Interview met Kati Heck

volgend interview: Johan Tahon

Interview met Kati Heck (1979), Antwerpen, 27 oktober 2011.




Hilde Van Canneyt: Hallo Kati, je bent afkomstig uit Düsseldorf, maar samen met een vriendin ben je op je achttiende naar Antwerpen afgezakt om hier de modeacademie te komen bekijken. Maar toen jullie die afdeling zagen, zijn jullie weggevlucht omwille van de sfeer daar. Daarnaast dachten jullie eraan kostuumontwerp te volgen, maar uiteindelijk ben jij, omdat je voor het ingangsexamen geslaagd was, op de afdeling schilderkunst beland.
Kati Heck: Mijn moeder is modeontwerpster en zij stelde voor om in Antwerpen naar de afdeling mode te gaan kijken en dat hebben we dan inderdaad gedaan, maar voor ons was dat 'te proper'. Maar eigenlijk wisten we helemaal niet wat we wilden doen. Ik ben inderdaad toevallig in de schilderkunst gesukkeld en mijn vriendin in de fotografie.

HVC: Je hebt tussendoor ook een jaartje aan de Oostenrijkse academie vertoefd: je bent op Erasmus geweest in Wenen. Wat was voor jou het grootste verschil tussen een Oostenrijkse en een Belgische academie?
KH: Ik vond de schilderkunst op de academie in Antwerpen nogal traditioneel – met wat te weinig power - dus had ik behoefte om eens iets anders te zien. Ik had nood aan een zekere revolutie, maar niemand deed mee, dus ben ik maar oorden gaan opzoeken waar dat misschien wél mogelijk was. Die studenten daar waren echt tegenovergesteld aan die van Antwerpen: vanaf dag één voelen zij zich op die academie kunstenaar. Ze maken bijvoorbeeld al onmiddellijk plannen om te exposeren. Zij beginnen meestal op latere leeftijd aan een kunststudie, wanneer ze al beter weten waar ze naartoe willen.

HVC: Na je studies heb je ervoor gekozen om te blijven hangen in Antwerpen.
KH: Hoe gaat dat? Je leert je man kennen en je gaat samenwonen. Verder heb ik me daar nooit vragen bij gesteld. Tijdens je studies maak je natuurlijk veel vrienden en dat is toch uiteindelijk het belangrijkste om je goed te voelen.

HVC: Zat je al hevig te tekenen en te kleuren toen je nog een klein meisje met vlechtjes in het haar was? Want ook nu stralen je werken nog altijd een soort kinderlijke kleurrijke onschuld uit.
KH: Ik herinner me dat ik op mijn dertiende de muzikant Phil Collins van een foto in een tijdschrift nageschilderd heb. Ik vind het nog altijd een goed werk, al vind ik nu dat hij er wat groenig uitziet. Nadien ben ik ook mijn vriendinnen beginnen schilderen en ging ik met mijn vriendin vaker naar musea in Düsseldorf. Het was logisch dat we iets met kunst gingen doen.




HVC: “Ik heb 's morgens geen snuifje olieverf nodig”, zeg je in een interview met Hans Theys dat ik las in zijn boek‘ OVER VORM’. (Zijn vorig boek heette ‘FLOWERPOWER’) Je zegt zelfs dat je schilderen niet interessant vindt. Voel je je na twaalf jaar schilderen nog altijd geen 'schilder’?
KH: Ik moet toegeven dat het al een klein beetje veranderd is. (lacht) Misschien komt het omdat ik heel weinig verf gebruik wanneer ik mijn figuren uitwerk en meer zit te wrijven dan te schilderen met verf. Misschien vind ik dat niet echt schilderen? Maar ik maak ook beeldhouwwerken, foto’s en video’s.…

HVC: De typische schilderstrip ken je niet?
KH: Hmm, schilderstrip… misschien als ik iets drink… in plaats van met een vriend iets te gaan drinken, ga ik met mijn schilderij iets drinken… (lacht) en dan spettert de verf wel van en op het doek. Het is soms plezant veel verf te gebruiken. Bij sommige delen moet ik me concentreren, maar bij andere delen kan ik me meer laten gaan en kan er meer gebeuren. Maar nu heb ik een deadline voor de expo in de Tim Van Laere gallery in Antwerpen, waardoor ik schilder van 8u ’s morgens tot 11u ’s avonds… enfin, ertussen kook ik wel, streel ik mijn katten en doe ik wel eens een dutje. (lacht) (in het midden van Kati’s atelier staat een bed, red).

HVC: Vind je de schilderijen van andere kunstenaars interessant? Want in een interview met Hans Theys zei je dat het je niet interesseert hoe bijvoorbeeld Delacroix of Otto Dix hun schilderijen prepareerden of met welke kleuren ze hun bomen weergaven.
KH: Ik denk dat ik gewoon te lui ben om dat uit te zoeken. (lacht) Uiteindelijk leer je dat op de academie, maar erna ga je gewoon je eigen weg.
Maar ik kan bijvoorbeeld echt genieten van een schilderij van de Duitser Georg Baselitz (°1938) en verwonderd staan kijken hoe straf hij zo’n schilderij bijeen geschilderd heeft.




 

HVC: Je atelier ‘hangt’ aan je huis. Ga je elke morgen al fluitend naar je atelier?
KH: Meestal toch.

HVC: Je schildert op levensgrote doeken. Is het belangrijk dat het zo’n grote doeken zijn?
KH: Van begin af aan schilderde ik zo groot. De figuren zijn even groot als ik en het is dan ook alsof die personages op mijn doek er echt zíjn.

HVC: Ik las ook dat je eerst heel secuur werkt, maar na een tijdje ambetant wordt en dan in een paar vegen alles afwerkt.
KH: Het doet ook eens deugd om met grote gebaren te schilderen. ik kan het niet volhouden om heel de tijd realistisch en geconcentreerd te werken. Trouwens, over die grote doeken gesproken: de impact zou ook heel anders zijn, mocht ik op kleine doeken schilderen.

HVC: Je schildert omdat je graag beelden samenstelt: je maakt suggestieve beelden waarin soms een groot glamour- of dramagehalte te zien is. Voor de opbouw van je schilderijen maak je foto’s van je vrienden en familie die je in rare poses ‘dwingt’, om hen zo in je schilderijen te verwerken. Met vreemde modellen werken lukt je niet?
KH: Nee. Het zou me echt niet lukken om op de Colruyt-parking mensen aan te spreken om voor me te poseren. Je brengt ook veel tijd door met de mens die je aan het schilderen bent, omdat het een lang proces is om iemand op die manier weer te geven. Het is toch fijner om tijd met iemand die je graag hebt door te brengen?

HVC: Je zegt van jezelf dat je een fantasieloos mens bent. De dingen die je in je soms visueel cartooneske-absurdistische werken steekt, zijn sowieso aan de werkelijkheid ontleend. Je moet de dingen zíen, ze moeten je visueel overrompelen, liefst naar de werkelijkheid of uit je omgeving geplukt.
KH: Zomaar iets verzinnen om te verzinnen lukt me niet.

HVC: Je laat ook soms oorlogvoerende, drinkende of feestende worsten - of later augurken – de hoofdrol spelen in je werken. Wilde jij met die worsten commentaar geven op ons gedrag? Van de rotzooi die wij als mens – zo dom als worst – maken? Hoe ben je op dat idee gekomen?
KH: Ik had in Oostenrijk een artist-in-residence op het platteland en daar ben ik beginnen een drieluik te tekenen van een worstengevecht. Nadien ben ik samen met mijn man worstenkostuums beginnen maken voor ons en de aanwezige, gewillige andere kunstenaars. Daarmee hebben we zowel een worstenmars als een worstengevecht gehouden als presentatie. Dat hebben we allemaal op foto en film gezet. Voor een stand op ‘Art Cologne' - een jaarlijkse internationale kunstbeurs in Keulen - heb ik dan op een beursstand een installatie gemaakt met verschillende worsten, gemaakt uit polyester: ‘Dabeisein ist alles’.
Nadat ik mijn worstenperiode afgesloten had, heb ik nog met augurken- en aardappelvormen gewerkt. Ik ben benieuwd wat het volgende voedselthema zal worden…


HVC: De titel van dat werk heette: ‘Dabei sein ist alles’, over hoe belangrijk het is dat je overal je neus laat zien in de kunstwereld. Is dat écht zo, denk je?
KH: Die installatie was mijn standpunt daarover. Ik ben niet echt een netwerkspecialist. Maar tot nu toe liep altijd alles goed en kreeg ik hulp van mijn galeristen.

HVC: Je bent vooral gekend door je visueel overrompelende schilderijen, maar je bent enkele jaren geleden ook voor drie maanden naar Oostenrijk getrokken om houten beelden te gaan kappen.
KH: Ik heb die niet zelf gekapt. Het waren vooral mijn vriend en een houtkapper die beneden in het dorp die beelden gekapt hebben, want we sliepen op een boerderij. Het was hartje winter. Ik was degene die aanwijzingen gaf en wou dat mijn ideeën omgezet werden. En ik heb ook mee helpen schuren. (lacht) Het grappige was dat die neanderthaler die ik wou maken op mijn tekening er hetzelfde uitzag als de houtkapper zelf in zijn jonge jaren, dus hij moest eigenlijk gewoon een zelfportret kappen in hout.
Deze zomer heb ik dan voor het eerst een groot beeld uit klei gemaakt, maar het moet nog afgegoten worden. Het was spannend om eens een beeld met je eigen handen te maken.

HVC: Je hebt altijd een galerie gehad. Is het een andere samenwerking met Tim Van Laere dan met de andere galeries?
KH: Ik was begin de twintig toen ik met Annie Gentils ging samenwerken, en na een paar jaar ben ik naar Stella Lohaus gegaan. Na zoveel jaar iemand verlaten voelde een beetje als een echtscheiding. Stella was dan ook helemaal anders. Ze was vooral geïnteresseerd in de kunst; meer dan in het praten met verzamelaars, het verkopen of het netwerken. Tim staat ook heel dicht bij zijn kunstenaars, maar hij vindt het businessgedeelte ook heel plezant. Dat is prachtig om te zien. Natuurlijk legt iedereen andere nadrukken.


HVC: Het is een luxe als kunstenaar om een galerie te hebben. Zou je het redden zonder galerie?
KH: Ik zou het niet fijn vinden. Ik heb zelfs geen agenda. Ik vind het een heel aangenaam gevoel te weten dat er een galerist is die me helpt en een expo mee voorbereidt, de prijs mee bepaalt, transporten regelt of er gewoon is als er een probleem opduikt… Al mag je als kunstenaar zelf natuurlijk de controle niet verliezen.

HVC: Ben je bijvoorbeeld nu al zenuwachtig om het feit dat je werk al dan niet zal verkopen op je volgende expo?
KH: Ik ben eerder zenuwachtig omdat ik voor de eerste keer bij Tim Van Laere tentoonstel en ik de ruimte nog niet zo goed ken.
Je kunt dingen zoals verkoop niet echt voorspellen, maar ik weet dat ik met mijn werk heel tevreden ben en dat is, denk ik, de hoofdzaak.

HVC: Wie inspireert je op schilder- en sculptuurgebied?
KH: Dat kan elke dag iemand anders zijn. Toen ik nog aan de galerie van Stella Lohaus verbonden was, vond ik veel van haar kunstenaars goed, zoals Sven t’ Jolle. En bij de Van Laere gallery vind je Gelitin, die me door hun werk en manier van doen inspireren.  Ik hou vooral van kunstenaars die iets te vertellen hebben. Een ambacht kan een meerwaarde zijn, maar is niet noodzakelijk.

HVC: Ergens las ik dat je een Post-feministische-kunstenares bent, omdat je confronterende representaties van het vrouwenlichaam laat zien: niet de typische vrouw op haar mooist.
KH: Voor mij is ‘de vrouw’ geen interessant thema. Mijn vrouwen zijn dan wel als vrouwen geschilderd, maar het kunnen evengoed mannen zijn, en mannen evengoed vrouwen en dan weer dieren, al dan niet naakt geschilderd, zonder seksuele connotatie. Feminisme zegt me niet veel, omdat ik er nooit mee bezig ben geweest en ik helemaal geen last heb van vrouw te zijn.


HVC: Wil je eens iets vertellen over je ‘fladderende anus’?
KH: Ik heb een schilderij dat ‘Der Anusflatterer und sein Bingo’ heet. Het werk gaat over het begraven van klasseverschillen. Voor de rest doe je er mee wat je wilt.

HVC: Vertel eens over Bissy Bunder, je groep met madammen. Jullie zien jullie optredens als levende schilderijen, las ik ergens.
KH: Wij zijn een groep vrouwen die behoefte hadden iets samen te doen. Als je altijd alleen op je atelier bezig bent, is het wel eens fijn om samen de krachten te bundelen en samen voor iets te gaan, dan kan er veel meer gedaan worden. We hebben heel uiteenlopende dingen gedaan zoals het maken van de film ‘Beyonder' in Amerika, maar daarnaast hebben we ook theatrale performances met gastmuzikanten gemaakt. Er was een moment dat we echt veel gevraagd werden, maar nu hebben twee van ons een kind gekregen, dus loopt het op het moment wat rustiger. Maar zodra we de behoefte weer hebben om iets samen te doen, vliegen we er weer in. Op dit moment zijn we ook onze tweede film aan het knippen, die we in maart’11 in het Fort 8 in Hoboken hebben gedraaid

HVC: Wat is het mooiste compliment dat je kunt krijgen?
KH: Dat het werk je beroert, op welke manier dan ook.

HVC: Wat is voor jou de definitie van kunst?
KH: Wat is jouw definitie Hilde?

HVC: Goeie vraag! Wat voor mij kunst is? Ik ben er nog altijd niet uit. Vandaar dat ik jullie uithoor. Want dat is net wat ik me voortdurend afvraag: “Waarom is die persoon een kunstenaar en die niet en waarom is het ene object wél kunst en het andere niet én waarom zou het waarschijnlijk wel kunst genoemd worden als het door die persoon gemaakt wordt en niet door die andere persoon?
Ik zou evengoed zoals ik vroeger deed jullie portret kunnen schilderen en jullie ondertussen twee uur uithoren… Voor mij komt dat bijna op hetzelfde neer. Wie weet zouden die kunstenaarsportretten dan wel kunst zijn, terwijl die interviews dat niet zijn. Misschien gaat kunstenaar zijn voor mij nog meer over iemands manier van leven dan over wat iemand maakt? Wie weet dat als ik eruit ben, jullie niet meer interessant zijn voor mij.
KH: Als ik mij kunst voorstel, dan lijkt dat groot en wit, iets met papier-maché denk ik…. Raar hé? (lacht)

HVC: Zou je ongelukkig zijn, mocht je geen ‘kunst’ maken?
KH: Dat denk ik wel. Ik ben trouwens toevallig twee dagen geleden een oud dagboek tegengekomen van toen ik vijftien jaar was en plots las ik daar: “Ik moet kunstenaar worden.” (lacht) Echt! Ik was dat totaal vergeten, maar blijkbaar moet ik er toen al behoefte aan gehad hebben.

HVC: Je ziet jezelf niet iets anders doen?
KH: Niet echt, misschien paardenfokker worden?

Traüme?
KH: Zoals het nu is, ben ik heel tevreden, maar er mogen als extra gezelschap altijd nog een kalkoen en een paard rondlopen in mijn atelier.



Hilde Van Canneyt, Copyright 2011. Met dank aan croxhapox en MAYZ voor de foto’s.

Kati Heck stelt tentoon van do 8 dec ’11 tot 21 jan ’12 in de Tim Van Laere Gallery, Verlatstraat 23-25, 2000 Antwerpen, Belgium.
T +32 3 257 14 17 Open Tuesday until Saturday 2 - 6 pm


statcounter