlen is voor mij een bijzondere oase geweest waar andere dingen mogelijk en denkbaar zijn.

HVC: Tussen je afstuderen en aanwerving als directeur in het S.M.A.K., werkte je er ondermeer als toezichter en opbouwer en werkte je mee aan de expo ‘Over the Edges’ van Jan Hoet. Daarnaast was je ook curator in Zuid-Amerika en leefde je zelfs twee jaar in Brazilië. Maar dan werd je naar hier geroepen om de directeur na Jan Hoet – Peter Doroshenko – op te volgen als interim-directeur/tijdelijk coördinator. Hoe moeilijk was het om een icoon als Jan Hoet op te volgen en dan de rommel op te ruimen van Peter Doroshenko?
Eén van je doelen was onder andere het valoriseren van de collectie.
Die zes maanden wilde je ook afsluiten met een soort “handboek voor de nieuwe directeur van het S.M.A.K.”.

PVC: Ik ben nog altijd bezig met dat handboek te schrijven. (lacht)

HVC: Wie is één van je grote voorbeelden als museumdirecteur in de wereld?

PVC: Ik kan moeilijk voorbeelden noemen, al kan ik Jan Hoet gerust mijn mentor noemen. We hebben lang samengewerkt en hebben ook samen projecten in Nederland en Duitsland gedaan. De inspanningen die het S.M.A.K. vandaag en morgen naar de collectie toe levert (wetenschappelijke catalogus, uitbreiding,…) is uit respect voor de verwezenlijkingen van Jan. Zo is ook TRACK een hommage aan ‘Chambres d’Amis’ en ‘Over the Edges’. Maar eigenlijk denk ik niet in termen van voorbeelden. Vraag me dan ook niet mijn vijf favoriete kunstenaars ter wereld te noemen.

HVC: Welk kleur kreeg je gezicht toen je las dat Jan Hoet met zijn Sint-Jan-project – de expo die deze zomer te zien is in het Sint-Baafskathedraal in Gent - op de proppen kwam?

PVC:  Ik kreeg geen bijzondere kleur. Eigenlijk is het zo dat ik enorm blij ben met elk project dat tijdens, tegen of naast TRACK plaats vindt. Wel vind ik het belangrijk om een publiek op een correcte manier te informeren over wat een tentoonstelling kost. Zelfs met de vrijwillige steun van velen, dan nog kost een tentoonstelling geld. Zeker op een moment dat de beeldende kunst ook voorwerp van besparing zou kunnen zijn, is het belangrijk om op een juiste wijze te informeren.

HVC: Wat is jouw wapen tegen kritiek? Word je daar harder in met de jaren?

PVC: Blijf jezelf, dat is iets cruciaal. Ik geloof het niet als mensen beweren niet gevoelig te zijn voor kritiek. Met kritiek moet je leren omgaan, je moet het een plek leren geven. Je mag je je er niet door laten ondermijnen. Natuurlijk raakt kritiek me. Zeker als het kritiek is die weinig of niet gefundeerd is. Het moet gezegd worden dat er in de kunstwereld vaak een gebrek is aan een bereidheid om de zaken grondig te gaan bekijken. Een oordeel wordt vaak gevormd nog vooraleer de dingen bekeken of ervaren worden. Mensen staan onmiddellijk en altijd over alles en nog wat klaar met een oordeel, zonder vaak op de hoogte te zijn van wat er werkelijk aan de hand is. Ik stel vast dat in de beeldende kunst heel territoriaal, conservatief en primitief gedacht wordt. En dit is niet meer dan een vaststelling.

HVC: Als je directeur - S.M.A.K.- af zou zijn, zou je dan liever elders museumdirecteur worden of zou je liever een ‘vrije’ curator zijn? Je rugzak nemen en op avontuur. Want soms zit je als museumdirecteur toch in een gouden kooi, denk ik.

PVC: Ik heb wel een bezorgdheid over de toekomst van het S.M.A.K., maar nooit over mijn eigen toekomst.

HVC: Omdat je weet dat je genoeg kwaliteiten hebt om het altijd te redden in het (kunst)leven?

PVC: Niet vanuit een zelfvoldaanheid, maar ik ben daar nooit mee bezig geweest. Of ik dat zie als mijn kindje? Nee! Maar sowieso moet je het ook tijdig weten los te laten. Ik denk daar wel over na wanneer het juiste moment zou zijn om het museum over te dragen aan iemand anders. Dat heeft niets met jaren of tijd te maken, maar met de gezondheid van de organisatie op zich. Ik wil ervoor zorgen dat er een mooi fundament is waarop mijn opvolger goed kan verder bouwen. Toen ik hier kwam, was de situatie in het S.M.A.K. ingewikkeld en moest er wel het één en ander opgelost worden. Ik ben er ook letterlijk ingevallen, en dit hoewel ik  van plan was te emigreren naar Zuid-Amerika. Het is eventjes anders gelopen. (lacht) Sowieso moet je kritisch zijn ten overstaan van jezelf. Anderen gaan daar een andere mening over hebben, maar je moet daar een eerlijkheid in hebben tegenover jezelf.

HVC: Wat is de grootste opoffering die je daar moet voor brengen?

PVC: Het grootste offer voor mezelf is dat ik mijn zoon die in Hamburg woont, te weinig zie.

HVC: Heb je vrije tijd voor café, rock-’n-roll of vrouwen?

PVC: Over vrouwen zwijg ik als een graf. (lacht)

HVC: Film, lectuur en muziek zijn waarschijnlijk ook wel kunsten die je enorm interesseren, maar waar je geen tijd voor kan maken.

PVC: Lezen lukt me te weinig, maar omdat ik veel onderweg ben, kan ik gelukkig veel genieten van muziek : Ahmad Jamal, Ornette Coleman, Jason Moran, Louis Sclavis, Balthazar, Perfume Genius, Sclarlatti, Beachhouse, Mahler, John Zorn,….Maar ik zou ook graag terug actief muziek spelen. Vroeger heb ik wat viool en piano gespeeld en nu heb ik zelfs een accordeon onder mijn bureau staan. Ik hoop dat ik ooit die draad weer kan opnemen. Ik heb trouwens een enorme bewondering voor muzikanten.

HVC: Wat is voor jou eigenlijk de manier om kunst ‘up-to-date’ te volgen? Zelf vind ik dat een onmogelijke taak.

PVC: Je moet zorgen dat je een goed team hebt. Binnenkort hebben we een nieuw hoofd van het artistiek team: de Duitse curator Martin Germann. De man heeft lange tijd in Hannover en Berlijn gewerkt, en zal vanaf september bij ons actief zijn.  De illusie om up-to-date te zijn vandaag is een illusie. Een museum kan niet meer representatief zijn. De identiteit van een museum kan geput worden uit de rijke historiek van die plek. Vandaar uit kan een museum een eigen taal ontwikkelen als antwoord op de complexe en bijna onleesbare kunstwereld.

HVC: Denk je dat 2012 het fijnste tijdperk is om ‘met kunst bezig te zijn’?

PVC: Iedereen denkt dat het tijdperk waarin hij leeft, minder ideaal is dan het ander tijdperk. Mensen hebben nogal de neiging tot nostalgie en ontevredenheid. Het is belangrijk te weten wat nu de mogelijkheden zijn en die ook vast te nemen.  Ik ben blij dat ik leef waar ik leef, en dat ik doe wat ik kan doen.

HVC: Ben je eigenlijk zelf kunstverzamelaar?

PVC: Ik koop af en toe wel eens een tekening van een jonge kunstenaar, maar ik toon dat niet. Ik heb het niet zo met bezit. Dingen zijn een ballast voor me. Ik heb een veel te onregelmatig leven en ik wil niet afhankelijk zijn van objecten. Alleen van boeken zou ik geen afstand kunnen doen, omdat die bijna je leven vertellen. Ik heb wel zo’n klein kastje waarin spulletjes zitten die ik onderweg gekocht heb. Maar daar zit niks bij dat duurder is dan tien euro. Dat gaat van een loden olifant die ik ooit in Mexico city gevonden heb, tot suikertjes met de Braziliaanse vlag op, tot een been van een geit uit Marokko, tot een kleine bakelieten auto die ik in Cluj gekocht heb. Maar dat kan evengoed een stokje uit een park zijn. Nu ik eraan denk, ik heb toch een verzameling: als ik reis en ik denk eraan, dan koop ik in ieder land lege schoolschriftjes. Voor mij zeggen die schriftjes iets over dat land en de wereld.  Als object alleen hebben ze geen waarde of betekenis, maar samen in combinatie wel.

HVC: In kunst is dat soms ook zo. Soms zie je een werk waar je verliefd op wordt en wil je meer over de kunstenaar en zijn ander werk zien en valt het tegen en anderzijds heb je kunstwerken die alleen niet sterk zijn, maar zie je al de kunstwerken samen in het atelier, kan je ze wel meer appreciëren en kijk je er anders naar.

PVC: Ik vind het sowieso altijd een privilege om heel dicht bij kunstenaars te mogen staan en in de ateliers te mogen gaan kijken. Toch blijf je ondanks de relatie die je opbouwt, nog altijd een museumdirecteur. Er is en blijft een noodzakelijke afstand.

HVC: Welke eigenschappen waardeer je het meest in een kunstenaar?

PVC: De kunstenaar is de enige persoon in onze maatschappij die een vermoeden heeft van wat vrijheid is.

HVC: En schrijvers en muzikanten?

PVC:  Kunstenaars nog meer. Kunstenaars zijn niet aan een compromis gebonden zoals jij en ik. Ik moet op maatschappelijk vlak rekening houden met heel wat factoren. Als kunstenaar heb je de vrijheid om dat allemaal naast je neer te leggen. Misschien heb je als kunstenaar ook de mogelijkheid om als enige niet ethisch te zijn. Misschien.

HVC: Begint de onvrijheid van een kunstenaar dan wanneer er een galerie en verzamelaars en co in het vizier komen?

PVC:  Voor de meeste kunstenaars is het een belangrijke uitdaging om de juiste toon te vinden in het complexe spel met galerieën en verzamelaars. De wereld van de hedendaagse kunst is er niet makkelijker op geworden, zeg maar competitiever en meer concurrentieel. Sommige hebben een aangeboren talent om hun netwerk op de juiste manier te ontwikkelen in functie van hun werk. Ik heb echter veel begrip voor kunstenaars die het niet zo makkelijk vinden om de juist positie te vinden in deze ingewikkelde arena.

HVC: Hoe wil jij de Belgische kunstgeschiedenis ingaan?

PVC: Geen idee, dat laat ik aan anderen over.

HVC: Een vraagje uit HUMO: naar wat streef je het meest? Succes, veiligheid, liefde, macht of opwinding?

PVC: Naar een vorm van geluk. Al is geluk iets naïefs en basaal.

HVC: Ik heb zo’n vermoeden dat je wel een gelukkig museumdirecteur bent.

PVC: Ik ben eigenlijk een ongelofelijk blije mens. Ik wil daarmee niet zeggen dat elke dag gemakkelijk is of dat er geen moeilijke momenten zijn, maar soms denk ik: “Verdorie, het is hier toch wel fijn.” Ik doe wat ik graag doe, met voor-en tegenstanders. 

HVC: Mooi zo!


Hilde Van Canneyt, copyright 2012.

www.track.be
www.smak.be

statcounter