Interview met Tom Woestenborghs

Merksplas,  15 november 2009.


Hilde Van Canneyt: Wat waren je drijfveren toen je indertijd voor schilderkunst koos?
Tom Woestenborghs (1978): Ik kom helemaal niet uit een kunstminnende familie. Bovendien ben ik de enige zoon van een ondernemer en de druk lag hoog om de zaak over te nemen. De enige poging om hen te plezieren was een bouwkundige tekenrichting kiezen. Maar na veel vijven en zessen met mijn ouders viel het hun op dat ik totaal niet gemotiveerd was. Vooral stripkunst kon me in die tijd bekoren. De enige reden die ik me kan bedenken is dat schilderkunst me toen een leuke richting leek. In mijn eerste jaar was ik dan ook geflest, maar dan denkt een mens eens na en erna ben ik er dan toch helemaal voor gegaan.
 

Wat schilderde je als achttienjarige?
TW: Zelfportretten. Ik had de reflex van: ik heb niks om het over te hebben. En erna slaagde ik er altijd in om het over non-onderwerpen te hebben, de stomste dingen eerst. Het werk van David Salle bood mij een oplossing. Hij bracht op een collage-achtige manier interessante composities samen. Dat was dan de aanzet tot wat werk-zou-moeten-zijn: konijn met pruimen, zelfportret met snor, met zo’n dingen hield ik me bezig. In het derde jaar ben ik stillekesaan maquettes beginnen maken. Zo ben ik een jaar bezig geweest met het leven van vier playboykonijntjes. Die wassen konijntjes reden dan bijvoorbeeld rond in sportwagens in kartonnen maquettes. Ook begon ik te experimenteren met surveillancecamera’s, zo’n opnames zouden in later installatiewerk vaak terug komen. Uit die beelden destilleer ik dan foto’s, tekeningen… Het was in de eerste plaats een zoeken naar vorm en methodes van uitdrukken. Het inhoudelijke stond op een veel lager plan.


En toen studeerde je af…
TW: De eerste draai naar installatiekunst was toen ik afstudeerde. Ik had een bouwvakkerskeet op schaal nagebouwd, deze geïntegreerd binnen een installatie en dan enkel het gefilmde beeld getoond. Dit is blijven groeien en uiteindelijk diende de ruimte als metafoor voor de mensen die er rondlopen. Ik heb dan heel bewust jaren aan een stuk geen menselijke figuren afgebeeld, het ging me puur over de ruimte en haar verhalen/metaforen + de toeschouwer. Mijn eerste werk na mijn studies ging over het toilet met slogans in het café De Leeuw van Vlaanderen. Het gaf ook best een kick om daar ’s nachts pinten te gaan drinken tussen de skinheads en mannen met lange baarden. Het was spannend om daar dan stiekem foto’s te gaan trekken en hun toilet op meten.
De tentoonstelling van dat werk was op vierhonderd meter daar vandaan, dat vond ik op zich wel een mooie bijkomstigheid, de galeristen hadden wel wat schrik. (De naam van’t café werd dan ook enkel gefluisterd)


Welk verhaal wou je met dat werk vertellen?
TW: Ik zou het geen politiek engagement noemen, meer een soort geboeidheid en de reflex om sommige dinges aan de mensen te willen laten zien. Noem het een sociaal politieke beschouwen. Niet om links te doen of te beleren, maar wel op een nuchtere manier sommige toestanden aan te tonen.

Waarom film je dan niet rechtstreeks die beslogande toiletten?
TW: Ik denk dat het voor mij op dat moment het proces van me die ruimte eigen maken, ontleden en onderzoeken heel belangrijk was. En aangenaam om na te bouwen. Die surveillancecamera’s die erbij komen en waarvan ik een still neem, creëren een afstand voor de toeschouwer. Want ze krijgen het beeld dat ik wil laten zien, niet rechtstreeks te zien. Ik vind het boeiend dat de kijker een mentale reconstructie moet maken van de ruimte. Het is aan de toeschouwer om het in te vullen. Met dat gegeven speelde ik toen graag.

Waarom had je naast het alleen tonen van een still, geen nood om die maquettes te tonen aan de toeschouwer?
TW: Ik heb nooit de behoefte gevoeld om die maquettes te tonen… alhoewel, één maal op ‘Feel Estate’ in de Minard te Gent wel. Daar heb ik een installatie getoond waar de toeschouwer samen met de maquette mee in mijn installatie zat.


Waarom wou je dat?
TW: Dit wordt ingewikkeld om uit te leggen… Ik kreeg in de Minard twee loges waarrond ik een blok gebouwd heb, als zijnde de installatieruimte. Maar in die blok heb ik op schaal nog eens die installatieruimte getoond. Aan de ingang had je twee identieke projecties die opgenomen werden. De ene werd opgenomen in de maquette en de andere in de installatie, met het gevolg dat één beeld leeg blijft en dat je in het ander beeld mensen ziet bewegen. In de installatie zelf staan ook twee monitors waar dezelfde beelden op te zien waren. De mensen moesten dus op onderzoek gaan. Tegelijkertijd konden de mensen in de gang hun onderzoek volgen. Je krijgt eerst de projecties te zien voor je de installatie te zien krijgt, dus je ziet eerst de mensen die aan het zoeken zijn en dan word je er zelf ingestoken, dus de kijker krijgt nog eens de extra druk van mensen die aan het kijken zijn. Het was voor de bezoekers niet zo simpel om de installatie te ontleden of om hun plaats te vinden binnen die ruimte. Op dat moment was het mijn vraagstelling hoe de toeschouwer fysiek met ruimte omgaat.

Het ging je om de toeschouwer te laten confronteren met zijn eigen gedrag?
TW: Vooral met hun eigen zoeken, hoe mensen een ruimte onderzoeken. Ook het niet evident zijn van een ruimte en het proces daarin. Zo ben ik in volgende installaties ook altijd de ruimte an sich in vraag gaan stellen. Maar mijn installaties zijn moeilijk te verwoorden zoals je merkt.


Zijn er uit die installaties nog andere voortgevloeid?
TW: Ik kreeg op hetzelfde moment de mogelijkheid om zowel in Fst Forward als in  Koraalberg in Antwerpen te exposeren.
De beide galeries werden uit groene isolatieplaten geconstrueerd. Dit om ze om te bouwen tot twee gelijke platformen. Je kwam binnen in Koraalberg en je zag een projectie van een soortgelijke ruimte van waar je in stond. Als je binnenstond, werd je ondertussen ook nog gefilmd. Dus: de mensen die in Fst Forward stonden, zagen je ook staan. Dit werkte in beide richtingen. Ook de projectie werd mee gefilmd.
Dus: Op het scherm zag je mensen die jou aan het bekijken waren en je zag jezelf ook staan, kijkend naar je toeschouwer. Zo kreeg je het droste-effect. Dit werk gaat weer over positionering binnen een ruimte, maar nu specifiek in een galerij. Omdat daar toch een bepaalde sfeer hangt en een bepaald verwachtingspatroon van je gevraagd wordt. Ik denk niet dat iemand in een galerij laconiek tegen een muur gaat hangen of zo.

Als je gefilmd wordt, ga je je natuurlijk ook extreem bewust gedragen.
TW: Het dwingende was dat iedereen naar elkaar staat te gapen op het scherm, maar je ook jezelf staat aan te gapen.

Heeft je werk iets met voyeurisme te maken? Big Brother achterna?
TW: Natuurlijk, je ontsnapt daar niet echt aan. Maar eerder vanuit de bedoeling de bezoeker als het ware een spiegel voor te houden en niet om het Big Brother fenomeen aan te klagen.


Ook het beeld van een woonkamer is iets dat ik vaak zie terugkomen.
TW: Op een bepaald moment begon ik het ook te hebben over sociaal netwerken en vervreemding. Omdat ik hier in mijn woonst te Merksplas anderhalf jaar geconfronteerd werd met het kluizenaarsgegeven tussen mijn afstuderen in en de aanvang van mijn HISK-studies. De enige impuls die je dan nog krijgt is je woonkamer waar je zowel leeft als aan het werk bent. Ik dacht ook na over hoe een sociaal netwerk vroeger naar buiten gericht was door de markt, de buurtwinkel, het café... en dat dit nu verschoven is naar de woonkamer waar de tv en de computer staat. tv is daarenboven nog eens een  vals netwerk, want het geeft je de illusie dat je aan het converseren bent terwijl het een monoloog is. tv geeft je zogezegd een venster op de wereld - wat ook waar is - maar het geeft je ook de illusie dat je bij die geconstrueerde wereld behoort, terwijl dat helemaal niet waar is. Vooral dat element boeide me. Zo kwam ik dus bij mijn woonkamerinstallaties terecht.
Een voorbeeld hiervan was een installatie die ik gecreëerd had in Fst-forward. Je werd daarin als toeschouwer voor een raam geplaatst die binnenkeek in een foto van een woonkamer. Op het ogenblik dat je voor dat raam stond, werd je gefilmd en in het interieur geprojecteerd. Op dat moment werd je met je spiegelbeeld geconfronteerd en met de onmogelijkheid om je uit die zogenaamde woonkamer te bevrijden. Wat een verstikkend effect gaf.


Hoe ben je dan van je maquettes bij je collages terechtgekomen?
TW: Na een achttal jaar met maquettes bezig geweest te zijn, voel je na een tijd dat de spanning er uitgaat. Je hebt behoefte aan iets nieuws en fris. Daarnaast had ik een slechte ervaring op een expo waar anderen erin geslaagd waren een stuk uit mijn installatie te snijden en toen had ik het wel eventjes gehad. Het eerste wat ik erna gemaakt heb is dit zwart/wit werk. Zwart/wit was een logische stap, omdat ik vroeger veel in zwart/wit schilderde.


Van die woonkamers, waar je als het ware ook gevangen zit, ben je bij die gevangenissen terechtgekomen?
TW: Dit werk gaat over de OB [ongestoord bezoek] ruimte van de gevangenis, de plaats waar de brave gevangene zich één maal per maand voor privé doeleinden met zijn partner mag terug trekken. Het idee van voyeurisme heeft hier ook wel zijn rechten. Maar het was op dat moment vooral het publieke versus het private dat mij boeide. Van buiten naar binnen is de gevangenis volledig privaat, een echte microgemeenschap. Maar binnenin is de gevangenis dan weer volledig publiek. Daarnaast heb je dan die OB ruimte, die dan net weer volledig privé wordt. Al die stappen van en interacties tussen publieke en private ruimtes boeien me uitermate.
Ik ben dan ook één van die OB ruimtes gaan bekijken. In Merksplas mocht ik jammer genoeg niet binnen, bleek dat die OB ruimte net naast de koer was, in een grote container. Dus zien alle gevangenen je als vrouw over die koer lopen, wetende wat je daar gaat doen. Over privé gesproken. In Hoogstraten mocht ik wel binnen. Ik had verwacht dat zo’n ruimte iets heel naar en koud ging zijn, maar die kamer was op een heel volkse sympathieke manier ingericht. Je had eerst een salonneke, erna een behoorlijk ranzige matras, en dan een badkamertje. Ik was er eigenlijk wel door gecharmeerd. Je voelde dat dit door de gevangenis met alle beste bedoelingen was opgezet. De collages die ik hier rond gemaakt heb, zijn geconcentreerd op de elementen die voor mij in die ruimte de sfeer maakten. Van deze OB ruimte heb ik ook een volledige reconstructie in de vorm van een maquette en een 3D lichtbak gemaakt. 


Een andere kunstenaar zou foto’s van die OB ruimtes nemen en bijvoorbeeld daarnaar schilderen, jij maakt er collages van. Omdat je liever met die materialen ‘schildert’?
TW: Absoluut. Plastisch, zeker nu - toen was ik daar nog niet zo bewust mee bezig - is het krak hetzelfde proces dat je moet ondergaan. Maar ik doe dit veel liever om het simpele feit dat schilderen, voor mij, iets intuïtief is. Terwijl mijn beeldend werk - collages maken - net over hetzelfde gaat, maar dan rationeel en meer analytisch aangepakt. Voor mij werkt dat gewoon beter.


Zou je jezelf al schilderend te veel in het beeld verliezen?
TW: Misschien. Het zal wel zoiets zijn. Dat ik misschien te veel zou bezig zijn met welke penseelstreken waar moeten komen. Je moet laag over laag werken, maar het is voor mij veel duidelijker een stuk naar achter te plaatsen of net naar voor te doen komen door er bijvoorbeeld een grijstoon bij te zetten, het is veel intensiever en tijdrovender in ieder geval. 


Wat heb je begin 2009 in Vincent Verbist zijn Brusselse Actionfields gallery getoond?
TW: De titel van de tentoonstelling was: Four months of little conceptual self-criticism, just fun. Voor het eerst ben ik vertrokken van autobiografische anekdotes en prikkels. Waar ik voorheen eerder lange analyses van mijn onderwerpen maakte. Het werk Et moi je veux nager, - bedankt Arno - was ook de eerste bewuste aanzet waarbij ik het gevoel had terug met schilderkunst bezig te zijn. Het werk komt voort uit een met de familie verplichte uitstap naar een subtropisch zwembad – een hel op zich - en daar zit je dan tussen mannen met bierbuiken en slechte tatoeages.
Ik ben dan uit verveling die ruimte gaan ontleden en dan zie je de grauwe betonnen constructie verborgen achter wat hangplanten die je moeten doen geloven dat je in een paradijs zit… en hop, je hebt een idee voor een werk!


T.W:De foto voor dit werk van Maria Magdalena heb ik ooit 10 jaar geleden gekocht van een medestudent. Dit is zo’n typisch beeld waar je heimelijk al tien jaar verliefd op bent, maar waar je niks mee doet … tot je een moment hebt dat je zegt:nu! Ik moet toegeven dat ik dit puur voor het persoonlijk esthetisch genot gemaakt heb….


Wat wil je ons vertellen met die duif?
TW: De aanleiding is niet meer dan mijn licht schuldgevoel over duiven die op regelmatige basis bij valavond op mijn zwartgeverfde achtergevel te pletter vliegen.
Maar dit is natuurlijk bijzaak. Het zwaartepunt ligt bij de tekst “In many ways I can’t deny being partially responsile”. Deze tekst is natuurlijk een non-stelling die zichzelf tegen spreekt, maar ze is wel tekenend voor de I can’t care less-attitude van erg veel mensen. En hierbij moet ik toegeven dat ik zelf niet heiliger ben dan de paus.


TW: Vooral de tekst is belangrijk: “When I started out I used to make loads of selfportraits. The fact that I reenact this and that I ask this question conts as, like so many others do, reflecting on my position as an artist … I guess not.”. Ik beschouw dit werk als een luchtige knipoog naar de kunstwereld.
Het punt is dat ik als kunstenaar zelden naar voren treed. Ik heb altijd de neiging me achter mijn werk op te stellen. Omdat ik me wel eens stoor aan kunstenaars die enkel onderwerp zijn van hun eigen werk, de kunstenaar en zijn positie binnen de kunst. Ik zal zeker niet zeggen dat daar geen erg verdienstelijke dingen gemaakt en vragen gesteld worden, maar normaliter hou ik niet van dat soort navelstaarderij. Kunst moet naar mijn gevoel handelen over de wereld zelf..  


Vanwaar de behoefte dit lieflijke tafereeltje te vergallen met een bijtende tekst?
TW: Dit heeft dus te maken met het feit dat ik een gezin met kinderen heb en ik daardoor ook veel andere gezinnen met kinderen tegenkom. Laat het ons een afrekening noemen. 


TW: Dit is een collage/projectie, geen lichtbak. Deze manier van werken komt voort uit een schilderkundige vraag. Hoe breng ik sferische diepte aan door onscherpte binnen in een collage techniek die per definitie scherpe snijranden voort brengt. Het proces bestaat er uit dat de collages geprojecteerd worden door een overheadprojector. De verschillende delen van het werk worden op andere afstanden van de lens geplaatst en de collage smelt terug samen in de projectie op de muur. Dit met de gewenste onscherpte en diepte. Dit is de techniek waar ik me op dit moment het hardst op focus.

Het esthetische is echt wel belangrijk voor je.
TW: Enorm. Maar beelden maken die totaal over niks gaan, dat lukt me niet. Ik moet echt wel de wil hebben dat er een beeld móet zijn. Mijn werk  moet verhalen over iets of tenminste een bepaalde relevantie hebben.


Heimwee naar je jeugd Tom?
TW: Dit is wel super anekdotisch, maar ik denk dat dit voor een stuk wel meespeelt. Dit werk Every boy a pirateship, every man a fleet, gaat over jongensdromen die bij mannen blijven groeien. En dus over de dromen van het kind over grootse dingen… én wat je als man wilt bereiken of op zijn minst iets dat dit op een min of meer waardige manier vervangt.

Je zit honderen uren alleen in je atelier. Je hebt niet altijd projecten op stapel staan, hoe zit dat met de feedback op je werk?
TW: Na een tijdje weet je al vrij goed waar je mee bezig bent en dan volstaat de feedback van mijn vrouw en mijn galeriehouder. Vroeger was ik meer gebrand op expo’s, maar ondertussen weet ik dat dit in golven gaat. Soms begint een jaar zonder expo’s in het vooruitzicht en heb je als het jaar beëindigd is wel drie solotentoonstellingen gehad.

Heb je dezelfde drive zonder deadlines van een expo?
TW: Ik leg voor mezelf allemaal beelddatabanken aan en die wil ik sowieso allemaal uitwerken, maar ik weet op voorhand dat ik die toch niet allemaal gemaakt krijg. Het feit dat mijn werkproces zo intensief is, is voor mij vaak meer een probleem dan dat ik met mijn vingers zit te draaien

Ben je een nine-to-fiver?
TW: Laat ons zeggen een nine-to-twelver, ik werk meestal tot ’s nachts door. Ik voel me vaak extreem schuldig als ik niet aan het werken ben. Maar na het werk ga ik nog een uurtje bewust ontspannen om mijn knop af te zetten, want anders slaap ik gewoonweg niet. Als kunstenaar stel je je steeds vragen over je werk. 

Dweep je met andere kunstenaars?
TW: Eerder opkijken. Ondermeer naar Sigmar Polke. Bij Roman Signer heb ik meer zoiets van ‘waw’ als ik zie wat voor magisch mooi beeld hij kan creëren. Al wil ik dat daarom zelf niet kunnen. Maar wie nog meest in de buurt komt van ‘dwepen’ is de fotograaf Jef Wall.

Welk kunstwerk heeft je laatst van je stokken geblazen?
TW: Op documenta ’07 was ik diep onder de indruk van een film van een Poolse kunstenaar: Arthur Zmijewski. Het opzet was als volgt: Jong socialisten, jong liberalen en jong nationalisten waren voor een paar dagen samen gezet in een atelier, waar ze discussieerden en een schilderij moesten maken. Om het feest compleet te maken werd er toezicht gehouden door een paar diep katholieke oma’s. Dit resulteerde in een ‘mooie’ weerspiegeling van wat er aan sociaal politieke spanningen leeft in een samenleving. Het eindigde in een typische reflex waarbij links de eerste zware gewelddaad uithaalde. Een linkse furie stak het schilderij van de rechtsen met  nationalistische tekens op in de fik. Op het einde staan de nationalisten hun leuzen in de rook te zingen, terwijl de jong liberalen de horen, zien en zwijgen-pose aangenomen hadden. Het zat er allemaal zo óp.

Wat heeft kunst je geleerd?
TW: Op persoonlijk niveau heeft het me voor een stuk wel hard gemaakt, omdat je voelt dat je heel veel prestatiedruk hebt. Een soort niet opgeven. Als ze je neersabelen, dubbel zo hard terugslagen, dat gevoel.

Waarvoor heb je totaal geen talent?
TW: Voor magie.

Wat spijtig Tom!


Hilde Van Canneyt. Copyright 2010.

Met dank aan Croxhapox.
Courtesy foto’s: Actionfields Gallery
www.tomwoestenborghs.be 

Tom Woestenborghs stelt tentoon:

-Confrontaties: De grote vissen eten de kleine. Bruegel anno 2010.
Mechelen
Opening: 04/06

-Summer in the city part II
Cypress gallery, Leuven
Opening: 04/07
(04/07/2010-05/09/2010)

-Solo show
De tweede helft vzw
Turnhout, April 2011      

statcounter