interview met Gery De Smet

Interview met Gery De Smet (1961), Gent, vrijdag 14 oktober 2011.


Hilde Van Canneyt: Hallo Gery, hoe zou je zelf je oeuvre omschrijven?

Gery De Smet: Ik hanteer een wereld van leven en denken, noem het een onderzoek, waarmee alles verbonden is. Dat geldt vooral voor mijn schilderijen onderling, maar ook voor de andere zaken die ik maak: mijn grafisch werk, mijn installaties, de registratie van mijn happenings, mijn films, mijn boeken…

HVC: Je giet je oeuvre graag in de vorm van een stam- of levensboom waarvan de takken van de boom staan voor de verschillende disciplines, waarvan de zwaarste tak de schilderkunst is.

GDS: De stamboom op zich is een rijk archaïsch beeld en symboliseert het groeiproces. Je hebt naast de tak van de multiples, of de tak, van happenings de tak van de schilderijen met allemaal twijgen waar iedere twijg een reeks schilderijen voorstelt. Zo heb je aan de tak van de schilderkunst een twijg waarboven vermeldt staat: Zijn zij misleid die U misleiden? Boven een andere twijg staat dan weer Studie der ideologieën geschreven, dewelke meer dan honderd schilderijen bevat. Deze reeks betreft het een onderzoek naar tekens en landschappen: de landschappen als metafoor voor nationalisme en tekens die als je lang genoeg kijkt, wel lijken over te gaan in landschappen. Zo zie je bijvoorbeeld een hakenkruis, maar dat is het niet: het is een rode Hebreeuwse letter. Deze reeks gaat meestal over gelaagdheden: wat je ziet is niet altijd wat je ziet. Iedere reeks schilderijen kent zijn eigen wetmatigheid, binnen iedere reeks gebruik ik eenzelfde manier van werken, ook zijn vaak alle formaten erbinnen identiek. Ik heb één serie waarbinnen ik kan doen wat ik wil en die ik Antecedenten noem en die loopt van in de jaren zeventig tot nu. Ik vind het werken binnen een reeks interessant omdat ik dan tot een hogere concentratie kan komen en het concept kan uitdiepen, want het ene schilderij beconcurreert het andere.


HVC: Je werken zijn historisch en actueel geladen. Je onderzoekt vooral schilderkundig politieke en culturele thema’s zoals volksfenomenen- en volksidentiteiten, (bij)geloof en sporten zoals formule1, wielrennen, voetbal,… Je oeuvre is ook doorspekt met thema’s zoals misleiding, propaganda en ideologie. Daarnaast ben je gefascineerd door rituelen en symbolen omdat die bijdragen tot archetypes die ons verleden oproepen en onze collectieve identiteit bepalen. Is die interesse spontaan gegroeid of ben je daar al heel je leven mee bezig?

GDS: Ik ben katholiek opgevoed en ik heb me altijd afgevraagd wat daar de zin allemaal van was. Was het uit pure gewoonte of noem het een verslaafdheid om iedere zondag in de kerk te gaan zitten? Ik heb me daar als puber aan ontworsteld, maar het blijft me wel boeien van op afstand, ik zou wel graag geloven, ik sta ervoor open, maar het komt maar niet tot mij. Twintig jaar geleden las ik een boek over de verwijzingen op en in oude gebouwen, vooral kerken, naar vroegchristelijke tekens die eigenlijk Indo-Europese tekens zouden zijn. Vanaf toen ben ik in kerken naar die tekens beginnen zoeken. De rosasvorm van de vensters, de kazuifel van de pastoor en de hostie – waar ik eigenlijk de zon in zie… maar ook de staf van de bisschop zijn zo’n tekens. Dat al die tekens eigenlijk heidens zijn, fascineert me. In alle godsdiensten heb je eenzelfde mechaniek. Daarnaast heb je ook het aspect van de demagogie: het verleiden van het volk door een eredienst, iets wat mensen blijkbaar nodig hebben. De meeste kunstenaars zijn niet godsdienstig, ik denk dat dat komt omdat zij de kunst als religie op zich hebben.

HVC: Directeur van het S.M.A.K., Philippe Van Cauteren, zegt in je boek: Jij bent de kunstenaar die de ideologische leugen vernietigt en vervangt door de ambigue complexe illusie van de schilderkunst. Zijn schilderijen zijn vaak in reeksen inhoudelijk en technisch gelaagd opgebouwd en worden soms jaren later overschilderd. Ze dienen op die manier een onderzoek en fascinatie naar de betekenis van identiteit.

GDS: Soms durf ik tien jaar later nog een schilderij te overschilderen. Zelfs schilderijen die in mijn nieuw boek staan, heb ik intussen al overschilderd. Dit omdat ik mijn boeken zie als tussenfazen naar volgende uitgaven.


HVC: De titel van je boek heet See something, say something en is geïnspireerd op wat je hoorde in het metrostation DC in New York. Met het oog op terroristische aanslagen hoorde je constant een vrouwenstem de woorden “see something, say something” uitspreken. Het boek omvat een overzicht van heel je oeuvre. Daarnaast is het ook in het Russisch vertaald. Waarom?

GDS: Ik heb het naar het Russisch laten vertalen omdat ik gefascineerd ben door de Russische literatuur en de Russische moderne kunst – het constructivisme van kunstenaars als Malevich en Tatlin. Ook het Cyrillisch schrift spreekt me aan. Rusland is een land met ongekende mogelijkheden en een grote openheid eens je aanvaard wordt. 


HVC: Het boek is ook gemaakt naar aanleiding van een tentoonstelling in Vladivostok en Washington DC.

GDS: Rond dezelfde tijd kreeg ik een uitnodiging van twee musea om een solo-tentoonstelling te maken. Vandaar dat boek. Zo kon ik tegelijkertijd een selectief overzicht brengen van mijn productie. De ruimte in dat nieuwe museum in Washington DC was trouwens zo groot dat ik er 57 werken kon tonen. In Vladivostok was de ruimte ook niet min, maar daar moest ik een ander concept bedenken. Naar Rusland kan je best geen werken opsturen –je wee immers nooit zeker of ze, aankomen. Dus heb ik daar ter plaatse geschilderd en een installatie gemaakt rond mijn boek: met alle inloopplanovellen van de drukker _ op ieder vel staan acht pagina’s _ en deze rondom rond gehangen in een vierkante zaal, in precies 360°. Ik vond die manier van presenteren een vorm van democratie, want mensen hebben daar geen geld om een boek te kopen en zo konden zij het boek bekijken dat 360 bladzijden telt. Een docent verdient daar maar 300 euro per maand, terwijl mijn boek 45 euro kost. Ik heb er dan ook geen enkel exemplaar verkocht. Op het plafond heb ik dan slingers gehangen– zoals je die op een verjaardagsfeestje ziet – met mijn zinnen die in het boek staan: ik werk met 40 zinnen die op één of andere manier altijd terugkomen. Ik heb deze zinnen op voorhand laten maken zodat ik een opvouwbare tentoonstelling kon meenemen. Zo hingen er: Wat doet U in ons leger?, Veranderen van godsdienst, Alle werklozen werken…

 


HVC: Volgens Jessica Dawson in de recensie in de Washington Post, verpak je hedendaagse boodschappen in een ouderwets medium van het schilderen en verrassen je schilderijen door hun tactiliteit en verrassende kleurencombinaties.

Waar haal je je inspiratie voor je vreemde titels?

GDS: Zowat overal als ik bijvoorbeeld de trein neem, komen die woorden of zinnen in me op. Ook in de auto heb ik altijd papier in mijn zijvak zitten en schrijf ik terwijl ik aan het rijden ben.



HVC: Op je schilderijen schilder je soms woorden en ook op het kunstenfestival van Watou 2008 heb je een installatie gemaakt met ‘gems’.

GDS: Ik heb rond de 360 echt bestaande dorpjes gevonden die eindigden op -gem. In Watou wees Marc Ruyters, directeur van het tijdschrift H-art, me er op dat ik Edegem, het dorp waar hij woont, vergeten was. Hoe dan ook, alle deze toponiemen heb ik op houten bordjes geschilderd en in een schuur gehangen waar je kon doorlopen. Ik hing ze hoog en laag om diepte en ruimte te scheppen. De bordjes bewogen lichtjes in de tocht van de ruimte. Alle bordjes samen vormen als het ware een nieuw land. Zestig van die dorpjes liggen momenteel trouwens net over de grens, in Frankrijk. Mij wordt ook al eens verweten dat ik geen grenzen ken, zowel als mens en als kunstenaar, omdat ik het gevoel heb dat ik op gebied van kunst alles kan. 


HVC: Je maakt soms ook performances, zoals de Toewijdingprocessie in ’99 of de Wanen in ons, waar je met een houten constructie en strobalen met jouw logo erin afgebeeld, alles in brand stak. Dit onder andere als een zuivering van de obsessie met je eigen ego.

GDS: Ik noem dat happenings, omdat het andere mensen of andere elementen zijn, zoals het vuur, die er in meespelen; ik ben alleen de gangmaker.



HVC: Een schilderijenreeks die je enkele jaren geleden maakte heet: Heden alle circuits gesloten. Dat waren 19 schilderijen die zowel een Formule 1-parcours voorstellen als een verdoken landkaart. Daarvoor was je inspiratie de oorlog in Bosnië.

GDS: Door de oorlog in Bosnië zijn sommige beschoten en verlaten dorpen 20 jaar later helemaal overwoekerd door de natuur. Hetzelfde idee zou je kunnen betrekken op de betonnen banen die door een bos lopen. Die reeks gaat in zekere zin ook over nationalisme: mensen herkennen er hun land in, doordat het circuit een bepaalde vorm heeft. Ik vind ook dat als je bovenaanzichten van alle circuits samen zet, je een soort AZART-schrift hebt, het schrift dat kunstenaar Guy Rombauts (zie in de bloglijst, red) uitgevonden heeft. Mijn dochtertje ziet in de vorm van zo’n circuit een zwaan verschijnen, of een walvis, of een liggende figuur...

HVC: Je werk gaat verder ook nog over het verleiden en misleiden en over hoe godsdiensten, goeroes en ideologieën ineen zitten.

GDS: Je moet dat lezen als een kruis: leiden, zenden, redden en misleiden. Ik zie dat als een soort kapstok en leidmotief dat in de gelaagdheid van mijn werk terugkomt. Die streakers die op de cover van mijn boek staan, leiden en misleiden ook. Zij hebben heel het stadion in hun macht, doordat ze daar naakt het grasveld oplopen. Het rare is ook dat het altijd blanken zijn die dat doen. Eén streaker begint ermee en al spoedig krijgt het navolging over de hele westerse wereld. Nu is het weer even stil rond het streaken, maar als voorbeeldfunctie kan dat tellen. Het viel mij op dat men in Rusland niet begreep waarover ik het had, beelden van streakers zullen daar misschien niet in de pers gekomen zijn. Hoedanook was het voor mij een manier om eens een naakt te schilderen.


HVC: De reeks Zijn zij misleid die U misleiden? is bijvoorbeeld geïnspireerd op foto’s uit het interbellum. Een schilderij uit deze reeks hangt nu in de tentoonstelling Gevaarlijk jong in het Guislain museum te Gent.

GDS: Ja, meestal zijn gevonden beelden een vertrekpunt voor mij, maar soms schilder ik ook naar de natuur, ik bedoel zonder foto, zoals het schilderij van die trap die hierbij staat, of schilder ik iets “uit mijn hoofd”. Een ander schilderij uit de reeks die je vernoemt heet Ic Dien. Met Gotische letters heb ik er Ic Dien op geschilderd. Je moet weten dat die tijdens het Naziregime verboden waren. Voor zover ik me kan herinneren heeft Hitler dit schrift verboden en moesten modernistische letters of het Antiqua lettertype gebruikt worden.


HVC: Hoeveel gevoel zit er in een werk van Gery De Smet?

GDS: Ik vind dat een moeilijke vraag, Hilde. Ik vind dat kunst sowieso emotie is. Ook als zo’n werk heel koel is. Toen men eens dezelfde vraag aan Andy Warhol stelde, wreef hij met zijn hand over de tafel.

HVC: Is wat je schildert afhankelijk van je gemoedstoestand?

GDS: Ik weet dat voor mezelf, omdat ik mijn werken meestal heel snel maak, althans, naargelang de uitwerking per reeks. Ik werk ook op alle mogelijke uren van de dag, omdat mijn atelier naast mijn kantine is. Ik laad me vaak op met rock & roll of drum ’n base en snickers en marsepein en ander lekkers van de Sint.

HVC: Steek je het meeste tijd in het denken over je beelden of in het maken van de beelden zelf? Weet je als je voor het doek staat, wat je gaat maken? Of vlieg je op je doek af en komt tijdens het schilderen wat komt?

GDS: Ik zie het soms meer als produceren: zoals iemand moet studeren voor een examen. Als je dan merkt dat het studeren goed gaat, lijkt alles vanzelf te gaan en doe je gewoon verder. Tijdens het werken ben je een soort doorgeefluik naar je doek.

HVC: Je laat je leiden door je penseel…

GDS: Nee, ik weet heel goed waar ik naartoe wil, maar eens aan het werk, kom ik in een soort van trance en dan komt het vanzelf. ’s Morgens kijk ik vaak verwonderd naar wat er tevoorschijn is gekomen. Ik kan moeilijk gaan slapen als ik niets heb gemaakt, het werkproces maakt me gelukkig. Het is als een roes en ik kan dan moeilijk stoppen, tot diep in de nacht ben ik bezig. Ik voel me dan als een draaiende derwisj. Soms is het al twee uur ’s nachts en dan denk ik, nu moet het af, want ik wil gaan slapen. Soms moet ik er nog aan beginnen om twee uur ’s nachts, want de volgende dag komt men foto’s nemen voor een catalogus of moet het werk naar de tentoonstelling, of is er de Opening dezelfde avond. In Vladivostok heb ik bijvoorbeeld een uur voor de Opening nog een werk gemaakt. Ik heb het nu wel over werken in acryl, met olie is het een langzamer proces, meer beredeneerd.


HVC: Zijn je kunstwerken je kostbaarste bezit?

GDS: Neen, dat zijn mijn kinderen uiteraard. 

 
HVC: Indien al je werken zouden opbranden, zou je dan iets kunnen hebben van: “Ik heb er toch maar plezier aan gehad.”.

GDS: Ik kan het er wel moeilijk mee hebben als iets kapot gaat of als ik iets overschilder wat achteraf toch goed bleek te zijn. Dan ga ik toch even door een rouwproces.

HVC: Ook om het geld dat je verliest?

GDS: Neen, het gaat me eerder om het emotionele aspect, want vele werken heb ik wel al 5 keer kunnen verkopen en blijf ik toch voor mezelf houden. En het wordt hoe langer hoe erger. Ik heb ook verschillende schilderijen in gedachten om later voor mijn kinderen voor te behouden. Soms zijn verzamelaars en vooral galeristen misnoegd omdat ik de schilderijen niet wil lossen, maar ik wil ze later niet terugkopen, zoals Picasso deed. 

HVC: Over verkopen gesproken: je werken gaan aan een redelijke prijs de deur uit. Op een veiling bij De Vuyst in Lokeren ging het werk Ic dien dat maar voor 3500 euro was geschat, in volle economische crisis na een telefonisch bod voor 9000 euro de deur uit. 

Wat maakt eigenlijk de prijs van je werken? Je galeries? Je hebt een galerie in Costa Rica, in Hamburg en twee in Amsterdam. 

GDS: Niemand claimt me en wat de prijs betreft is het zoals altijd een kwestie van vraag en aanbod.

HVC: Wat vind je zelf in het algemeen van de waarde van kunstwerken? Na je studie aan het HISK won je in ‘93 de prijs Jonge Belgische Schilderkunst, had dat invloed?

GDS: Dat zijn twee vragen in één. Ik herinner me een eenvoudig, maar schitterend monochroom groen beschilderd papiertje van 10 x 10 cm van de hand van Ellsworth Kelly, dat hij had opgezonden naar een tijdschrift om te gebruiken op de cover. Men was vergeten het terug te sturen. Enkele jaren geleden veranderde het van eigenaar voor 8000 euro. Ja, het parcours van een kunstenaar heeft grote invloed, niet anders dan met een andere job.

HVC: Zou je niet graag een grotere naam hebben? Want de man in de straat kent je niet.

GDS: Soms is het nog erger en kennen ze me zelfs in de kunstbranche hier bij ons niet. Smet wie? Hoewel ik vaak verrast ben over wie mijn werk kent of koopt. En dit zowel in binnen- als buitenland. Je moet rekenen dat ik geen vanzelfsprekend werk maak. Het is wel figuratief, maar inhoudelijk niet voor de hand liggend. Het is niet zeemzoeterig of sexy. De man in de straat is niet echt mijn publiek… nochtans wil ik kunst voor het volk maken. De waardering vindt op een andere manier plaats: één verzamelaar heeft 14 schilderijen, een andere heeft 17 schilderijen en tekeningen, nog een andere heeft het huis naast hem gekocht om er een privémuseum van te maken en heeft hij één kamer heeft voorbehouden om er permanent  4 werken van mij te tonen… Dit zijn natuurlijk mensen die me al decennia volgen.

HVC: Sta je op dit moment als kunstenaar op je vijftigste waar je hoopte te staan in het begin van je carrière?

GDS: Ik had daar toen echt geen beeld van, dus ik kan nu niet zeggen of ik voldoe aan een eventueel ideaal van toen. Om eerlijk te zijn: vanzelf komt het niet. Ik heb veel bewondering voor onze grote namen als Tuymans, die mensen komen relax over, maar werken heel hard.

HVC: Met welke andere kunstenaars heb je in de loop van je kunstenaarscarrière gedweept?

GDS: Ik heb nooit gedweept met kunstenaars, maar ben wel altijd geïntrigeerd geweest door andere kunstenaars.


HVC: Waarom vind jij jezelf een kunstenaar? Omdat je schildert? Is iemand die een penseel kan vasthouden daarom altijd een kunstenaar?

GDS: Ik denk dat de hoeveelheid werken, een zekere productie, iemand tot kunstenaar maakt, omdat je dan pas kan spreken van een oeuvre. Voor mij is iemand die af en toe iets goeds schildert, geen kunstenaar. Als kunstenaar moet je tijd kunnen maken. Iemand die bij de reinigingsdienst werkt om de huur te betalen, maar gestaag aan zijn oeuvre werkt, is voor mij een kunstenaar. Maar iemand die een jaar stopt met schilderen, is voor mij geen kunstenaar.

HVC: Maar een vrouw…

DS: Dat is het probleem natuurlijk, want dat kind is op dat moment kunst. Een vrouw die zegt dat ze geen kinderen wil, omdat ze kunst wil maken, begrijp ik eigenlijk niet. Misschien is kunst maken wel een mooi substituut voor kinderen. Maar iemand die zich goed kan organiseren kan een kroost misschien wel aan, de bewijzen zijn er. Een kunstenaar is omwille van dat beroep natuurlijk een egocentrisch mens, het komt erop aan een evenwicht te vinden tussen kinderen, je werk, je sociaal leven, je deadlines, je PR en de perioden van rijkdom en armoede in de korte tijd dat je te leven hebt. Ik zat onlangs met vier andere kunstenaars aan een tafel, bij ons alle vijf was de partner er vandoor.

HVC: Wat vind je het lastigste aspect van de job?

GDS: Die eenzaamheid in het atelier is natuurlijk niet te onderschatten maar louterend, ik kom vaak drie dagen het huis niet uit omdat ik wil doorwerken, er komen dan beelden naar boven die niet te vatten zijn. Om die eenzaamheid te doorbreken, vind ik het net fijn happenings te organiseren, omdat je dan met andere mensen iets maakt. Heel socialistisch. Waarom gaan we hierna naar de vernissage in het S.M.A.K., Hilde? Toch ook om soortgenoten te zien? We hebben beiden geen collega’s die we elke morgen op het werk zien.

HVC: Heb je vrienden in de kunst?

GDS: Ja, al denk ik dat écht grote kunstenaars in wezen eenzaam zijn, omdat zogezegd iedereen vriend van hen is. Denk aan Andy Warhol, niemand wist dat hij aan het doodgaan was. Op de keper beschouwd is het ieder voor zich, zelfs als je in een evenwichtige relatie zit.

HVC: Wat is voor jou als kunstenaar je belangrijkste karaktertrek?

GDS: Volharding misschien. Daarom is het voor een kunstenaar belangrijk dat hij boven de kaap van veertig geraakt als lid van de actieve bevolking. Iemand die wil beleggen in kunst, koopt best kunst van iemand die al boven de veertig is en al iets bereikt heeft. Nadat kunstenaars van de kunstschool komen, zijn ze soms sterk, maar erna kunnen ze zonder hulp van een verzamelaar of een galerie of subsidie plots in een diep dal vallen. Zo zie je in stocks van musea soms werken van kunstenaars die nog altijd leven, maar in geen dertig jaar nog werken gemaakt hebben. 

HVC: Om af te sluiten: staat achter elke kunstenaar een sterke vrouw?

GDS: (grijnst) Het is natuurlijk leuker en comfortabeler als je een soort vennootschap achter je hebt, omdat het dan ook gemakkelijker is om vooruit te geraken, om taken te verdelen en om beslissingen te nemen.

HVC: Sweet dreams verder?

GDS: Dat is privé. (knipoogt)

Hilde Van Canneyt. Copyright 2011.

Met dank aan croxhapox.

RU - (OTV- PRIM) - PUBLIC -TV OF PRIMORYE REGION 

Боброва Фламандская живопись 

www.gerydesmet.be (gedeeltelijk nog in opbouw)

Gery De Smet stelt tentoon:
Tot 15.12.2011
Flemish Artists, curated by Frank Verpoorten
Group show with Francis Alys, Dirk Braeckman, Luc Tuymans, Michael Borremans, Bert De Beul, Gery De Smet, ea
Flanders House
The New York Times Building
620 Eighth Avenue, 44th floor
New York, NY 


Tot 20.05.2012
Gevaarlijk Jong met Ron Mueck (AU), Christian Boltanski (FR), Diane Arbus (USA), Rineke Dijkstra (NL), Paul Klee (DE/SW), Gery De Smet (BE), Banksy (GB), Joan Miró (SP) ea
Museum Dr. Guislain,
Jozef Guislainstraat 43,
Gent (BE)
http://www.museumdrguislain.be 

statcounter