Interview met Jan Van Imschoot





Interview met Jan Van Imschoot, Gent, 24 juni 2010.


Aangezien de zon schijnt, beslissen we om eerst op een terras te tetteren en erna in de schaduw van het atelier over ‘kunst’ – wat is kunst? - te praten.

Hilde Van Canneyt: Wat is kunst in jouw ogen?
Jan Van Imschoot: Dat is een grote filosofische vraag waar niemand zomaar een antwoord op kan geven, denk ik. Zo’n vraag in het verlengde van: “Wat is rock-'n’-roll?” Dat kan ook alles en niets zijn. Wat voor mij het verschil maakt tussen interessante kunst en kunst – want tegenwoordig wordt alles kunst genoemd – is dat de persoon die het gemaakt heeft een interessante visie heeft, gelijk in welk medium het gemaakt is. Daarnaast moet het (kunst)werk me nog altijd boeien. Bij de muzikant Johnny Cash kan je het rifje herkennen, het liedje meezingen, … maar wat is de meerwaarde? Net die overtuiging waarmee hij zingt, de warmte van zijn stem… Hij zet aan om over jezelf en de wereld na te denken, een beetje slaan en zalven…
Ik heb net de tentoonstelling van Thomas Schütte gezien waarvan ik de meeste werken al ken van 25 jaar geleden, maar toch blijf je daar naar kijken alsof je ze de eerste keer ziet. Misschien is kunst de gedachte dat je niet naar kunst aan het kijken bent. Het is wat je boeit, de verbeelding van de kunstenaar die mij ook aanzet om de dingen op een andere manier te bekijken. De eerste functie van kunst is voor mij trouwens om het denken soepel te houden. Het is het beste middel tegen de dictatuur. Als meer mensen op die manier naar kunst zouden kijken, zouden ze misschien breeddenkender zijn en minder op het Vlaams Belang stemmen.

HVC: Vind je schilder zijn een echte job?
VI: Bah ja… , ik verdien er toch mijn boterham mee? Of ik nog zou blijven schilderen als niemand mijn werk zou kopen? Natuurlijk! Heeft iemand die gaat gaan werken als vrijwilliger een job? Die doen ook hun arbeid. Wij hebben ook periodes dat we weinig verkopen, maar toch ga je bijna iedere dag gaan schilderen en van het één komt het ander. Eten, drinken schrijven, tekenen, schilderen, … dat is één groot denkproces. Ik kan echt niet tegen kunstenaars die alleen werken als ze een expo in zicht hebben, dat zijn productmakers.

 HVC: Hoe ziet zo’n schilderdag er bij jou uit?
VI: Ik sta op, verbijt mijn ochtendhumeur, pas me aan aan het weer, het leven en de mensheid en dan vertrek ik stilletjes aan naar mijn atelier. Meestal weet ik op voorhand wel wat ik ga schilderen. Weet ik het even niet meer, bijvoorbeeld als een serie afgewerkt is, dan smijt ik wel een schone blote madam op mijn doek of ik ga wat experimenteren met een abstract werk om bij te leren. Ik blijf ervan overtuigd dat je minstens een twintigtal jaar moet geschilderd hebben vooraleer je een rijp schilder wordt. Het duurt zeker zolang eer je kleuren juist naast elkaar kan zetten. Ik heb in de muziek veel sympathie voor de rock-'n-roll, maar in de schilderkunst denk ik er anders over. Als je een ster wil worden, ga dan met een gitaar op een podium gaan staan. Je hebt direct publiek, deelt handtekeningen uit en bent een popster. Schilderen is een heel traag proces en als je daar geen geduld voor hebt, moet je maar een andere stiel gaan zoeken. Een schilderij werkt traag, daar moet je tijd voor nemen, dat moet groeien. Een schilderijenexpo in een galerij is een beetje discrepantie.
Tentoonstellen is voor mij een noodzakelijk kwaad. Ik ben beginnen schilderen omdat ik wou schilderen. Maar ineens word je dan gezien als ‘artiest’ en moet je in dat stramien je weg vinden.


HVC: Weet je nog waaróm je voor schilderkunst gekozen hebt?
VI: Als kind begin je te kliederen en voor je het weet besef je dat je niets anders meer wilt doen. Ik had wel eens met school het ‘Lam Gods’ van Van Eyck gezien en vond dat wel knap, maar pas toen ik op mijn twaalfde een reproductie van 'De zaaier' van Van Gogh zag, had ik iets van: “Waw”. Die kleuren! Die energie! Vanaf dan heb ik dozen vol Van Gogh zitten kopiëren. Ik zat in het atheneum in Wetteren en was nogal snel afgeleid, maar een leerkracht Latijn had er niets beter op gevonden om mij al van de tekst een tekening te laten maken. Die hing ze dan op, je kreeg reactie en voor je het wist besefte je dat je er echt wel goed in bent. Al had ik op dat moment nog geen flauw benul van de term ‘kunst’.

HVC: Hoe stonden je ouders er tegenover?
VI: Ik kom uit een arbeidersmilieu. Het was volop crisis in de jaren ’70. Ze wilden dat ik serieuze studies ging kiezen, maar ik heb toch mijn pad gevolgd. Al had ik achteraf gezien beter kunstgeschiedenis gestudeerd, want ik ben evenveel geïnteresseerd in wat een ander schildert, wat de betekenis ervan is en hoe een schilderij gemaakt wordt. Ik kan uren en uren naar een schilderij kijken, zelfs een zevende-rangs-schilderij.

HVC: Je bent dus geen navelstaarder die zich alleen op zijn eigen schilderijen focust.
VI: Op mijn atelier kan ik naar mijn werken kijken, maar eens ze op een tentoonstelling hangen, vind ik het super gênant om naar mijn eigen werk te staan kijken. Je hebt zo van die mental masturbanten die hun tentoonstelling binnenkomen en een stijven krijgen doordat ze zodanig hun eigen werk aan het bewonderen zijn. Jesus man!


HVC: Verschillende van je kameraden zijn ook schilder. Voel je iets wat jullie gemeen hebben?
VI: Nen vré drogen lever. (lacht) Behalve Michael Borremans, want die kan niet tegen de drank.

HVC: Vind je dat een atelier + drinken samengaan?
VI: Nee. Mijn atelier staat vol met flessen Gin, maar dat is voor als ik klaar ben met schilderen. Een half glas bier binnenkappen en je hebt totaal niet meer die scherpte.

HVC: Voel je je verwant met andere levende of dode kunstenaars?
VI: Tegen mijn 18e besefte ik dat Vincent Van Gogh vooral pubertijdsromantiek was. Daar wezen ze me ook op aan de Academie, je kunt wel zeggen dat ze me daar een Van Gogh-complex hebben aangepraat. Terwijl ik hem nog altijd een fantastisch goede schilder vind. Het is niet omdat hij op teljoren en posters staat, dat hij daarom plotseling een mindere schilder is. Hij is in ieder geval de vader van Piet Mondriaan. Ook in zijn brieven zag je dat het een heel intellectueel iemand was en niet zot zoals zo velen zeggen. Ok, hij had wat syfilis in de derde graad en hield van een glas Absinth, dus je zou van minder een criseke krijgen. En dat oor is er afgevallen door een accident met een scheermes. Hij was een mens van goede wil die alles verkeerd deed. Paul Gaughin was waanzinniger en had daarnaast nog eens een slecht karakter erbij. Louis Paul Boon heeft daar trouwens een goed boek over geschreven: ‘Abel Goolaerts’. Op het einde van zijn leven heeft Boon dat boek trouwens herschreven.

HVC: Je bent er dan toch wel mee akkoord dat het publiek – naast de interesse voor de kunstenaar zijn werk in kwestie - ook gefascineerd is door zijn leven en de al dan niet romantiek die erachter zit?
VI: Ik heb eigenlijk nogal de naïeve overtuiging dat een goede schilder ook een goede mens is. Als schilders slechte eigenschappen hebben, zie ik dat ook doorschemeren in hun werken en wordt het plaatje voor mij ongeloofwaardig. Ik ben wel ‘fan’ van Tintoretto al is er wel over bekend dat hij een nogal nors iemand was, hoewel hij een schone persoonlijkheid had.
Eigenlijk was Tintoretto – naast vader van de moderne kunst - een feminist avant la lettre. Maar die vinden de meesten te vulgair. Ze zitten allemaal te geilen op Titiaan, maar dat was gewoon een conservatieve keizerspoeper die succes wou. 


HVC: Als je iemands kunstige trucjes doorkrijgt, is het voor jou nog moeilijk om er met een schoon oog naar te kijken?
VI: (knikt) Vooral in België hebben ze er erg van. Je moet hier een duidelijke handtekening hebben, zodanig dat ze van ver al kunnen zien wie het gemaakt heeft. In grotere landen hebben ze dat niet. Ik werk net tegenovergesteld en heb daar altijd mijn kloten aan gevaagd.
In de jaren ’80, in het pré-Tuymans- tijdperk, stond eerst het Duitse geweld van de Neue Wilden met Belgische navolgers volop in bloei, maar ik vond dat een zeer beperkte schilderkunst: weinig subtiel en genuanceerd. Als ik erna de Nederlandse schilder René Daniels voor de eerste keer zag, dacht ik wel: Waw!, wat een frisse schilderkunst. Zelfde gevoel bij de Brusselse kunstenaar Mitja Tusek – één van de meest interessante levende artiesten, al hebben ze er ook moeite mee dat hij niet eenduidig is. Het zijn intelligente schilders die meer doen dan met verf gooien, een pose aanpakken en het schilderij op zijn kop draaien zoals Georg Baselitz.
Toen ik in Gent voor de eerste keer het werk van Luc Tuymans zag, werd ik ook van mijn stokken geblazen. Zo leerde ik ook de tekeningen en schilderijen kennen van Bert De Beul die heel interessant van concept en uitvoering zijn. Spijtig dat hij nu minder aandacht krijgt en opgesloten lijkt in de recente Belgische kunstgeschiedenis. Maar ik kan zijn portemonnee niet maken, misschien is hij wel heel gelukkig. Zo zijn er nog veel kunstenaars die de curatoren zouden moeten terug mee oppikken. Schilder Koen Van Den Broek draait wel mee, al hebben velen moeite met zijn attitude, omdat ze vrij on-Belgisch is en niet verwijst naar een Vlaamse kunstgeschiedenis.

HVC: Denk je dat ze jou als een typische navolger van de Vlaamsche schilderkunst zien?
VI: Goh, ik heb al van alles gehoord. De ene vindt mij te Frans, de andere te Duits… Den enen noemt mij een barokschilder, maar ik word evengoed nen vuilen expressionist genoemd, … of nen anarchist… Maar die on-intelligentie van Vlaanderen ontgaat me. 


HVC: Vind je dat je genoeg naar waarde geschat wordt?
VI: In den Belgique? Neen, misschien door de paar zeldzame verstandige mensen. In het buitenland wel.
Ik heb toch ook geen behoefte om gewaardeerd te worden door het grotendeel van de mensheid, daarvoor ben ik teveel misantroop. Nochtans is het soms raar dat mensen uit alle lagen van de bevolking en alle hoeken van de wereld toch soms tot mijn werk of een specifiek werk aangetrokken worden. Daar zitten soms echt heel mooie ontroerende verhalen bij. Want iemand die zegt: ik wil dát en dát hebben en ondertussen met zijn geld staat te zwaaien, maar nen Vlaams Blokker is, kan bij mij evengoed uit mijn atelier vliegen. Ik ben compleet anti-fascistisch en anti-nationalistisch, en voor die paar tienduizenden euro’s heb ik geen zin me de rest van mijn leven ongemakkelijk te voelen. Principes zijn er om aan vast te houden en dat koop je niet voor nen zak zilverlingen. Ik hou van mensen die klare taal spreken en hun broek niet afsteken. Kunst heeft ook met ethiek en waarden te maken, en dat moet je ook proberen in je werk te steken.

HVC: Je bent sowieso niet iemand die elke vernissage afschuimt om zijn kop te tonen. Je lijkt me eerder iemand die zich wat terugtrekt uit de kunstwereld…
VI: Als statement heb ik wel eens gezegd: “ Ik stop met schilderen.” Het achtervolgt me nog. Dat was toen ik pas afgestudeerd was, dan ben ik ook in de Volvo gaan werken om me even te ontluizen van kunst. Allez, en ook om mijn boterham te verdienen natuurlijk. (lacht) Ik walgde even van die kliekjes en pistes die je moest volgen. Ik schilder niet om pistes te volgen of in ‘het milieu’ te geraken. Ik zit liever met een werkmens een pint te pakken dan met een bende artiesten.




HVC: Heb je veel jaloezie gekend toen je die muurschildering mocht maken op de Gentse muur aan de Brabantdam? Wie gaf je die opdracht? Kwamen ze bij jou terecht omdat je nogal veel bezig bent met het thema religie, geschiedenis, erotiek, macht, leven, dood, … ?
VI: Ik denk het wel. Ik moest een werk maken rond de geschiedenis van de plek zelf en dan kwamen ze nogal snel bij mij uit. Het was in opdracht van de stad Gent en de Europese gemeenschap. Ik heb eerst heel veel tekeningen moeten voorleggen. De ene waren onmiddellijk mee en anderen vonden het natuurlijk fijn hun macht te laten gelden. Ik wilde oorspronkelijk een ode maken aan Maurice Materlinck, maar hij komt van de Peperstraat, niet van de Brabantdam, dus kon het niet. Daarom heb ik op die muurschildering linken gelegd met dat oorlogsmonumentje dat er nu nog hangt.

HVC: Voelde je je niet kwetsbaar doordat de man in de straat nu ook ongezouten zijn mening kon verkondigen?
VI: Op Gentblogt las ik: “Afschuwelijke draak” Dan had ik er een graffiti tekeningetje op gezet en dachten ze dat het gevandaliseerd was, terwijl ik het erop gezet had…  Maar ik krijg er meestal goede kritiek erop, zelfs tot in Australië. De rest zijn hardcore azijnpissers.

HVC: Op één of andere manier heb je iets met woorden en ook een bepaalde theorie over titels. Ook de namen van je boeken hebben gekke titels als: ‘The Testimony of a barking dog’ of 'Les Sources des couleurs Divines (un élonge funèbre pour la peinture)’
De teksten in je boeken zijn ook – euh - anders dan anders…
VI: Ik schrijf veel en titels vormen een belangrijk onderdeel van mijn werk. Dat literaire aspect is eigenlijk iets typisch van de lage landen, dat zie je ook bij kunstenaars als Magritte en Broodthaers. Ook de schilderijen van Van Eyck, Breugel en Joachim Beuckelaer zaten vol met symbolieken en verschillende betekenislagen. Ik hou wel van het samenbrengen en de samenhang beeldtaal versus literaire taal. Dat is ook het interessante aspect van kunst. Daar gaat ook de conceptuele beweging over. De oorspronkelijke conceptuelen zijn niet degenen van nu die denken dat ze het zijn. Nee, die waren niet tegen schilderkunst, maar hebben dat net verbreed en uitgedaagd. Die twee talen tegenover elkaar plaatsen, dát is conceptuele kunst. Sinds de modernisten wordt dat anekdotisch genoemd, maar het modernisme is dan ook een zodanige  religie geworden, die op het moment wel achterhaald is.
Als je John Baldassari bekijkt, werkt hij ook met die termen en dingen, maar hij spreekt enkel over schilderkunst. Maar met zo’n enthousiasme en liefde, dat hij zich gewoon schilder noemt. Hij beschouwt zichzelf als de familie van Matisse.
Schilderen is bijna een doofstomme taal, maar door titels te gebruiken benadruk en stigmatiseer je dat. Een titel kan een indicatie zijn, maar evengoed iets dat iemand op het verkeerde been zet. De typische stompzinnige mensen van hier noemen het dan de ‘oh, typische Belgische humor of ironie’. In mijn werk zit geen ironie. Elke pipo die de term ironie in mijn werk gebruikt, is iemand die niet verder leest. Ik heb al ironie als onderwerp of als zevende kleur gebruikt, maar mijn werken zijn niet ironisch. Eerder sarcastisch. In de Engelse krant The Guardian is ooit een tentoonstelling over Europese schilderkunst in Londen besproken en de kunstcriticus heeft mijn werk ‘Rire comme en mourire’ (’02) gebruikt als ijkpunt om aan te tonen dat er drie posities zijn die de kunstenaar van vandaag kan innemen: het cynisme, de ironie en het sarcasme. Maar dat zien ze natuurlijk alweer in Londen, niet hier bij die blinde mollen hier. 


HVC: Jij wilt gewoon verder doen met de mensen die in jou en je werk geloven?
VI: Geloven? Dat is zoiets godsdienstig. Kopen! Dat moeten ze doen! In pakken! (lacht) Nee, als mensen iets kopen, moeten ze niet alleen het werk kopen, maar ook de inhoud. De meesten kopen er niet één, maar net een stuk of tien. Net omdat ze de verschillende facetten van mijn werk begrijpen met de vele gelaagdheden en die mee naar huis willen nemen. Zo gaan ze ook niet snel mijn doeken verkopen. Misschien ook omdat mijn prijzen niet zó hoog zijn en ik geen hype ben.

HVC: Werk je samen met een galerij?
VI: Ja, met de Luxemburgse galerij van Erna Hecey. Het wordt opengehouden door een heel interessante belezen dame die vooral met conceptuele kunstenaars werkt. Dat vind ik belangrijker dan een galerij dat een supergroot uitstalraam heeft. Ik heb nog niet zoveel geluk gehad met galerijen, maar een goede galerij is wel noodzakelijk.

HVC: Wat wil je met je schilderijen vertellen?
VI: Ik schilder de dingen die mij om allerlei redenen fascineren, het moet vooral voor mij boeiend blijven. Als de massa er dan ook iets aan heeft, zoveel te beter. Ik vind een schilderij een soort mentale kapstok. Je kunt er je eigen gedachten, ervaringen en meningen aan toevoegen. In de tijd van Tintoretto en Beuckelaer kwam de burgerij samen om naar dat werk te kijken, erover te praten en de symboliek ervan los te peuteren. Zo kwamen er ook politiek en sociaal discussies op gang. Een dergelijk schilderij zorgde voor een verbondenheid tussen een bepaalde groep mensen. Ik vind dat nog altijd een boeiende gedachte. Ik hou ook van meningsverschillen rond een schilderij, zo van: “Dat is’t!” En dan? Alsof er één betweter zomaar alles door kan hebben.
Veelal krijg ik over mijn schilderijen meer informatie terug dan dat ik er zelf ingestoken heb. Dan voel ik me even een sociale misantroop. Ik geloof trouwens nog altijd dat veel mensen kunst maken om sociaal te overleven. En wat ik soms terugkrijg van feedback is me veel meer waard dan alle geld en roem en eer ter wereld. Misschien heb ik het antwoord gevonden op de vraag wat kunst is: wat ons onderscheid van dieren. Kunst is een geestelijke noodzaak en een gemeenplaats om te overleven.

HVC: Schilder je om je geest te ordenen?
VI: Het heeft alleszins nog niet veel orde in mijn geest gebracht. (lacht) Als je orde in je geest zoekt door te schilderen, dan ben je een slechte kunstenaar denk ik. Trouwens, wanorde mag je nooit verdrijven, ik ben een groot voorstander van wanorde. Het beste systeem is de wanorde. Orde is iets voor fascisten.


Ondertussen hebben we toch toegegeven aan de schaduw van het atelier, en neus ik nog wat tussen zijn schilderijen in zijn imposant atelier in Gentbrugge, waar hij kunstenaarsbuur is van Wim Delvoye.
Of ze vrienden zijn of iets gemeenschappelijks gemeen hebben?
“We hebben dezelfde ‘Groteske Humor’”, aldus Van Imschoot.


HVC: Zie ik hier voornamelijk je recentste werken?
VI: Mijn meest recente werk gaat vooral over interieurs, gecombineerd met filmfragmenten van Buñuel. Want naast schilderkunst en taal, ben ik evenveel geïnteresseerd in de gemeenschappelijke deler tussen schilderkunst en cinema. Vooral de grote cineasten kennen de schilderkunst heel goed, zoals Buñuel, Fellini en Pasolini. Zij hebben enorm goed naar de taal van de schilderkunst gekeken. Ikzelf ben eigenlijk al jaren bezig de cinematografische codes die gebaseerd zijn op schilderkunst te  bestuderen. Eisenstein heeft zich zelfs letterlijk op Michelangelo en de Russische schilders gebaseerd om zijn figuren als Ivan De Verschrikkelijke te creëren. Ik vind dat onzichtbaar pingpongspelletje tussen de twee wel boeiend. Voor mij is film beweegbare schilderkunst. Fotografie is eigenlijk ook een afgeleide van schilderkunst. Iedereen is altijd maar bezig over ‘nieuwe media’! Maar die nieuwe media hebben wel alles van de schilderkunst onttrokken. Als je dan zoals ik nog durft te schilderen, ben je plots een ouderwetse academische conservatieve zak.


Maar kijk hier, dit is één van mijn laatste, dit is gewoon een koe, een Leiekoe. Het zijn sensuele beestjes én ze zijn ook lekker, zo’n goeie sappige biefstuk, mmm… Het zijn ook zotte blaren. Als ik met mijn boot op de Leie vaar, gaan ze tot hun uiers in het water en kijken ze me zo aan van: “Wat kom jij hier in mijn bad doen verdomme!” Voor het psychiatrisch ziekenhuis van Geel heb ik er een paar moeten schilderen, wat heel plezant is. Vandaar ook nu mijn koe in een interieur. Ik schilder nooit met perspectief en diepte, maar ik speel met verhoudingen, al klopt het van geen kanten. Velasquez schilderde ook meer illusionair dan dat hij kleine prutskes uitwerkte. Schilderkunst is – net als muziek – áltijd abstract. Figuraties zijn gewoon een reden om te schilderen. Ook Van Dijck schilderde als achtergrond alleen maar een paar vlakken omdat hij er geen goesting in had. Stofuitdrukking schilderde hij alleen maar als het echt moest. Je ziet dat in zijn portretten, vanaf het kopke deint dat uit. Een zuil? Voor hem was dat gewoon maar een lijntje?


HVC: Laat je het schilderij, eens het af is, eerst als een goede wijn rijpen?
VI: Zoiets. Ik verstop het meestal weg, om het dan een paar maanden nadien weer boven te halen. Dan zie ik bijna onmiddellijk of er iets niet klopt.


HVC: Vraag je ook raad aan een derde oog?
VI: Nooit! Ik schiet liever mijn eigen kemels en maak liever mijn eigen fouten dan dat ik de fouten moet ondergaan van iemand anders. Ik moet me toch geen oordeel van een ander laten aanpraten? Galeriehouders mogen hier langskomen, maar als ze beginnen te zagen over een streepje groen die roze moet worden, dan verander ik hun oog ook eens van kleur en riskeren ze een blauw oog. Jan Hoet heeft zich zo ook eens willen moeien in mijn atelier, maar doordat ik blijkbaar goed weet wat ik doe, kon hij me niet overtuigen. Ik had dat als kind al: als ze me zeiden dat ik iets niet moest doen, deed ik het toch al.
Trouwens een schilderij dat niet klopt is ook mysterieuzer. Een schilderij dat klopt is oersaai: je hebt het gezien, het klopt en je vergeet het weer. Het gaat om wat het werk uitstraalt, of het lééft. Zelfs Rubens, die één van de meest perfectionistische schilders was op gebied van lichamelijke verhoudingen, die erin geslaagd is handen en voeten in het juiste perspectief te schilderen, kan je ook op foute Tintoretto-verhoudingen betrappen. In de cinema worden toch ook dingen uitvergroot?

HVC: Ben je een dagschilder? Een nachtschilder? Een bezeten schilder?
VI: Ik ben een ‘namiddagschilder’, meestal werk ik dan tot een 22 uur door. Dan zet ik een muziekje op, schenk me een Gin Tonic in en bekijk mijn werk van de dag. Ik heb die tijd nodig om alles wat te laten bezinken en mijn nieuw werk eventueel te confronteren met andere schilderijen… Houdt het schilderij stand bij ander werk? Past het in een serie?
Ik ben een ongelooflijke Johnny Cash fan, op die manier wil ik schilderen… zoals hij zijn gitaar pakt en speelt, wil ik mijn penseel nemen en schilderen.

HVC: Voel je je hier tussen je honderden schilderijen het meest thuis? Is dit de plaats waar je je ‘het gelukkigst’ voelt? Een eigen biotoop zonder wetten en plichten?
VI: (kort en krachtig) Ja! En mag ik nu beginnen schilderen?

HVC: ’t Is van moeten! Bedankt voor het toffe, boeiende gesprek Jan.

Jan legt ‘Tous les garçons et les filles’ op, een liedje van Francoise Hardy en ik verlaat stilletjes het pand.

Copyright Hilde Van Canneyt, met dank aan croxhapox.

Jan Van Imschoot heeft al enkele boeken uit.

statcounter