interview met Tinka Pittoors

Gent, 8 november 2008.

Beeldend kunstenares Tinka Pittoors (°1977) ontvangt me in haar atelier in Gent. Tussen een kluwen aan materialen en ondefinieerbare rommelobjecten kan je af en toe een klein sculpturaal pareltje aantreffen. Omdat ze deze maand aan drie groepsexpo’s deelneemt was het hoog tijd om deze jonge moedige kunstenares eens aan de tand te voelen! 











Je hebt er een lange academische carrière van wel tien studiejaren opzitten. Zocht je die vertrouwde omgeving van leraars en schoolgebouwen bewust op?

Tinka Pittoors: Ik ben gestart met regentaat plastische kunsten, tot ik besefte dat lesgeven niks voor mij was, kunst wel. Daarna volgde ik vier jaar schilderkunst, maar besefte dat verf niet echt mijn medium was. Het ‘gevecht met de verf’ was niet mijn gevecht. Ik ben daar dan ook afgestudeerd met een tekenproject. Ik had een constante drang om met andere materialen dan met tekenpotloden te werken, zoals met hout en stof tekenen en mijn tekeningen zo naar het driedimensionale om te buigen. Alsof ik daar altijd een object in wou steken dat de tweedimensionale wereld tastbaar maakt. Ik wilde als het ware sculpturen tekenen, al wil dat niet zeggen dat ik al mijn sculpturen uitteken. Soms geeft een sculptuur aanleiding om te tekenen of een tekening aanleiding om een sculptuur te maken.
Nadien ben ik mixed media begonnen en dat was een echte revelatie! Vooral qua denken. In de schilderkunst lag de nadruk op een nogal afgevlakt denken, het oude romantische denken. In de mixed media lag de focus op het naar buiten kijken, terwijl in de schilderkunst de focus naar binnen gericht was.
Hier ben ik ook voor de eerste maal sculpturen en objecten beginnen maken. Ik ben constant op zoek naar materialen die aansluiting vinden bij de realiteit en dat heb je bij schilderkunst niet. Canvas en verf staan eigenlijk ver van de dagdagelijkse materialen.

Het visuele is voor jou erg belangrijk. Kleur, vorm en materie vormen één geheel, met vormonderzoek als basis.

Als je naar mijn werk kijkt zie je goed die herkenbare basismaterialen. Ik voel daar een soort kwetsbaarheid in. Het werken vanuit die materialen noem ik ‘plastisch neologisme’: zoals je bij een neologisme in taal herkenbaarheid creëert, kan je dat ook doen door verschillende materialen uit de realiteit te combineren. Naast de realiteit organiseer ik een vrijplaats voor beeldend denken, die geënt is op de bestaande realiteit en voor mij daarom leesbaar. De evidenties en logica van het dagdagelijkse sluimeren daarin door maar krijgen een nieuwe betekenis of toevoeging. Ik wil een toevoeging maken op de werkelijkheid en die daardoor opentrekken, verrijken. Ik hou van de vertraging in kijken dat dit teweegbrengt.

Was je in de schilderkunst al bezig met dezelfde inhoudelijke draad als nu? Ik heb het dan over communicatie en netwerking versus identiteit.

Pittoors: Een werk is sowieso communicatie. Op het einde van mijn opleiding schilderkunst was ik bezig met de huid als communicatiemembraan. De afscheiding tussen mij en de buitenwereld: de vraag of de constructies die we om ons heen bouwen, afschermen of beschermen. Of het nu een huid, een huis, een stad of een landschap is, die vraag is toepasbaar op al mijn werk.
Een netwerk is vooral belangrijk in die communicatie want het refereert aan de steeds verschuivende verbanden en bewegingen binnen ieders omgeving. Een gigantische puzzel met een onnoemelijk aantal oplossingen. Zo schik en herschik ik ook constant mijn eigen werken binnen het geheel, waardoor het kan gebeuren dat een werk wordt gerecupereerd binnen een vernieuwd denkkader.
Identiteit valt terug op een soort vrijplaats om mijn sculpturen vorm te geven en dan terug te koppelen naar mijn omgeving. Dit noem ikzelf een ‘parallelle sculpturale realiteit’, een heterotopische omgeving van waaruit op de wereld kan gereflecteerd worden.

Je maakt sprookjesachtige, surrealistische mini-Tinka-universumpjes. Hoe belangrijk is dat voor jou door de ‘grote’ wereld begrepen te worden?

Pittoors: Zoals ik al zei is kunst communicatie, dus vind ik het belangrijk dat die dingen gelezen worden. De uitkomst van die lezing vind ik minder belangrijk.

Eens de kijker je werk gelezen heeft moet hij voor zichzelf dus gaan uitmaken wat hij ermee doet?

Pittoors: Hij moet daar inderdaad zelf een weg in vinden, het zichzelf toe-eigenen, dit is het engagement van de toeschouwer. Ik wil niet pamfletair zijn, geen lineair verhaal vertellen, niet op narratieve wijze iets verkondigen. Zeker geen waarheid of groot verhaal doen. Mijn werk sluit meer aan bij de kleine hoekjes van de wereld dan bij de grote golven die er doorheen gaan.

In je zelfgeschreven tekstfragmenten – denkoefeningen op papier - haalde je een citaat aan van Rauschenberg: ‘My paintings are an invitation to look someplace else’.

Pittoors: De ruimte die wij rondom onszelf hebben geconstrueerd - het ‘Bonzai-culturalisme - is een zeer beperkte fysieke en mentale ruimte. Dit kader oefent desalniettemin een enorme invloed uit op het vervolg van onze gedachten en handelingen. Het publiek dan uitnodigen om verder – elders - te kijken vind ik een prachtig uitgangspunt.

Je vindt dat we verder moeten kijken dan ons huisje-tuintje? Kan je begrijpen dat iedereen die bescherming rond zich bouwt?

Pittoors: Ik begrijp die drang naar bescherming, daar betrap ik mezelf op. Ik wil de functie van al die daden begrijpen, of die wel effectief noodzakelijk zijn. Van huid naar huis. Je bouwt een huis enerzijds ter bescherming, maar anderzijds houdt je dat ook gevangen. Ik hou van die wisselwerking, dat tweesnijdende zwaard. Het huis is op dat moment puur een metafoor, hoe wij echt onszelf en onze omgeving vormgeven. Is het beschermend of negatief afschermend? Protectionistisch of xenofoob? Dat gaat verder dan die letterlijkheid van die huid maar bevraagt het totaal van waarde- en normsystemen.

Samen met Nele Tas en Karen Vermeren stel je momenteel tentoon in Antwerpen. We zien van jou heerlijk speelse tekeningetjes hangen, je hebt ze de naam ‘symboolmoeheid’ gegeven. Vanwaar die naam?

Pittoors: Ik hou ervan met taal te spelen. Die reeks is mijn denken op papier. Ik heb daar een enorme vrijheid in. Het is een database van input en output. Het zijn geen dagboekfragmenten, ik werk eraan in vlagen. Het zijn ook geen voorstudies voor sculpturen, ze staan op zichzelf, als een gedachtestroom… Het belangrijke voor mij aan die reeks is om de overkill aan beelden aan te kaarten, als reflectie op de zapcultuur. Als een soort inkijk.

We zien in je tekeningen veel wortels, takken en verbindingen. Wat is de oorsprong daarvan?

Pittoors: Ik vind die takstructuur enorm belangrijk. Die structuur komt vaak terug op verschillende niveaus: bloedvaten, zenuwbanen, netwerkstructuren via internet…. Deze structuur is organisch en natuurlijk, maar wij gebruiken hem ook in een gecultiveerde versie. Computers zijn zo opgebouwd, taal, artificiële intelligentie, alsook mijn eigen denkstructuren waarbinnen ik mijn werk probeer te kaderen.

We zien in Antwerpen ook een lage sokkel met een vijftal kleine sculpturen in diverse materialen, o.a. een boomstructuur onder een stolp met als titel: 'Junkle'.

Pittoors: Dit werk past binnen het landschapsdenken. Het is een parodie op ons verlangen naar een maakbare realiteit. Die reflecteert op de manipulaties van groenzones zoals stadsparken binnen een verstedelijkte context. Vermetele pogingen om de natuur in een keurslijf te dringen.

We zien ook nog een uit schijven opgebouwd ‘ding’ in legerpatroon. Vanwaar dat legermotief?

Pittoors: Naar aanleiding van het werken met handdoekmotieven ben ik op zoek gegaan naar een patroon dat universeel leesbaar is. Het is in zekere zin pijnlijk dat je op die zoektocht onvermijdelijk op het legerpatroon stuit, dat ook een sterke referentie naar het landschap geeft.

Blikvanger van de expo in Antwerpen is je monumentaal werk ‘Environmental behaviourism’.
Deze sculptuur is opgebouwd uit grote houten balken die met scharnieren zijn bevestigd en zich als het ware vanuit de kern ontvouwen. Wat wil je ons daarmee vertellen?

Pittoors: Deze sculptuur is ontstaan vanuit het idee om beweging in beeld om te zetten, als reflectie op een mogelijke interactie tussen een danser en een sculptuur.
De sculptuur nodigt dan wel uit tot manipulatie, maar die is door de zwaarte van het werk onmogelijk.Tijdens de tweede opstelling is de sculptuur beginnen leven en omgevormd tot een beweeglijk landschap, onder andere door de toevoeging van groene vlakken. Momenteel is de titel ‘Environmental behaviorism’ als grafisch beeldelement erbij gekomen in de vorm van oranje houten letters.

Terug méér communicatie met de toeschouwer. Je vindt dus dat de kijker recht heeft op meer uitleg?

Pittoors: Ja en nee. De titel is eerder een nieuwe betekenislaag dan een duiding.

Waarom wil je ons dit werk tonen? Waarom is het voor jou belangrijk dat wij dit werk zien?

Pittoors: Euh, uiteindelijk een heel evidente vraag…maar moeilijk om onmiddellijk antwoord te geven.

Je stelt ook tentoon in De Markten in Brussel naar aanleiding van 30 jaar “Kunst in Huis”, een vzw dat kunst uitleent aan particulieren.


Pittoors: Hier toon ik de sculptuur ‘Lifestyle storage’. Het is de eerste maal dat ik een maquette op een zodanige letterlijke manier heb geïnterpreteerd. Met twee opstaande wanden, bezet met blinkende zwart-wit tegels in strak vierkantpatroon en daartussen een groene vorm die eruit breekt. Bij deze sculptuur wil ik verwarring creëren over waar het zwaartepunt zich bevindt. Welk aspect domineert? Beschouw het als een gestolde beweging dat alle kanten uit kan.

Op 29 november opent in de Verbeke Foundation de expo G58, waar jij ook aan deelneemt.

Pittoors: Het werk heet ‘Elementary domination’ en is opgebouwd uit schijven in legerpatroon. Het is belangrijk voor mij dat die zwevende sculptuur is geflankeerd door vier sterke spots op statief. De belichting is de efemere afbakening van die organisch gestructureerde vorm. Ik vind een verwijzing naar landschap ook hier heel belangrijk. Alsook het gevoel van mobiliteit en lichtheid, de fluïditeit van de vorm in tegenstelling tot de eerder dreigende connotatie van dat
legerpatroon.

Vind je het belangrijk om op zoveel plaatsen tentoon te stellen?

Pittoors: Ja, het is een zelfopgelegde reflectie. Naar aanleiding van expo’s ontwikkelt mijn werk zich. Ook de kijker geeft veel feedback. Je stelt jezelf telkens scherp.

Vanwaar je werkethos? Kan je je voorstellen dat je ooit iets anders zou doen?

Pittoors: Nee! Je zoekt een eindje en dan vind je wat je wilt doen en ik heb het gevonden!

Steek je een structuur in je dagdagelijks ‘kunst’ maken?

Sommige dagen is dat super duidelijk, vooral als ik aan grote sculpturen bezig ben. Het rode knopje op de wekker is daar ideaal voor...als de wekker afgaat en ik lig te snoezen maak ik een constructie van wat ik die dag zal doen.

Je legt jezelf dus elke dag die arbeidsethos op?

Pittoors: Ik wil iedere dag wel produceren, die regelmaat te hebben en minstens een zestal uur per dag ermee bezig zijn, maar dat kan evengoed ook lezen zijn. Ik heb wel een zekere traagheid in mij. Ik ben nu in een super interessant boek bezig: ‘Landschap en herinnering’ van Simon Schama: hoe landschap in de loop der tijd veranderd is en hoe dit, variërend van land tot land voor een andere filosofie staat.

Vind je het niet eenzaam om kunstenaar te zijn?

Pittoors: In het begin was dat moeilijk, maar meestal heb ik daar weinig moeite mee.

Hoe zie je jezelf evolueren in je kunst?

Pittoors: Dat is moeilijk te beantwoorden omdat ik dat vrijhoud. Ik ben momenteel bezig met een paar grotere installaties uit te werken. Monumentaal werken blijft een droom. Vroeger bleef het bij simulaties met fotoshop. Het heeft natuurlijk ook te maken met budget en mogelijkheden die je via tentoonstellingen krijgt.
Sommige installaties krijgen een andere impact door de schaal te wijzigen, dat kan de hele ervaring van een werk bepalen. Het is ook altijd spannend naar de juiste materialen op zoek te gaan om die uitvergrotingen te doen.

Hoe zie je jezelf binnen de scène van het hedendaags kunstveld? Wil je ook internationaal ook nog iets betekenen?

Dat is natuurlijk de droom! Je wilt op een bepaald moment je werken kunnen achterna reizen. Ik denk dat een tendens binnen de hedendaagse kunst terug naar sculpturaliteit grijpt. Ik situeer mijn werken op de scheidingslijn van abstract en figuratief denken. Niet enkel het concept is belangrijk, ook het zichtbare resultaat, de visuele impact en fysieke relatie met de toeschouwer, het kijken, het ervaren op zich. Ik hou van fouten in producten, die op een menselijkheid wijzen, geen strak afgewerkt resultaat. In details blijf je de menselijke handeling herkennen, blijf je de mens achter het werk voelen.

Bedankt voor het fijne gesprek.

Hilde Van Canneyt. Copyright 2008. Met dank aan croxhapox.

Tinka Pittoors, Nele Tas & Karen Vermeren
2 - 23 november ‘08
open zondag van 13u tot 18u
open dagelijks op afspraak: 0494 335841
Arte Falco
Fanconrui 33 - 47
Antwerpen
www.tinkapittoors.com
tentoonstellingsproject nav 30 jaar kunst in huis
van 14/11 tot 21/12
De Markten, oude graanmarkt 5, Brussel

Verbeke Foundation: Expo G58
Van 29/11/08 tot 24/05/09

statcounter