interview met stief desmet

Gent, 24 november 2008.

Ik voel Stief Desmet (1973) aan de tand op een blauwe maandagmorgen, terwijl buiten de sneeuw naar beneden dwarrelt en een gezamenlijke vriendin een lekkere brunch voor ons bereidt. Stief zijn expressieve vormen- en kleurentaal gegoten in fantasierijke schilderijen, sculpturen en video's zijn momenteel te zien in Galerie Fortlaan 17 aan het Gentse Citadelpark.

Is het waarvan je gedroomd had toen je een jaar geleden aan de voorbereiding van je expo begon?

Stief Desmet: Ik heb nooit een uitgekiend idee waarmee ik begin, laat staan dat ik weet waar ik eindig. Ik werk maar door in het atelier en zie dan wat de ‘bruikbare vruchten’ zijn. Ik heb nooit een vooropgesteld beeld en werk ook niet in reeksen, ik had dus totaal geen idee welke kant mijn werken op gingen gaan. Maar elke tentoonstelling doet deugd omdat mijn werk eens in een andere, 'cleane' context te zien is, ontdaan van de geladen chaos in het atelier.
 
De titel van de expo heet: ‘In these woods tonite’. Deze titel had je in ’05 ook al gebruikt voor een schilderij. Vanwaar de nood met dezelfde woorden de inhoud van je expo weer te geven? Lag dat dichter bij je werk nu dan de titel van je vorige solo: ‘Phantasia’?
Desmet: Die titel is er pas achteraf gekomen omdat die sfeer van het nachtelijke woud de gehele lading dekt. Het was geen vooraf bepaalde werktitel, maar achteraf was het wel iets dat klopte bij het grotere verhaal. Ik heb die titel inderdaad vroeger al gebruikt, maar als je naar mijn schilderijen kijkt zie je ook hier en daar een beeldtaal die ik van vroeger recupereer. Tekst en beeld worden op die manier als het ware gerecycleerd binnen in mijn eigen oeuvre.

Ik las in de bijgevoegde tekst van je expo dat ‘recuperatie’ het centraal gegeven is in je werk. Leg eens uit?
Desmet: Zoals ik al zei vind ik het niet erg om reeds gebruikt beeldmateriaal nog eens opnieuw te gebruiken. In een ruimere context gaat mijn werk over recuperatie in die zin dat het veelal gaat over beelden die er niet meer zijn in hun oorspronkelijke zin, en nu maar gerecupereerd worden onder de vorm van logo's, tekenfilmfiguren, kitsch op grootmoeders schouw enzovoort.   

Verklaar je nader.
Desmet: Ik kan dit best illustreren met ‘het hert’. In vroegere tijden waren herten overvloedig aanwezig in onze contreien. Ze zijn verdwenen door overbejaging, verstedelijking enz. Nu wordt het hert op een artificiële manier gerecupereerd door bronzen in het park, logo's bij slagers en apothekers, porseleinen postuurtjes, hertenfarms,… Het hert is maar één voorbeeld. Maar het gaat veelal om een gemis van iets dat leeft onder de mensen, waarmee ze zich toch koste wat kost willen omringen. Een plant in de living is hier ook een voorbeeld van.

Je vertrekt altijd van figuratieve beelden, schrikt het zuiver abstracte je af?
Desmet: Die figuratieve beelden dienen vooral om een toegang of een houvast in het werk te creëren. Wat daarna gebeurt is veelal abstract expressionistisch, recht uit ‘den buik’. Maar er zijn al zoveel beelden aanwezig in onze omgeving en die zorgen voor een bepaalde onrust, dus wil ik daar iets mee doen. Ik vind het interessanter om bestaande beelden opnieuw te gebruiken in een nieuwe constellatie, al dan niet samen met een flard tekst, in plaats van zoals bijvoorbeeld de kubisten nieuwe beelden te creëren. Dat is die ‘sampling’, beelden uit ons collectief geheugen in een nieuwe context gebruiken waardoor ze een nieuwe lading krijgen. 

Je neemt dus die beelden en geeft er zelf je verhaal aan?
Desmet
: Neen, want een hert is een hert en dat ik ga het niet met te lange poten afbeelden of de ogen groter maken. Een hert in Canada ziet er quasi hetzelfde uit als eentje in Frankrijk. Aan dat universele beeld raak ik niet. Als ik een hert met grotere ogen wil, gebruik ik wel een bestaande figuur van Disney. Door dergelijke beelden te combineren met weer andere beelden en eventueel een flard tekst toe te voegen krijgt dat hert een andere connotatie. Dit gebeurt echter heel impulsief, op ‘het moment’.


 
Maar hoeveel invulwerk vraag je dan van de toeschouwer als je hen die herkenbare beelden voorschotelt? Gaan ze zich niet vastpinnen op dat herkenbaar icoon?
Desmet: Ik ben mij bewust dat ‘Bambi’ of ‘Sneeuwwitje’ gevaarlijk is om mee te spelen omdat ze al duizenden keren gebruikt zijn geweest. Maar waarom zijn die al zoveel hergebruikt? Net omdat het zo’n sterke beelden zijn. Christus aan het kruis is ook al honderdduizend keer geschilderd en dat blijft ook een sterk beeld zonder dat het een cliché wordt. Als ‘beeld’ vind ik een piëta of de Coca-Cola wave qua kracht even sterk. Ik zie zo’n icoon als een soort voordeur van mijn schilderij, maar dan ligt het aan de toeschouwer om al dan niet dieper en dieper te graven. Trouwens achter elk van mijn werken zitten er letterlijk vier of vijf andere schilderijen die langzaam in lagen opgebouwd en weer weggeschilderd zijn.
 
Je schilderijen zijn opvallend grauwer dan in je vorige expo’s, alsof je nog meer wit gebruikt om beelden weer weg te vegen. Alsof je ons eerst iets wou vertellen en dan toch weer niet. Ook je vormentaal lijkt slordiger, bewust?
Desmet: Ik werk verre van bewust. Ik heb ook niet de behoefte om het medium verf te onderzoeken. Terwijl voor andere artiesten dat net de core-buisiness is: ‘welk effect kan ik daarmee krijgen, welke olieverf gebruik ik best?' Ik ben niet bezig met effecten, ik werk heel impulsief. Maar het is net dié impulsiviteit die een werk zo eerlijk maakt. Ik poog zo eerlijk mogelijk tegenover mezelf te zijn. In die optiek voel ik mij veel meer verwant met de Duitse Neue Wilden dan met bijvoorbeeld de surrealisten die naar mijn goesting veel te analytisch werken. Daarom maak ik ook nooit voorstudies, die maken die hele boeiende zoektocht naar het einde van een schilderij dood. Hierdoor duurt het weliswaar heel lang voor een schilderij 'af' is.

Dat je schilderijen er deze keer ‘grauwer’ uitzien is dus toeval
?
Desmet
: Ik heb daar eigenlijk niet bij stilgestaan. Misschien heeft het te maken met een soort uitpuren, less is more. Alhoewel ik mij nooit een minimalist zie worden. (lacht) Omdat mijn beelden al zo druk zijn probeer ik ze rustiger te maken door het coloriet wat in te perken. Maar nogmaals, dat gebeurt onbewust en heel gevoelsmatig, door schilderijen om te draaien, ze een maand aan de kant te zetten, er een pot witte verf over te kieperen,...
 

Het destructieve neemt het volgens mij deze keer meer over van het idyllische, alsof je een enorme strijd met dat doek en jezelf leverde.
Desmet
: Door mijn manier van werken, is elk werk hoe dan ook een reflectie van mijn eigen psyche, zonder therapeutisch te willen zijn. Daar heb ik een bloedhekel aan. Je kan kunst niet misbruiken door ze als therapeut te gebruiken. Maar in mijn geval ben ik ook heel fysiek met dat werk bezig. Ik kan soms echt kwaad zijn op een doek tijdens het schilderen, en er een trap op geven of mijn koffie er op uit kwakken of erin schieten met een luchtkarabijn, of een sculptuurtje tegen de muur gooien. Zelden had ik al spijt van zo'n tornadosessie. Ook die is nodig om orde op zaken te stellen en om een extra laag aan het werk te geven. Ik heb ook geen familiale context die mij tegenhoudt, dus ik ben 24 uur per dag daarmee bezig. Op je levenspad gebeuren er dingen waardoor je een bepaalde naïeviteit kwijtgeraakt of een utopie een andere plaats krijgt. Misschien overkomt er mij volgende maand iets waardoor mijn werk er weer fleuriger zal uitzien. In die optiek is mijn werk wel autobiografisch. Een snoeppapiertje kan in mijn broekzak belanden, een jaar in mijn atelier liggen en uiteindelijk op mijn doek belanden. Of ik kan een lief tegenkomen dat mij overtuigt om schapen te gaan kweken in Nieuw Zeeland, waardoor ik misschien wollen truien begin te schilderen, of dat lief... (lacht)

 
Je schilderijen worden veel gelinkt met de Pop-Art. De Amerikaanse cultuur is nooit ver weg. Maar toch lijkt het of je ons de keerzijde van die sprookjes wil laten zien, het gedeelte dat het grote publiek wegmoffelt. Je harmoniseert op het eerste zich en laat ons dan met verwarring achter. Niets is wat het lijkt?
Desmet: Mijn werk moet één visuele en mentale trip zijn. Bij het neerzetten van het icoon gaat het puur om de visuele waarde van dat beeld. Wat daarrond gebeurt is inderdaad veelal de verborgen zijde van het verhaal, maar daar gaat de kijker zover in als hij zelf wil. En geef toe, ze spreken steeds over het gebrek aan geschiedenis in de States, maar als je bekijkt wat er de laatste 60 jaar in de States op muzikaal, literair, cinematografisch en artistiek vlak gebeurde... daar kunnen wij in Europa niet aan tippen. Geschiedenis is toch meer dan een gotische kathedraal? Geschiedenis kan gisteren zijn, of een uur geleden.

Je hebt een tijdje in Amerika verbleven om te schilderen. Heeft dat je schilderkunst beïnvloed?
Desmet: Neen. Maar wel mijn ‘goesting’ naar ruimte om te ‘bougeren’ om me heen. Letterlijk en figuurlijk. We zitten hier zo dicht op elkaar dat het soms verstikkend werkt.  

Ook de wolf is een constante in je werk. Heeft je alter-ego ‘Wolfman’ daar iets mee te maken?
Desmet: Dit gaat meer over het overkoepelende gegeven waar ik mee bezig ben en waarover ook die herten gaan. De wolf is dan weer een sterk icoon als je dat doortrekt naar mijn Alpha-sculpturen, half wolf, half Duitse Scheper. Een wolf is een heel mooi voorbeeld van hoe we de natuur proberen naar onze hand te zetten. 10.000 jaar geleden is de eerste wolf gedomesticeerd geworden, vervolgens zijn we hem beginnen kweken en kruisen en hebben we een gigantisch scala honden naar onze noden gekneed. Dan is er ook het waanbeeld ‘lycantrophy’ genaamd, waarbij een 'patiënt' zich een wolf waant. Dat komt weer neer op die recuperatie, de mens die dat stukje dier in zich wil bewaren, maar hier op een behoorlijk extreme manier. In het verlengde daarvan is er het weerwolf verhaal. Ik deins er zelf ook niet voor terug om mijn wolvenmasker op te zetten en in ‘mijne puren’ in de woestijn te gaan lopen, wat ik in Arizona deed, of bij volle maan ergens in een bos naakt in een boom te kruipen. Als je echt dat beest in je toelaat zijn dat heel bevrijdende ervaringen. Hierover gaat ook de video ‘Lycantrophy’ die in de kelder van de galerie te zien is. Hier fiets ik als half naakte wolf door de straten van Parijs. En neen, ik ben niet rijp voor de psychiatrie, noch ben ik duivelsgebroed. Ik vind gewoon dat we zo nu en dan de ‘elementen’ in ons lijf en hoofd moeten binnenlaten. Ikzelf toch, anders hou ik het niet uit in de stad.
 
Het jachtthema laat je ook niet los. Waarom blijft je dat fascineren?
Desmet: Ik was vroeger enorm anti-jacht, maar nu zie ik dat hele gebeuren in een ruimer perspectief. Dit heeft terug te maken met dat contradictorische, de natuur die we willen beheersen. Zoals een tuinman zijn tuin ook in artificiële bochten wringt. Een échte natuurliefhebber laat zijn struiken en bomen hun vrije gang gaan. Maar dat is niet te doen,want dan kan je niet meer "genieten" van je tuin. Dus we willen de natuur bij ons, we willen allemaal een tuin, die hiervoor symbool staat, maar het moet toch proper blijven. Of Japanners die Bonzaï-boompjes kweken, zodat ze een boom hebben... die in hun woonkamer past. Hallo?

Je gebruikt veel woorden of flarden van zinnen om je schilderijen kracht bij te zetten. We lezen: ‘fear no more’, ‘dirty Diana’, ‘lost kingdom’, ‘there is nothing I can do man’,… Waarom zijn die soms pessimistische woorden nodig?

Desmet: Ik wil op die manier de eenduidigheid van een beeld counteren. Omdat de kijker anders te veel in één richting denkt, en door een tekstflard kan ik de kijker op een zijspoor zetten, verwarring veroorzaken, een tweede denkpiste bewandelen en dingen openlaten. 

Je ‘sampled’ ook verschillende vormstijlen door elkaar, vanwaar die behoefte?
Desmet
: Ik schilder voor mezelf stilleventjes en landschapjes, heb schetsboeken vol accurate tekeningen, maar dat zijn opwarmers, vingeroefeningen. Ik vind dat niet relevant om te tonen. Mijn gesamplede schilderijen zijn veel voller.

Dan ben je met die gesamplede schilderijen toch met je publiek bezig?

Desmet: Ik ben helemáál niet met ‘een publiek’ bezig. Trouwens dat publiek is zo gevarieerd, je kan toch niet voor iedereen goed doen. Je moet daar heel koppig in zijn en ‘het maken van een werk enkel voor jezelf boeiend houden. Ik ben geen entertainer die op een podium staat, eerder een kluizenaar in zijn atelier.

Nog nooit zag ik zoveel sculpturen op je expo. Hoe
komt dat?

Desmet: Ik ben altijd met sculpturen bezig geweest, maar nu klopte het volledig in de context van de tentoonstelling. Ik werk sowieso altijd aan verschillende dingen tegelijkertijd in mijn atelier. Die sculpturen zijn voor mij een verademing omdat je met een extra dimensie zit, maar toch is het veel gerichter. In een schilderij kan je zo ‘zot’ gaan als je wil, kan je alle kanten uit, terwijl je bij een sculptuur vast zit aan je dimensies. Wat een beetje gek is, want ondanks die extra dimensie voel ik me toch beperkter bij het beeldhouwen, wat heel aangenaam is.

In de tuin van Fortlaan17 staat een imposant realistisch beeldhouwwerk met drie trotse herten. Op het eerste zicht een mooi esthetisch beeld, maar op het tweede zicht ontdekken we dat er stukken uit de lichamen ontbreken. Zo ook bij je kleine sculpturen.
Desmet: Met die uitsnedes wil ik aantonen dat die herten of andere afbeeldingen ruïnes geworden zijn. Die herten zijn geen echte herten meer maar overblijfselen die we geromantiseerd hebben. Idem met mijn sculpturen van romantische koppeltjes, het lijken op het eerste zicht ideale plaatjes, maar dan zie je de stukken eruit. En ofwel vult de kijker zelf die uitsnedes in, ofwel laten ze het zoals ik ze aan jullie voorstel. Sowieso ben ik altijd met het visuele aspect bezig, ik ben dan ook beeldend kunstenaar. Ik wil dat het beeld steek houdt, ook qua vorm en compositie, alhoewel die drastische uitsnijdingen ondoordacht en heel impulsief en direct gebeurden, met de elektrische zaag of slijpschijf.

Er hangen ook twee sculpturen die een ruwe zwarte realistische hand voorstellen. In de ene hand ligt een dood hermelijntje, in de andere hand prikt een vogeltje zaadjes uit de hand. Verklaar u nader…
Desmet: Ik had die opgezette beestjes staan in mijn atelier en die rubberen zwarte handen zijn weerwolfhandschoenen van een Halloweenpak die ik ‘opgezet’ heb en in zwarte verf gespoten heb. Die diertjes en handschoenen zijn samengekomen zoals ook mijn schilderijen ontstaan, ze slingerden beide rond in mijn atelier, en plots leken ze samen te horen en kregen ze zo een nieuwe gelaagdheid. Ik wil gewoon poëtische beelden scheppen en zeker niet pamfletair zijn, anders zou ik wel in de politiek gaan. Ik laat zoveel mogelijk open en wil het beeld niet kapotmaken door alles analytisch te gaan uitleggen.
 
Ik las dat voor jou schilderen puur escapisme is, maar geldt dat ook voor je beeldhouwwerken? Want het lijkt me dat je in je beeldhouwkunst minder gevoel steekt dan in je schilderijen, ze zijn veel koeler en cleaner.
Desmet
: Die beeldhouwwerken zijn vooral en bijna exclusief gebouwd rond het icoon, zoals een hertje, een koppeltje,… op mijn schilderijen staan die iconen er ook clean op. Ik wil niet te veel veranderen aan een icoon zoals ik al zei en hier werk ik inderdaad niet zo gelaagd, maar het beeldhouwwerk is voor mij een medium dat evenwaardig naast mijn schilderijen, video’s, performances, installaties en fotomontages staat.


Inderdaad, murals, action-video’s en performances zijn je niet vreemd. In deze expo zien we de video van ‘Sur La Route’, waar we je met een wolfskop op en een bijna naakt lichaam door het Parijse landschap zien razen tot aan de Champs-Elysée. Vanwaar die uitdagingen telkens? Zie je dat als een aanvulling bij de beperking van het witte canvas?
Desmet: Het is een medium als een ander. Het dynamische van een wolfman op zijn fiets kan je nu eenmaal niet schilderen en kan ik maar beter weergeven met een bewegend beeld, dus maak ik er een video van. Hierbij kan ik gelukkig rekenen op de expertise van Benny Vandendriessche, die als het op video aankomt, onmisbaar is voor mij. Het is ook gewoon plezant om te doen, samen met maten 's nacht de stad intrekken en een video maken. Meer moet dat soms niet zijn hé! Trouwens, waarom zou ik me moeten beperken tot het canvas?

Uw kunstuitingen zijn ook heel sensitief, zijn ze allemaal een soort zelfportret?

Desmet
: Ze tonen waar ik op dat moment mee bezig ben. In dat opzicht zijn ze inderdaad zelfportretten of eerder autobiografieën, zonder dat ik daarvoor mijn eigen kop hoef te schilderen. Gelukkig maar! (lacht)


Je thema’s over de ‘American Dream’ lijken wat weggeëbd, Easy Rider en Jack Kerouac lijken van de horizon te verdwijnen. Ook het thema ‘seks' is subtieler aanwezig. Is Stief Desmet volwassener aan het worden?
Desmet
: Zat er dan expliciete seks in mijn vroeger werk? (lacht) Ik was gewoon met andere dingen bezig afgelopen jaar. En ik hoop dat ik 'On the road' op mijn zeventigste nog steeds met hetzelfde enthousiasme zal lezen dan op mijn zeventiende, en dat ik als grootvader nog evenveel zal genieten van ‘Sneeuwwitje en de zeven dwergen’ als toen ik zes was. Laat me op die manier dan maar eeuwig jong blijven.


Je hebt je in interviews ook al laten ontvallen dat je wel houdt van het low-browgehalte in je werk. Je vindt dat kunst toegankelijk moet zijn voor iedereen. Uit zich dat ook naar andere kunstwerken, kunstenaars of galerijen?
Desmet
: Ik heb niks tegen conceptuelen of zo, integendeel, ik kan er met volle teugen van genieten, maar als kunstenaar kan ik daar niet genoeg in bougeren. Daarvoor hou ik te veel van de expressionistische handeling van het schilderen, ik hou van dat fysieke element, de verrassing, het ongecontroleerde. Het moet vooruit gaan. Misschien lijkt mijn werk toegankelijker omdat ik vanuit herkenbare beelden vertrek. Maar kunst in het algemeen moet daarom niet perse voor iedereen toegankelijk of begrijpelijk zijn. Ik versta ook geen fluit van cricket, maar mocht ik dat echt willen, dan ga ik me er wel in verdiepen. Hetzelfde geldt voor hedendaagse kunstenaars. Niemand wordt verplicht een museum binnen te stappen, zoals niemand mij verplicht een cricketwedstrijd te volgen.

Hoe vergelijk je jezelf met andere buiten- of binnenlandse kunstenaars? Voel je je gerespecteerd door de andere beeldende kunstenaars of voel je je eerder een outsider?
Desmet: Ik vergelijk mezelf met niemand. Ik denk dat dat eerder verlammend dan stimulerend werkt.

Als je luidop mocht dromen, waar zou je graag je werk zien hangen?

Desmet: Daar heb ik nog niet over nagedacht, blijkbaar ben ik daar niet echt mee bezig. Dat maakt geen deel uit van mijn onderzoek, mijn onderzoek vindt plaats in mijn atelier, wat daarnaast gebeurt is mooi meegenomen, maar niet de essentie.

Je had vroeger een muze, ‘S’ gegeten, inspireert ze je nog altijd?
Desmet
: Neen. (lacht)


Vind je niet als kunstenaar dat je altijd een muze nodig hebt of verschillende muzes zelfs?
Desmet: Een muze is iets heel romantisch 19e eeuws. Een muze kan fijn en intens zijn en dat zal dan waarschijnlijk wel doorsijpelen in mijn werk, maar op het moment zit ik zonder. Tenzij je een edelhert ook als muze beschouwt. (lacht)

Presteer je beter in een relatie of als je vrijgezel bent?

Desmet: Dat hangt er vanaf wie de dame in kwestie is. Maar een kunstenaar is sowieso egoïstisch ingesteld en heeft geen 9 to 5 job, en dat kan wel botsen in een relatie natuurlijk.

Op je vernissage schalde rock- en popmuziek door de boxen wat voor mij een extra dimensie aan je werken gaf. Bij de voorbereiding van dit interview legde ik ook spontaan popmuziek op, terwijl ik bij Kris Martin eerder voor klassieke muziek koos. Vind je dat muziek past bij het bezichtigen van beeldende kunst of vind je dat er in volstrekte rust naar beeldende kunst moet gekeken worden?
Desmet: Ik had enkele dagen voor de vernissage aan een DJ gevraagd om mijn expo te bezichtigen en op basis van wat hij zag en voelde bij mijn werken muziek te kiezen voor de vernissage. Het is hele obscure en ‘weirde shit’ geworden die hij aan elkaar mixte. (lacht) Muziek is voor mij heel belangrijk terwijl ik werk. Maar ook daarin is mijn keuze heel eclectisch. Dat gaat van underground hip hop, naar renaissancemuziek van Marain Marais, tot free jazz en stoner rock of psychedelica uit de jaren '60. Maar eigenlijk is het beter om in alle stilte naar kunst te kijken want anders heb je nog een ‘input’ extra die in de weg kan staan en kan beperken om dingen anders te zien.
Je mag een vernissage ook niet vergelijken met de 'normale' kijkomstandigheden in een galerie of museum. Er moet vooral gedronken worden op die momenten, een soort bacchanaal, een viering na hard werken aan een oeuvre dat nu wordt losgelaten. Ik voel ook letterlijk mijn nekspieren verslappen op zo'n avond. Ofwel komt dat door de alcohol… (lacht)


Hoe ziet een Stief Desmet werkdag eruit?
Desmet: Ik probeer daarin gedisciplineerd te zijn en om tien uur in het atelier te zijn, maar dat lukt niet altijd. Zeker niet als ik de nacht ervoor tot het ochtendgloren doorwerkte of als er ergens een leuk feestje was natuurlijk.

Ik denk niet dat je een kunstenaar bent die na 18 u zijn knop omdraait, maar eerder constant alles uit zijn omgeving opslorpt en er dus eigenlijk 24/24 u mee bezig is, klopt dat?

Desmet: Ik ben er inderdaad altijd mee bezig, maar in feite is dat een ‘way of being’, ik zie dat niet als een job. Ik ken ook niets anders.

Welk offer wil je niet brengen voor het kunstenaarschap?

Desmet: ‘Mijn beider handen’.

Als Stief Desmet geen kunstenaar was geworden, dan was hij…
Desmet: Gouverneur van een schaars bewoond eiland in de Stille Zuidzee...

Bedankt voor het toffe gesprek Stief!



Hilde Van Canneyt, Copyright 2008. 
Met dank aan croxhhapox. 

de tentoonstelling van Stief Desmet 'in these woods tonite' loopt nog tot 31 januari 2009. alle info op www.fortlaan17.com


statcounter